Rwanda 10 jaar na de genocide: het verhaal van overlevenden en slachtoffers

"Ah, jullie zijn Belgen? Ik heb 10 jaar geleden al eens Belgen ontmoet. In april ’94, toen mijn familie en ik op de vlucht waren en bescherming zochten in het kamp van de Belgische blauwhelmen in een buitenwijk van Kigali. Een paar dagen later vertrokken ze… en werd iedereen vermoord."

Dit zijn de eerste woorden van Justin Karangwa, wanneer we hem ontmoeten in een overladen busje richting Kigali, de Rwandese hoofdstad.

Justin en zijn gezin zijn een van de weinige overlevenden van het bloedbad dat plaatsvond in de technische school van Kicukiru. Deze school was begin april ’94 een legerkamp van de Belgische blauwhelmen. Na de eerste uren van de genocide zochten duizenden vluchtelingen bescherming in dit kampement. Op 7 april werden tien Belgische para’s vermoord. Als reactie hierop, verlieten de Belgische soldaten van de UNAMIR (de bemiddelingsmacht van de Verenigde Naties) zo snel mogelijk het land. Dit betekende het doodvonnis voor de vluchtelingen van Kicukiru.

Tien jaar later zijn Justin en zijn dochter Théophilie bereid naar Kicukiru terug te keren. Ze leggen ons uit wat er precies is gebeurd in april ’94 en hoe ze aan de massamoord zijn kunnen ontsnappen.

"We woonden in Kicukiru zelf, niet ver van de ETO, de technische school waar de Belgische blauwhelmen gelegerd waren. De spanning was al een tijdje voelbaar in onze wijk: extremistische Interahawme-militieleden trainden in het openbaar en paradeerden door de straten. Maar in de ochtend van 7 april brak de hel los. Enkele uren nadat het vliegtuig van president Habyarimana werd neergeschoten, begonnen de eerste slachtpartijen in en rond Kigali."

"We zijn onmiddellijk naar de kerk gevlucht die niet ver van ons huis lag. Daar hadden zich al honderden mensen verzameld, op zoek naar een veilig onderkomen. Maar de pastoor raadde iedereen aan naar de technische school te gaan: "Bij de Belgische soldaten zullen jullie zeker veilig zijn". De Interahamwe-militieleden waren al aanwezig in de buurt van de kerk, en ze achtervolgden ons tot aan de ingang van de school. Toen zijn de eerste doden gevallen onder het geweld van de machetes…"

Het legerkamp van de blauwhelmen was niet uitgerust om de enorme mensenstroom op te vangen. Volgens Justin deden de Belgische soldaten toch hun best om de vluchtelingen onderdak te geven en bescherming te bieden. "Tussen 7 en 11 april zochten meer dan 4.000 mensen bescherming in de ETO. De levensomstandigheden waren uiteraard heel moeilijk, zeker omdat de Interahamwe alle uitgangen van het kamp blokkeerden. Toch hebben de blauwhelmen de gewonden verzorgd, sanitaire installaties ter beschikking gesteld en iedereen te eten gegeven. Tot maandag 11 april…"

Op 11 april trekken de Belgische blauwhelmen zich uit Kicukiru terug. Na de dood van hun 10 collega’s op 7 april, wordt hun mandaat door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties stopgezet en verlaten ze Rwanda zo snel als mogelijk. Onmiddellijk na hun vertrek begint het bloedbad.

Interahamwe-milities en soldatenbendes dwingen alle vluchtelingen in de richting van een nabijgelegen heuvel te marcheren. Rond vijf uur ’s avonds schieten de militairen in de menigte en vragen zij de Interahamwe het werk af te maken.

"We hebben veel geluk gehad. Soms kan ik het nog moeilijk geloven… Mijn vrouw werkte voor het Rode Kruis. Ze had een identificatiepasje bij, waarop het bekende rode logo stond. Toen de Belgen vertrokken, namen ze met de hulp van Franse soldaten alle buitenlanders mee. Mijn vrouw heeft toen haar pasje getoond aan de Belgische soldaten en aan de Interahamwe-militieleden die de uitgang blokkeerden. Waarschijnlijk hebben ze gedacht dat we buitenlandse medewerkers van het Rode Kruis waren en hebben ze ons samen met de Belgen laten vertrekken. Enkele minuten later is de aanval op de school begonnen. Een kleine plastic kaart heeft ons leven gered…"

Een paar maanden later, na het einde van de genocide, gingen Justin en zijn familie terug naar Kicukiru. Overlevenden waren er amper. Overal hing de geur van duizenden lijken. "Toen was het moeilijk om de Belgen niet te haten. Ze hadden duizenden mensen in de steek gelaten… Maar nu kan ik hen beter begrijpen. Eigenlijk hebben ze alleen maar de bevelen van hun oversten opgevolgd, zoals zovele anderen tijdens de genocide, slachtoffers of moordenaars."

Niet iedereen is zo vergevingsgezind voor de Belgische soldaten, zo blijkt uit het verslag van de Rwanda-commissie in het Belgische parlement. Sommige overlevenden hebben een klacht tegen de UNAMIR ingediend wegens het niet verlenen van hulp aan personen die in gevaar verkeren. Volgens hen is er een direct verband tussen het vertrek van de UNAMIR uit de ETO en de massamoord van Kicukiru. Voor sommige van de achtergebleven kinderen van Kicukiru betekent het woord UNAMIR “zij die mijn ouders gedood hebben”. Deze klacht werd tot nu toe niet behandeld.

Vandaag heeft Justin de kleine meubelfabriek die hij voor de genocide had, kunnen heropstarten. Hij woont nu in een andere wijk van Kigali, ver van Kicukiru. "Soms kom ik naar hier terug, maar bekende gezichten zie ik niet meer: de overlevenden zijn bijna allemaal weggetrokken. Blijven leven op de plaats van die gruwelijke gebeurtenissen is gewoon onmogelijk. Ons huis in de buurt was trouwens ook helemaal verwoest. Er bleef niets over, zelfs de muren niet."

Volgens Justin is nationale verzoening een noodzaak voor de toekomst van Rwanda. Hij beseft dat dit voor iedereen een moeilijk en moeizaam proces zal zijn."Als ik vandaag, binnen tien jaar of binnen twintig jaar, een genocidaire op straat tegenkom, zal ik hem altijd als een misdadiger beschouwen. Zelfs als hij zijn misdaden bekend heeft en hij zich verontschuldigd heeft." 

Hij wil ook de rol van de gacaca’s onderstrepen. Deze heringevoerde, traditionele volkstribunalen, zullen de meerderheid van de genocide-beschuldigden moeten berechten en hun reïntegratie in de maatschappij eenvoudiger maken. Maar hij koestert geen ijdele hoop. "Gacaca’s zijn zeker een belangrijke stap in de goede richting. Eindelijk wordt iets gedaan tegen de straffeloosheid van misdadigers. De inspraak van de bevolking is daarbij van groot belang. Toch zal vergeving pas mogelijk zijn als recht gesproken wordt. Ondanks alle inspanningen die tegenwoordig door de Rwandese overheid of de internationale gemeenschap geleverd worden, zal het nog lang duren alvorens alle schuldigen gestraft zullen worden…"

Samenleven met twee families

Pascal Gashumba woont in Mutete, een dorpje in de provincie Byumba in het noorden van Rwanda. Pascal leeft er vandaag met zijn twee families samen. Eerst is er zijn "oude" familie van voor de genocide: deze bestaat uit de 28 familieleden die hij heeft kunnen terugvinden en identificeren en die in zijn tuin begraven liggen. Daarnaast is er zijn "nieuwe" familie: zijn eigen vrouw en kinderen, maar ook de achtergebleven neven, nichten en kinderen die hij geadopteerd heeft.

Vroeger woonde Pascal in de hoofstad Kigali. Door zijn hoge opleiding en zijn uitstekende beheersing van het Frans, werkte hij voor internationale instellingen en humanitaire organisaties. Zijn kennis van het land was immers een grote troef. Maar na de genocide van ’94 is het leven van Pascal grondig veranderd. "Mutete ligt bij de grens met Oeganda. Onze streek werd in de eerste dagen van de genocide bevrijd door het Rwandees Patriottisch Front (RPF), maar voor mijn familie en vele andere bewoners van het dorp was het al te laat. Toen wij de massagraven openmaakten heb ik mijn moeder, mijn broers en sommige anderen herkend aan hun kledij. Nu liggen ze in de tuin van mijn huis begraven. Uiteindelijk is mijn hele familie weer samen…"

Vandaag werkt Pascal terug in Mutete. Niet meer in opdracht van grote internationale organisaties want die zijn al een tijdje niet meer actief in de streek. Hij staat nu in dienst van de lokale bevolking. "Iedereen is welkom bij mij. Ik weet wat sommige bewoners van de heuvel gedaan hebben tijdens de genocide, maar ik wil met iedereen samenwerken om zo ons dagelijks leven te verbeteren."

Rwanda is niet blijven stilstaan na ’94 en het leven gaat voor de meeste bewoners van Mutete door. Er staan nu nieuwe huizen naast de ruïnes van verwoeste huisjes. Vele overlevenden wonen nu in nieuwe woonwijken, gebouwd met de hulp van humanitaire organisaties, omdat ze niet meer alleen durven te leven op hun heuvel of naast hun veld. Een keer per maand moeten alle inwoners van Mutete samenwerken voor het gemeenschappelijk belang: de kinderen kweken groenten in de tuin van hun school en de volwassenen graven putten voor de fundering van een monument ter herinnering van de lokale slachtoffers van de genocide.

Pascal neemt als lokale verantwoordelijke voor ontwikkeling natuurlijk deel aan de gemeenschappelijke activiteiten. Het is zijn taak de bewoners te motiveren om samen te werken. "De mensen moeten opnieuw leren samenleven. Door samen te werken aan de bouw van dit monument begrijpen ze dat ze leden van eenzelfde gemeenschap zijn en dat ze elkaar moeten helpen. Alleen zo kunnen we ons leven verbeteren. Dit is uiteraard niet eenvoudig want de boeren willen liever op hun veld werken. Maar ik blijf optimistisch. Samen werken om samen te leven is de boodschap."

Rwanda blijft vandaag een van de armste landen ter wereld. Kigali wordt een grote stad met hoge kantoorgebouwen, moderne villa’s en zelfs verkeerslichten, maar op het platteland is er slechts weinig van die evolutie te merken. De boeren blijven werken met de werktuigen van hun grootouders, buiten de steden en andere centra is er nergens elektriciteit en bijna iedereen moet nog naar de pomp lopen voor drinkbaar water. Meer dan 85% van de bevolking leeft van bananen, bonen of andere groenten die ze op kleine velden kweken. In sommige delen van het land zoals Bugesera, op slechts veertig kilometer van Kigali, heerst er zelfs hongersnood. De grond is er te droog, de zon schijnt er te hard en het regent er bijna nooit. Daarom krijgen veel bewoners in deze streek vandaag nog voedselhulp van het Wereldvoedselprogramma. Als deze ellendige situatie nog verergerd, wordt overleven bijna onmogelijk.

Een indirect slachtoffer

Etienne Mbonigaba leeft in Kigufi, naast het paradijselijke Kivumeer, een soort Azurenkust dichtbij de grens met Congo. Hier kwamen voor ’94 veel buitenlandse ontwikkelingswerkers op vakantie. Etienne is 8 jaar oud. Hij is een van de vele indirecte slachtoffers van de genocide. Wanneer we hem en zijn nieuwe familie leren kennen, wordt Etienne voor zware ondervoedingsverschijnselen verzorgd in het vervallen ziekenhuis van Gisenyi, op meer dan drie uur te voet van zijn heuvel in Kigufi. Consolida, zijn nieuwe moeder, vertelt: "Twee jaar na de genocide, vlak voor de geboorte van Etienne, werd zijn vader opgepakt op beschuldiging van genocide. Hij zou een man hebben vermoord. Wanneer Etienne geboren werd, besliste zijn moeder dat ze zonder man niet voor hem zou kunnen zorgen en heeft ze hem achtergelaten om aan de andere kant van het land te gaan leven. Hij heeft een tijdje bij zijn grootmoeder geleefd, maar na haar dood heeft hij jarenlang alleen moeten overleven."

Enkele maanden geleden, vlak na Kerstmis, vonden Consolida en haar man Jean-Bosco Etienne op hun heuvel. Hij vertoonde alle tekenen van zware ondervoeding: een dikke buik vol lucht, zwakke benen, vochtophopingen door het honger lijden. Consolida had het al moeilijk om voor haar vier eigen kinderen eten te vinden, maar toch heeft ze Etienne onmiddellijk naar het ziekenhuis van Gisenyi gebracht. Vanaf toen besloot ze Etienne als haar kind te beschouwen.

"Dat gebeurt hier vaak", legt dokter Lupula van het ziekenhuis van Gisenyi uit. "Door de genocide en de oorlog of door ziektes zoals AIDS, worden veel kinderen alleen achtergelaten. In de steden kunnen ze soms op straat overleven, maar op de heuvels, waar iedereen het al heel moeilijk heeft, is hun kans op overleven nog lager."

Via Raymond Delporte, een van de laatste Belgische paters die in Rwanda is gebleven en die als aalmoesnier werkt in de gevangenis van Gisenyi, vernemen we dat de vader van Etienne in de gevangenis zit. Hij wacht op zijn proces voor het lokale volkstribunaal. Wanneer hij vrijgelaten wordt is nog een raadsel, maar dankzij Consolida en haar familie is de kans nu groot dat Etienne zijn vader ooit zal kennen.

Ondanks de moeilijke geschiedenis en de dagelijkse ellende, leveren veel gewone Rwandezen enorme inspanningen om de situatie van hun lokale gemeenschap te verbeteren. Ver van de politieke toespraken in Kigali en zonder de financiële middelen van de "goedgeefse" internationale gemeenschap, is dit misschien wel het meest positieve teken voor de toekomst van Rwanda.

(Uitpers, nr. 53, 5de jg., mei 2004)

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 32 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook