Rusland’s (geo-)politieke spreidstand

De laatste jaren zijn de relaties tussen Rusland en het Westen aanzienlijk bekoeld. Er is sprake van een nieuwe Eurazianistische politiek waarbij Moskou het westelijk deel van het continent uitspeelt tegen de oostelijke invloedspool. Dit artikel beargumenteert dat de laatste eeuwen van de Russische geschiedenis worden gekenmerkt door een cyclisch patroon waarbij Europacentristische episodes worden gevolgd door fases waarin het Eurazianisme centraal staat.

1. Regimewissels en de geopolitieke tredmolen

‘De nachtmerrie van een continentale staat,’ zo typeerde Josef Stalin de geopolitieke uitdagingen van zijn land. Deze metafoor refereert in eerste instantie aan de talrijke rivaliserende machten die uitgestrekte grenzen met Rusland delen en hun invloed projecteren op gemeenschappelijke perifere regio’s. Het heeft betrekking op de vraag hoe het land moet omgaan met zijn geografische eigenheid. Van oudsher vormen West-Europa en het Verre Oosten de invloedspolen waarmee de Russische aspiraties interageren. Hoewel Rusland cultureel, politiek en economisch steeds meer verwantschap heeft vertoond met het Europese deel van het continent dan met het Oosten, resulteert deze aardrijkskundige eigenschap in een opvallende geopolitieke spagaat. De geopolitieke code van Rusland ondergaat een quasi permanente herdefiniëring met Europacentrisme en Eurazianisme als de twee uiteinden van een conceptueel continuüm.(1) De Europacentristische notie impliceert dat de westelijke territoriale grens veeleer wordt beschouwd als een open transitzone dan een gesloten barrière. Het Europacentrisme legt de nadruk op interactie en identificatie met West-Europa.Vanuit deze optiek wordt het Russische gebied ten oosten van de Oeral aanzien als een afgelegen perifere zone, terwijl het westelijke gebied één geheel vormt met de rest van Europa. Eurazianisme daarentegen, wijst op geopolitiek particularisme en scheidt het territorium af van de rest van het continent.(2) De geografische insluiting moet vanuit dit perspectief worden beantwoord met een realistische politiek. Het Russische Verre Oosten maakt hierbij voorwerp uit van een manifest destiny waarbij het fungeert als cruciaal machtsbastion ten aanzien van Oost-Azië. Om grenzen te beschermen, moet men ze verleggen! Anderzijds heeft de ‘nachtmerrie’ betrekking op de bestuurlijke impact van het geografische karakter. De omvang van het Russische grondgebied legt een zware hypotheek op de territoriale integratie en versterkte de middelpuntvliedende krachten binnen de samenleving.(3) De politieke omgang met dit gegeven beweegt zich tussen autoritarisme en liberalisme.

De synthese van deze twee dimensies van de Russische geopolitiek resulteert in een cyclisch patroon dat sinds het einde van de negentiende eeuw prominent aanwezig is. Een heropleving van autoritarisme gaat hierbij steeds gepaard met toenemend Eurazianisme en mondt uit in een wantrouwige realpolitik ten aanzien van zowel het Westen als het Oosten. Naast politiek en cultureel particularisme is autarkie een belangrijke pijler in de binnenlandse autoritaire machtspolitiek. Herhaaldelijk leidden de combinatie van zelfgenoegzame quarantaine en een starre opstelling ten aanzien van de buitenwereld echter tot een geleidelijke erosie van de machtsbasis van het politieke establishment en een noodgedwongen opening. Het daaropvolgende liberalistische reveil bouwde vooral op hoge verwachtingen ten aanzien van het Westen en West-Europa in het bijzonder. Keer op keer bleken de belangrijke West-Europese actoren echter niet in staat om hieraan tegemoet te komen. Nieuwe muren werden opgetrokken die de Russische toenadering afblokten, waardoor ook de liberalistische, pro-Westerse krachten afzwakten en de Eurazianistische realpolitik opnieuw de bovenhand haalde.

2. Westerse periferie of continentaal centrum?

Het Eurazianisme als doctrine vond zijn ingang in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het filosofische pad werd geëffend door Nicholas Danilevski. Met zijn monografie ‘Rusland en Europa’ brak hij een lans voor een assertieve Russische staat die het potentieel van zijn landmassa volledig moest uitspelen ten aanzien van het ‘Azië’s westelijke schiereiland’.(4) Danilevski verwierp het beeld van Rusland als een traag ontwikkelende periferie van Europa. De politieke koersbepaling kwam er met het aantreden van Alexander III (1881-1894).(5) In tegenstelling tot de pro-Europese opstelling van zijn voorganger toonde deze tsaar een uitgesproken scepsis ten aanzien van de West-Europese rijken. Deze achterdocht werd grotendeels opgewekt door de uitkomst van het Congres van Berlijn (1878) waarbij Rusland werd gedwongen zijn invloed in Centraal Europa af te bouwen. De machtsstrijd met Oostenrijk-Hongarije en Engeland om de Balkan en Centraal Azië versterkten het wantrouwen. Alexander’s betrekkingen met het Westen bleven beperkt tot het voeren van een verdeel-en-heers-politiek en een broze veiligheidsalliantie met Duitsland. In het binnenland maakte het liberalisme van Alexander II plaats voor een versteviging van de monarchie. Alexander III liet zich hierbij adviseren door Konstantin Pobedonostsev, de Russische Machiavelli die pleitte voor een repressieve autocratie, de herinvoering van grootgrondbezit, Russificatie en seculier nationalisme.

De Russische Revolutie (1905) en de nederlaag tijdens de oorlog met Japan (1904-1905) leidden echter tot een erosie van het politieke autoritarisme. Nikolaas II (1894-1917) kondigde met zijn Oktobermanifest meer burgerlijke vrijheden aan en herstelde de Doema in haar wetgevende functie. Als gevolg van de lege schatkist en de tanende politieke invloed deed de tsaar afstand van zijn ambities in Azië en toonde hij zich bereid om met alle West-Europese staten zaken te doen. Onderhandelingen werden gevoerd met Duitsland (1904), Frankrijk (1904) en Groot-Brittannië (1906-1907). Het expansionisme van Oostenrijk-Hongarije en de toenemende spanningen tussen Duitsland enerzijds en Parijs en Londen anderzijds beperkten echter de mogelijkheden en sleurde het nauwelijks bewapende Rusland mee in wapengekletter.

De breuk met het Westen werd onherroepelijk met het aantreden van de communisten. De prille hervormingen van Nikolaas II werden ongedaan gemaakt en de politieke macht gecentraliseerd. Met het oorlogscommunisme en de revolutionaire buitenlandse politiek werden alle bruggen naar het Westen opgeblazen.(6) Waar de Russen in Europa niet de minste bewegingsruimte hadden, bleek het nieuwe regime er wel in te slagen zijn macht naar het Oosten te projecteren en opnieuw invloed te verwerven in de Kaukasus, Centraal Azië en Mongolië. Een nieuwe generatie Eurazianisten stelde dat het idealistische materialisme van het communisme in staat zou zijn om het Russische rijk te herstellen. West-Europese machten werden verantwoordelijk geacht voor de verbrokkeling van Eurazië; enkel een dominant Russisch imperium zou duurzame stabiliteit kunnen brengen.(7) Na de Tweede Wereldoorlog en de burgeroorlog zat Rusland echter geheel aan de grond. Vladimir Lenin zag slechts één uitweg voor de algemene malaise en dat was die naar de West-Europese investeerders.(8) De Nieuwe Economische Politiek was dan ook gericht op het gedeeltelijk herstellen van privé-kapitalisme: ‘Wij hebben er geen probleem mee kapitalistische locomotieven en tractors in te voeren. Waarom zouden anderen er dan moeite mee hebben om ons socialistisch graan, vlas en platina te importeren.’(9) Daarnaast trachtte Lenin de revolutionaire en autoritaristische stromingen binnen de politieke in te dijken en in plaats daarvan werk te maken van ‘democratisering binnen de Partij’. Rusland’s constructieve opstelling tijdens de Conferentie Genua (1922) moest ook de politieke banden met de westelijke machten opnieuw aanhalen. Tegen 1924 was Rusland erin geslaagd om de diplomatieke betrekkingen met de meeste Europese staten te herstellen.(10) Zelfs Josef Stalin bleek aanvankelijk niet van plan om deze verbeterde verstandhouding op het spel te zetten en bleef tot aan het begin van de jaren dertig trouw aan het principe van goed nabuurschap: ‘Ons beleid streeft ernaar om de handel te bevorderen. Het resulteert in de verbetering van de betrekkingen met een aantal landen en verschillende overeenkomsten aangaande handel, technische hulp, etc. … Een ander gevolg van dit beleid is het feit dat we ons niet laten meeslepen in conflicten.’(11) Moskou stelde zich toegefelijk op in de onderhandelingen over Iran en de Balkan. De eerste decennia van de Sovjetstaat bestond er een duidelijke tendens naar openheid.(12) De betrekkingen met West-Europa waren gericht op het tot stand brengen van een détente. Hoewel er geen sprake was van liberalisme bleek de partijleiding in te zien dat decentralisering en een pragmatische houding tegenover kapitalisme cruciaal waren om de legitimiteit van het bestel te versterken.(13)

Interne verdeeldheid binnen de communistische partij leidde echter tot een ommekeer.(14) Door economische revolutie en politieke repressie trachtte Stalin tabula rasa te maken met politieke opponenten. Ook de verhoudingen met het Westen verzuurden.(15) De bewapening van Nazi-Duitsland baarde de bewindsman zorgen. Moskou verkreeg van Parijs en Londen echter geen garanties dat Duitse agressie daadkrachtig zou worden beantwoord. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het van kwaad naar erger. De communicatie met de geallieerden liep hopeloos mank en de verhoopte financiële hulp van het Westen bleef uit. Het wederzijdse wantrouwen tussen Washington en het Kremlin maakten de breuk onherroepelijk. De Sovjetunie groef zich in en wierp letterlijk een muur op tussen oost en west. Despotisme en personencultus moesten de positie van Stalin veilig stellen in een context van economische ravage, militaire vernedering en politiek wantrouwen. Tijdens de hele Koude Oorlog was het Eurazianisme impliciet aanwezig in de Sovjetstrategie.(16) Moskou doelde op een ‘nieuwe samenleving’ die zich uitstrekte van de Berlijnse Muur tot Vladivostok. De geopolitieke focus verplaatste zich van Europa naar het gehele Russische imperium. Economische activiteiten werden verhuisd naar het oosten van de Oeral. Het Kremlin was zich bewust van het strategische belang van de oostelijke grenzen, sloot allianties met ondermeer de Chinese Volksrepubliek en Noord-Korea en trachtte het land aan Azië te ontsluiten door de controle over Afghanistan en strategische zeehavens aan de Stille Oceaan. Toch bleven de verhoudingen met Azië stroef.(17) Het ideologische en diplomatieke superioriteitsgevoel van het Kremlin viel in Peking niet in goede aarde en sterkte de ongebonden landen in hun ontvoogdingsstrijd. In de wedloop om de wereldmacht betekende West-Europa voor Moskou niet meer dan een machtsbastion van de Verenigde Staten. Zelfs tijdens periodes van ontspanning werd nauwelijks acht geslagen op de stem van de landen aan de andere kant van het Ijzeren Gordijn. Zowel de Aziatische als de Europese buren werden dus met een wantrouwige, bij momenten chauvinistische politiek benaderd.

Pas aan het einde van de Koude Oorlog won Europa aan belang. Tijdens zijn bezoek aan Praag in 1987 sprak Mihail Gorbatsjov over de ‘overweldigende noodzaak van een Europese koers’ in het Russische buitenlandse beleid en beklemtoonde hij de noodzakelijkheid om een ‘gemeenschappelijke Europees huis’ te bouwen. De Russen hunkerden wanhopig naar een nieuw onderdak, want de slottoren van Sovjetunie stond op instorten en de bewoners van de belle étage rolden vechtend over de vloer. Door de economische stagnatie tussen 1981 en 1991 waren de muren verzwakt en de voorraadkamers uitgeput. De poort die al die tijd stevig vergrendeld was, hing nu los in het scharnier. Westerse steun en Europese hulp in het bijzonder waren broodnodig.(18) Het Europacentrisme was wederom het gevolg het mislukken van een Eurazianistisch project en de daarmee gepaard gaande ontwrichting van het autoritaristische bestel. Een groot deel van het politieke establishment klampte het liberalistische reveil aan om zijn centrumpositie alsnog veilig te stellen door te vermijden dat de civiele maatschappij liberalisering zou propageren als een autonoom project en door met economische deregulering de economie te stabiliseren.

De historische precedenten van deze evolutie gaven echter weinig rede tot optimisme. Het doorbreken van de politieke quarantaine bleek telkens de voorbode van een nieuwe periode van conflict en isolatie. Het opvijzelen van de relaties met één West-Europese staat werd door de andere automatisch beschouwd als aan bedreiging aan zijn adres. De Russische interesse voor Noord-, Oost- en zuidelijk Europa kwam bovendien in aanvaring met de aspiraties van andere imperiale machten. De conflicten die daarop volgden, veroorzaakten een politiek terugplooiing en een nieuwe Euraziatische politiek. Dit beleid had in eerste instantie tot doel de coherentie van Rusland te herstellen en de greep van het politieke centrum op de geografische periferie te versterken, of dat nu gebeurde onder de banier van het tsaristische imperialisme of onder het mom van het communistische anti-imperialisme. Eurazianisme diende ook de liberalistische krachten, waaronder de burgerij en intellectuelen, de pas naar het Westen af te snijden en de socio-politieke centrumpositie van het staatsbestel te verstevigen. De militaire dimensie van het Eurazianisme was dan weer gericht op het beveiligen van het Russische hartland door het scheppen van strategische diepte. De ontplooiing naar het oosten had als doel het Rusland ten Westen van de Oeral, het demografische en economische kerngebied, te beveiligen en had niets van doen met een politieke of culturele preferentie vis-à-vis de Aziatische invloedspolen. Integendeel: chauvinisme en wantrouwen waren prominent aanwezig.

3. Het Westen en post-communistisch Rusland: veel condities, weinig engagement

Met het aantreden van Boris Jeltsin was het transitieproces in een stroomversnelling beland. In juni 1991 werd Jeltsin met 57 procent van de stemmen tot president van de Russische Republiek verkozen. De augustuscoup vormde de waterscheidingskam van de regimewissel en betekende de genadeklap voor de conservatieve krachten. Ondanks de grote steunbetuiging van Russische burgers in de straten rondom het parlementsgebouw, bleek de machtsbasis van de nieuwe sterke man echter zeer smal. Buiten de grootsteden Sint-Petersburg, Jekaterinburg en Novogorod kende het reformistische tij nauwelijks bijval. De oproep van Jeltsin om de conservatieve staatsgreep te contesteren met een nationale staking liep uit op een sisser.(19) De torenhoge werkloosheid, de stijgende inflatie en de instorting van de industriële productie tastten de legitimiteit van de nieuwe bewindsploeg ernstig aan. De zware saneringsoperatie die volgens Jeltsin het economische klimaat binnen één jaar moest herstellen, ontaardde enkel in meer onzekerheid en een nietsontziende corruptie. De president probeerde de situatie meester te blijven door parallel aan het parlementaire systeem een zeer slagkrachtige uitvoerende macht op te bouwen. Hierbij werden grote delen van het Sovjetbestuur geïncorporeerd als ‘stabiliserende kracht’.(20) Op enkele wissels aan de top na, bleven de kaders van het leger, de KGB en de bureaucratie op post. Jeltsin’s kabinet bestond uitsluitend uit getrouwen, maar werd op zijn beurt voorzien van een tegengewicht: de Nationale Veiligheidsraad. Deze raad was in feite een informeel spiegelkabinet die elke beslissing van de reguliere ministeries moest aftoetsen en voorkomen dat Jeltsin’s persoonlijke macht werd ondergraven.(21) In maart 1992 kondigde Boris Jeltsin aan ‘speciale bevoegdheden’ te zullen aanwenden om het hervormingsprogramma door te drukken. Daarmee doelde hij vooral op de obstinate houding van het Congres van Volksvertegenwoordigers.(22) Anderhalf jaar later voegde hij de daad bij het woord en stuurde, geheel tegen zijn grondwettelijke bevoegdheid in, het Congres de laan uit. Ironisch genoeg beval Jeltsin vanuit het Kremlin om het Witte Huis te omsingelen en de volksvertegenwoordigers desnoods met geweld buiten te zetten. Twee jaar eerder, tijdens de Augustuscoup, was de situatie bijna geheel het omgekeerde. De bloedige slag om het parlementsgebouw betekende het voorlopige hoogtepunt van de machtsstrijd en het dieptepunt in de uitvoering van de politieke liberalisering. Steeds meer bleek Jeltsin uit op een presidentialisering van de prille democratie.(23)

Deze verenging van de Russische politiek had belangrijke gevolgen voor de buitenlandstrategie. Aanvankelijk was Jeltsin ervan overtuigd dat het voorbestaan van het land en zijn eigen lot afhing van de politieke en economische steun uit het Westen en daarvoor wilde hij zich opstellen als een onmisbare partner. Rusland moest zijn imago van onbetrouwbare dwarsligger afschudden en toenadering zoeken tot Washington en de Europese hoofdsteden. Dit partnerschap was in eerste instantie een partnerschap met de bedelstaf. Bovendien rekende Jeltsin op het Westen als externe bron van legitimiteit. De voortdurende contacten op hoog niveau bevestigden de positie van de president en moesten aantonen dat Rusland nog steeds meespeelde met de grote jongens. Vanuit het perspectief van het presidentialisme was Jeltsin de buitenlandse politiek en die buitenlandse politiek moest in eerste instantie zijn aanzien versterken.

Op deze wijze manoeuvreerde hij zich echter tussen hamer en aambeeld. In Rusland zelf namen de verwachtingen ten aanzien van het diplomatieke optreden een hoge vlucht. Enerzijds klonk de roep om een assertieve opstelling steeds luider. Deze verzuchtingen werden versterkt toen nationalisten een eclatante overwinning behaalden tijdens de stembusslag voor de Doema van 1993. Figuren zoals de extreemnationalistische Vladimir Zhirinovsky en de leider van de communisten Gennady Zyuganov eisten een krachtdadig buitenlands beleid en verweten Jeltsin een te meegaande opstelling ten aanzien van het Westen. Anderzijds hadden de economische hervormingen een invloedrijke belangengroep van industriëlen en magnaten tot stand gebracht die de Russische regering onder druk zette om de banden met het Westen te versterken en meer leningen uit de brand te slepen als financiële injectie voor hun commerciële imperia. De buitenlandse context liet het Jeltsin echter niet toe om tegemoet te komen aan deze hooggespannen verzuchtingen. Integendeel: het Westen liet geen spaander heel van zijn pogingen om de buitenlandse politiek aan te wenden voor binnenlandse doelstellingen. De profilering als grootmacht botste op de uitbreidingsplannen van de NAVO, werd genegeerd in de aanloop naar de interventie op de Balkan en zwaar onder vuur genomen na de Russische inval in Tsjetsjenië. Ook de gesprekken met de Europese Unie verliepen moeizaam. De Unie had de Russen honderden bladzijden voorwaarden opgelegd alvorens er sprake kon zijn van een partnerschap. De Russen konden de condities die waren verbonden aan het Partnerschaps- en Samenwerkingsakkoord (PCA) zeer moeilijk verteren.(24) Het duurde dan ook drie jaar alvorens het verdrag door Moskou geratificeerd werd. Ondanks de institutionalisering van politiek en diplomatiek overleg en een zeer technisch samenwerkingsprogramma, bleek er binnen de EU echter niet de minste consensus te bestaan over welke plaats Rusland moest toebedeeld krijgen en hoever het partnerschap moest gaan.(25) Duitsland legde de nadruk op intensere economische samenwerking en de liberalisering van de handel met Rusland, maar was terughoudend op het politieke terrein. Die politieke samenwerking in internationale en Navo-gerelateerde kwesties was dan weer wel een cruciale doelstelling van het Elysée. Met het Groot-Brittannië bleven de betrekkingen zeer afstandelijk. Tijdens de EU-onderhandelingen met Moskou ging de Britse eerste minister John Major het verst in de politieke en economische eisen. De toetreding van

Finland en Zweden tot de Unie versterkte dit scepticisme. Niet alleen de twijfel en de onenigheid over de positie van Rusland wekten in Moskou frustratie op. De beslissing tijdens de Eurotop in Amsterdam om de EU oostwaarts uit te breiden en Rusland aan het lijntje te houden werd door de meeste Russen beschouwd als discriminatoir. De nationalisten op hun beurt vergeleken de Europese ostpolitik met een nieuwe omcirkeling. Ook de industriebaronnen voelden zich niet gerust met de Europese eis om de economie transparanter te maken en de markt te openen voor buitenlandse concurrentie. Het gebrek aan een evenwichtige en een duidelijke Westerse en vooral Europese positiebepaling ten aanzien van Rusland, ondermijnden de pogingen van Jeltsin om externe legitimiteit te putten uit de westwaartse toenadering.

Waar de Europese agenda het pro-Westerse enthousiasme bij de economische elite al aanzienlijk had getemperd, kreeg deze groep een nieuwe opdoffer tijdens de financiële crisis.(26) De Russische regering verwachtte dat de bisnismeni met geld over de brug zouden komen om de schatkist te vullen. Deze vraag botste echter op een manifest njet, met als gevolg dat de liberale hervormingsgezinde premiers Kiriyenko en Chernomyrdin aan de kant werd geschoven, en met hem ook de zakenelite. De malaise versterkte vooral de positie van de anti-Westerse stemmen. Met de aanstelling van Yevgeni Primakov als buitenlandminister (1996) en premier (1998) trad het Eurazianisme opnieuw op het voorplan. Primakov stond voor een nationalistische buitenlandse politiek en suggereerde de Russische positie tegenover het Westen te versterken door middel van een alliantie met China en India.(27) Deze strategische driehoek moest een politieke en militaire pijler vormen van een nieuwe multipolaire wereldorde. Daarnaast zou het bondgenootschap met principes zoals ‘soevereiniteit’ en het ‘primaat van de staat’ ook een tegengewicht vormen voor de Westerse liberalistische waarden. Ook vanuit de machtige communistische partij werden soortgelijke geluiden geventileerd. Gennadii Zyuganov, maande Rusland aan als een Euraziatische macht naar het oosten te blikken om het westen te counteren. Jeltsin zelf verklaarde: ‘De toekomst van Rusland hangt af van de samenwerking met China. Goede relaties met China zijn van Cruciaal belang als wij willen doorwegen op de internationale agenda. Schouder aan schouder kan het Westen ons niet zomaar passeren.’(28) In 1997 en 1999 reisde Jeltsin af naar Peking. De gezamenlijke verklaring van 1999 laat niets aan de verbeelding over: ‘Men dwingt ons een unipolaire wereldorde te aanvaarden, een eenvormige cultuur, waarden, ideologie… Tegelijkertijd ondermijnt men de Verenigde Naties, streeft men naar een herwaardering van de militaire blokken. In plaats van het internationale recht te respecteren

grijpt men terug naar de wet van de sterkste en bedreigt men de soevereiniteit van de staten.’ De Navo-interventie in Kosovo in 1999 wierp olie op het vuur. Yuri Luzhkov, burgemeester van Moskou, maakte gewag van een ‘Navo-genocide’ en het uitmoorden van de Servisch-Slavische bevolking. De stroeve opstelling van het Internationaal Muntfonds (IMF) werd beschouwd als een Westerse poging om Rusland economisch in de vernieling te helpen. Op het moment dat Jeltsin naar de achtergrond trad, was de Russische politiek er opnieuw een van extremen. De machtsbasis van het Kremlin was aanzienlijk geslonken en de politieke ruimte werd ingepalmd door een bont conglomeraat van communisten, xenofobe nationalisten en hervormingsgezinde oligarchen. Wat restte was de presidentiële entourage, maar deze had nog enkele troeven in handen. Ten eerste was Jeltsin in staat om zijn dauphin Vladimir Putin tot de bevoorrechte positie van premier te promoveren. Ten tweede had het Kremlin de controle over de Russische media grotendeels in handen.(29) Ten derde bleef een aantal oligarchen zijn belangen verenigen met het lot van de president waardoor er enorme bedragen beschikbaar waren voor campagnes. Een vierde betrof het leger. Het harde militaire optreden tijdens de tweede Tsjetsjeense oorlog versterkte zondermeer de positie van de kersverse eerste minister. De Tsjetsjenen waren tegen Rusland en Putin vereenzelvigde zich bijna geheel met de oorlog tegen de Tsjetsjenen. Dankzij de staatsgebonden televisiekanalen werd het conflict in Rusland’s periferie hét nationale bindmiddel bij uitstek.(30) De overwinning in de Kaukasusstaat zou het begin worden van een Russische wedergeboorte, zo klonk het.(31) Tot slot oefende de omgeving van Jeltsin nog steeds een grote invloed uit op de gouverneurs die op hun beurt een belangrijke rol spelen in het mobiliseren van kiezers.

4. Imperium Revivendum: Putin en het reveil van ‘derzhavnost’

De zege van Putin tijdens de stembusslag van 2000 betrof slechts een tijdelijke overwinning van het presidentialisme. Het was een momentopname van een samenleving met een bijna paranoïde blik gericht op de Kaukasus en betekende allerminst het einde van de structurele problemen. Tussen 1997 en 2001 was het werkloosheidscijfer gestegen van 10.3 naar 18.1 procent. De binnenlandse economie lag aan een financieel infuus dat werd gevoed door leningen van de Club van Parijs. De totale overheidsschulden liepen in 1999 op tot 96 procent van het bruto nationaal product (bnp). De externe druk om te hervormen nam dus verder toe, maar de hervormingsmoeheid bij de bevolking bleek nog nooit zo groot.(32) Tal van opiniepeilingen wezen uit dat de meerderheid van de Russen opnieuw verlangde naar de schamele zekerheid van het Sovjettijdperk.(33) Richard Rose en Neil Munro vatten deze situatie als volgt samen: ‘De Russen doelen niet langer op het liberale utopianisme. De moeizame reis van het socialisme bracht enorme kosten met zich mee, maar het einddoel bleek steeds verder weg.’(34)

Voor Putin bestond de belangrijkste doelstelling erin het presidentialisme heruit te vinden. De publieke goedkeuring aan de Tsjetsjeense oorlog en het militarisme als substraat van electoraal succes had een zeer beperkte houdbaarheidsdatum. Evenmin geschikt was het antiwesterse nationalisme dat de laatste jaren van Jeltsin’s bewind opnieuw ingang vond. Na de economische crisis was de Russische economie meer dan ooit afhankelijk van buitenlandse financiers. De interventie in Kosovo had bovendien een einde gemaakt aan de droom van een multipolaire wereld. De belangrijke beslissingen werden nog steeds bedisseld tussen Washington en de Navo-leden. Rusland stond daarbij geheel aan de zijlijn. Putin’s reactie hierop kan men typeren als constructief nationalisme waarbij economische groei centraal staat.(35) Op het binnenlandse niveau impliceerde dit model enerzijds het opdrijven van deregulering en het aantrekken van investeerders.(36) Onder leiding van de hervormingsgezinde eerste minister Mikhail Kasyanov werden in snel tempo structurele aanpassingen doorgevoerd.(37) Hierbij werd de bevolking duidelijk gemaakt dat dergelijke ingrepen noodzakelijk waren om de grootsheid van het land te herstellen. ‘Rusland heeft nood aan meer ambitieuze streefdoelen en hogere groeicijfers. Ons

economisch beleid en het dagdagelijkse bestuur van de overheid moeten pragmatisch zijn zodat Rusland een solide speer blijft in de internationale gemeenschap en tegelijkertijd een sterke concurrent. Onze economie moet aan een veel sneller tempo groeien, anders zullen we steeds achterop hinken en blijven onze belangen in economisch en internationale kwesties gediscrimineerd worden.’(38)

Naar het buitenland toe gold een pragmatische en constructieve opstelling: het realiseren van een stabiele omgeving stond hierbij centraal. Het Westen maakte het voorwerp uit van een nieuw charmeoffensief. Het Diplomatieke Concept van 2000 benadrukte multilateralisme als de kern van het Russische buitenlandse beleid.(39) In 2000 stelde Putin: ‘Rusland is uiteraard een uiterst divers land, maar wij maken deel uit van de Westerse cultuur… Waar onze mensen ook wonen, in het Verre Oosten of in het Zuiden, wij zijn Europeanen.’(40) Tijdens zijn toespraak voor de Duitse Bundestag in 2002 oreerde hij dat de EU niet zonder Russische partner kon. De Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme bood Moskou de kans om het separatisme in de Kaukasus te vereenzelvigen met de islamterreur tegen de Verenigde Staten en daardoor de banden met Washington aan te halen. Putin besliste bijvoorbeeld om het Russische luchtruim open te stellen voor Navo-vluchten, inlichtingen te delen en geen probleem te maken van een Amerikaanse troepenontplooiing in Centraal Azië. Deze koers was voor de president geen kwestie van keuze, maar van noodzaak. De heroriëntering naar het Westen resulteerde echter in een oncomfortabele afhankelijkheid waarbij het nieuwe nationalisme zowel in het binnenland als in het buitenland onder vuur werd genomen. De financiële crisis had de groep oligarchen sterk

uitgedund, maar enkelen van hen hadden de kans schoon gezien om hun deel van de economische koek te vergroten en daardoor ook hun politieke invloed te versterken.(41)

Extreemrechtse zweeppartijen namen Putin voortdurend op de korrel en maakten brandhout van zijn gematigde discours. Veel voorwaarden, maar weinig engagement: dit typeerde de houding van het Westen. Ondanks de goede verstandhouding met leiders zoals de Franse president Jacques Chirac en de Duitse kanselier Gerhard Schroeder, bleven de Europese Unie en de Verenigde Staten Moskou op de vingers tikken voor een gebrek aan democratische en economische openheid.(42) Het Amerikaanse Congres verbond duidelijke eisen aan de Amerikaanse schuldenverlichting voor Rusland. Na 2000 spitste het Europese TACISprogramma

zich nadrukkelijk toe op democratische hervormingen en behoorlijk bestuur.(43) Diezelfde eisen lagen op tafel tijdens de onderhandelingen over de Vier Gemeenschappelijke Ruimten, de pijlers waarop de toekomstige samenwerking tussen de EU en Rusland zou worden ontwikkeld.(44) De democratische revoluties in Georgië (2003), Oekraïne (2004) en Kirgizië (2005) waren de druppels die de emmer lieten overlopen. Op economisch vlak was de Westerse hulp net voldoende om een totale instorting van de Russische economie te vermijden. In vergelijking met Polen en Tsjechië trok Rusland amper Westerse investeringen aan. Rondom 1995 lag het volume directe buitenlandse investeringen (FDI) ongeveer gelijk: in 2003 lag dit voor de twee kandidaat-EU-lidstaten ruim twee keer zo hoog.(45) Hoewel Rusland in 2002 het statuut van vrije markt verkreeg, waren de handelsbarrières aanzienlijk. De EU bleef gebruik maken van anti-dumpingprocedures.(46 )De Europese landbouwpolitiek vormde een obstakel voor de uitvoer van Russische landbouwproducten. Zowel de EU als de Verenigde Staten bleven moeilijk doen over de Russische toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie. Putin vergeleek het contrast tussen de intra-Europese openheid en de beslotenheid ten aanzien Rusland met een nieuwe Berlijnse Muur.(47) Op het Westen moest het Kremlin dus niet rekenen om het constructieve nationalisme te ondersteunen. De slabbakkende industrie-, landbouw- en dienstensector bleven grotendeels buiten het vizier van Europese investeerders. Russische producten vonden amper hun weg naar de Europese consumenten. Aardolie en aardgas vormden hierop de uitzondering. Tussen 2000 en 2005 steeg de uitvoer van Russisch gas naar de EU met 30 procent.(48)

De combinatie van stijgende internationale energieprijzen en de grote importafhankelijkheid van de Europese Unie, stelden Moskou in staat om het Westen opnieuw met meer assertiviteit tegemoet te treden. Een verschuiving van constructief nationalisme naar olienationalisme is echter niet de enige verklaring voor de toenemende zelfzekerheid van Rusland. Zondermeer dient deze evolutie gecontextualiseerd te worden in het ontstaan van een multipolaire wereldorde.(49)

De groei van Oost Azië als industriële pool droeg in belangrijke mate bij tot de economische emancipatie. Vooral de Chinese honger naar energie wekte bij het Kremlin de interesse voor een nieuw petronationalisme op.(50) In welke mate precies de economische groei van de volksrepubliek heeft bijgedragen tot de internationale energieprijzen staat ter discussie; zeker is dat het land de koersen opwaarts heeft gestuwd. Tussen 2001 en 2005 verdrievoudigden de prijzen van aardgas en -olie. Voor 2006 worden de exportinkomsten uit energie op 180 miljard dollar geraamd. Rondom 65 procent daarvan belandt in de schatkist. Dankzij deze extra inkomsten werden de schulden aan het Westen in een recordtempo terugbetaald en speelden de leden van de Club van Parijs een cruciale hefboom kwijt. De vroegtijdige vereffening moet Rusland’s internationale autoriteit teruggeven, stelde de Russische minister van financiën.(51) Thans is de EU verruit Rusland’s belangrijkste afzetmarkt. Gezien zeventig procent van deze handelsstromen grondstoffen betreft, zal de Europese economische invloed ongetwijfeld verder afnemen ten voordele van de hongerige Aziatische markten. Europese en Oost-Aziatische klanten kunnen daarbij tegen elkaar uitgespeeld worden om zo groot mogelijke opbrengsten te garanderen. Dat gebeurt nu reeds volop in het olie- en gasproject op en rondom de Sakhalin-eilanden. De nieuwe pijpleidingen naar China en Japan zullen deze evolutie bespoedigen. ‘Het economische gewicht verschuift van de Atlantische Oceaan naar de Pacific,’ concludeerde Vladimir Putin en hij gaf aan dat Rusland zijn energie-export naar Azië zal opvoeren van 3 naar 30 procent.(52) Door het economische wasdom van Azië is Rusland geëvolueerd van een marginale Europese zakenpartner naar een centrale actor die volop zijn geografische en geologische troeven wil valideren.(53)

Waar Moskou voor de Westerse camera’s lippendienst blijft bewijzen aan democratie en liberalisering, klinkt elders een geheel ander discours. Steeds meer duikt ‘de Sjanghai Gedachte’ op in de politieke retoriek van het Kremlin.(54) Deze idee verwijst naar de beginselen van de Shanghai Cooperation Organisation (SCO), een partnerschap tussen Rusland, China en vier Centraal-Aziatische landen.(55) Voorop in dit partnerschap staan waarden zoals soevereiniteit en politiek particularisme. In de praktijk gaat het SCO-pact uit van de primaat van de staat: het is de staat die centraal staat in de ontwikkelingsagenda, als middel én als doel. Dat geldt voor de economische planning waar de overheid een centrale positie dient te behouden. Dat geldt voor de territoriale consistentie waarbij separatisme en devolutie uit den boze zijn. Putin zou naar verluidt ook zijn interesse hebben geuit voor het Chinese ontwikkelingsmodel. Men kan zich terecht vragen stellen bij de bewering dat het hier gaat om typische Aziatische waarden; duidelijk is dat Rusland meer heil ziet in het geleide gradualisme van de Aziatische staten dan in het Westerse liberalisme.

Ook op diplomatiek vlak schuift Rusland op naar het Oosten. Vooral tijdens ontmoetingen met pretendenten zoals China, India en Iran heeft de Russische regering gewag gemaakt van het ontstaan van een nieuwe multipolaire orde waarin landen zich onafhankelijker van het Westen kunnen opstellen. In 2005 vond er te Vladivostok een eerste ontmoeting plaats tussen de Chinese, Indiase en Russische ministers van buitenlandse zaken. Naast de bilaterale banden met Aziatische landen heeft Moskou zich in toenemende mate geëngageerd voor Aziatische multilaterale fora. Dat geldt in eerste instantie voor de SCO, hoewel Rusland zijn aanwezigheid in Centraal Azië ook wil versterken via het opgewaardeerde Collective Security Treaty Organisation (CSTO). In 2005 belegde Putin zijn eerste topontmoeting met de Associatie voor Zuidoost Aziatische Naties (ASEAN) en ondertekende met de leden een overeenkomst voor economische samenwerking. Dat jaar uitte de Russische president bovendien zijn interesse voor de Oost-Aziatische Gemeenschap, een initiatief waarvan China het voortouw neemt. Binnen het economische samenwerkingverband van landen rondom de Pacific (APEC) heeft Rusland zijn eerder passieve houding ingeruild voor een actieve opstelling en een sterk pleidooi voor de verdieping van de samenwerking op vlak van energie en transport in het Verre Oosten. De ontwikkeling van een Aziatische invloedspool heeft Rusland in staat gesteld een einde te maken aan het dwangmatige Europacentrisme. Om het met de woorden van Vladimir Putin uit te drukken: ‘Rusland heeft zich steeds beschouwd als een Euraziatisch land. We zijn nooit vergeten dat een groot deel van ons land in Azië ligt. Maar eerlijk gezegd, hebben we niet altijd gebruik gemaakt van dit voordeel.’(56) Dat laatste gebeurt nu dus wel degelijk. Zowel op economisch en diplomatiek vlak als op het gebied van politieke normen en waarden weet Moskou aan autonomie en slagkracht te winnen door zijn geografische centrumpositie uit te spelen. Deze herwonnen autonomie uit zich allereerst in een openlijke restauratie van het centralisme: ‘verticale macht’ zoals Putin dat noemt.(57) Moskou heeft de Westerse vraag naar democratisering ostentatief naast zich neergelegd. In 2004 lanceerde het Kremlin een aanval op de bevoegdheden van lokale overheden.(58) Toen werd immers beslist dat gouverneurs niet langer worden aangesteld na verkiezingen, maar direct worden benoemd door de president. Naast de provincies werden bovendien zeven federale districten opgericht waarvan vijf van de zeven vertegenwoordigers carrière hadden gemaakt in de Russische inlichtingendienst.(59) De gouverneurs zouden op hun beurt automatisch de functie bekleden van burgemeester van de provinciale hoofdsteden, althans dat is wat een recent wetsvoorstel beoogt.(60) Daarnaast verwordt de wetgevende macht steeds meer tot een verlengstuk van de uitvoerende macht. Sinds de parlementsverkiezingen van 2003 heeft Verenigd Rusland, de partij van de president, de absolute meerderheid in de Duma. De belangrijkste oppositiepartij, die van de communisten, verloor zestig procent van haar electoraat.(61) Bovendien keurde Putin in 2005 een wet goed waarmee onafhankelijke parlementsleden uit het lagerhuis worden gebannen. Door de nieuwe benoemingspolitiek van de gouverneurs, heeft het Kremlin ook zijn invloed in het hogerhuis verstrekt. Deze laatsten zijn immers bevoegd om de helft van de vertegenwoordigers in het hogerhuis aan te duiden. In 2004

verkreeg de president de unieke bevoegdheid om de auditkamers van het parlement samen te stellen. Naast de vervaging van de scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht en tussen lokale en nationale overheid, doet Putin ook een graai naar de bevoegdheden van de rechterlijke macht. In 2004 joeg Verenigd Rusland een wet door de Doema die het Juridische Kwalificatie College zijn autonomie ontnam in het sanctioneren of ontslaan van rechters.(62) Buiten de centralisatieoperatie binnen de overheid, werden de inspanningen opgevoerd om ook de economische en maatschappelijke belangengroepen te verankeren aan het Kremlin. De wet op de niet-gouvernementele organisaties van 2005 legde verenigingen een registratieplicht op en reduceerde hun financiële autonomie. Parallel aan de verzwakkende onafhankelijke organisaties voorziet de regering echter een aantal nieuwe overheidsgebonden alternatieven: inclusief vakbonden, mensenrechtenorganisaties en een nationalistische jongerenvereniging. Initiatieven zoals het Burgerforum en de Openbare Kamer moeten de totstandkoming van een autonome civiele maatschappij voorkomen.(63) Anderzijds was er sprake van economische centralisatie.(64) De arrestatie van energiemagnaat Mikhail Khodorkovsky in 2004 en de aanval van het Kremlin op de imperia van Vladimir Gusinsky en Boris Berezovsky waren slechts een tijdelijk hoogtepunt van de economische nationalisatie. Naast de energiesector vergrootte de regering zijn greep op het bankwezen en verschillende industrietakken.(65) Het oligarchische autoritarisme werd daarmee vervangen door bureaucratisch en staatsgeleid autoritarisme.(66) De sluiting van het laatste vrije televisiekanaal NTV in 2004 voltooide dan weer de poging om de persvrijheid aan banden te leggen.

Inmiddels neemt het nationalisme uitbreiding. De toekomst van de Rusland wordt opnieuw verbonden met het tot stand brengen van een Russisch staat met imperialistische karakteristieken. ‘Derzhavnost’, ofwel de status van een supermacht, is prominent aanwezig in de politieke retoriek van het Kremlin en dus ook in de Russische media. Derzhavnost impliceert herstel, uitbreiding van de Russische invloedsfeer en een assertieve houding tegen andere grootmachten. Economisch herstel en het afremmen van de demografische inkrimping blijven hierbij de belangrijkste precondities. Deze heropleving dient zich op zijn beurt echter te uiten in meer invloed in de Russische periferie én daarbuiten. In symbolisch belangrijke regio’s zoals de Kaukasus, Wit Rusland en de Balkan wordt de diplomatieke inzet verhoogd en doelt men onomwonden op reïntegratie.(67) De stellingname van Moskou in de onderhandelingen over de status van Kosovo en tijdens de gesprekken over Georgië was onwrikbaar. Russische kranten en televisiezenders rapporteerden hierbij hoe het de president menens was de nationale belangen door te drukken. Maar ook in het Russische Verre Oosten worden heikele meer op de spits gedreven. Zo werd het conflict over de Koerillen, de eilandengroep die zowel Rusland als Japan tot hun territorium rekenen, opnieuw opgerakeld door de Doema. In 2006 beklemtoonde het Comité voor Internationale Betrekkingen dat de ontwikkeling van de Koerillen een ‘uitsluitend binnenlandse aangelegenheid’ betrof. Een maand later werd de Doema daarin bijgetreden door Poetin.

Eerder al had de presidentiële gezant voor het Russische Verre Oosten verklaard dat de eilandengroep een strategische defensieperimeter vormt.(68) Een voorlopige climax kwam er in augustus 2006 toen Russische grenstroepen een Japans visserschip praaiden en daarbij één Japanner werd doodgeschoten. Ook aan het adres van Peking heeft Moskou harde taal gesproken. Tijdens zijn bezoek aan China in 2006, eiste Poetin dat er een einde werd gemaakt aan de grensoverschrijdende smokkel en de illegale migratie van Chinezen naar de ontvolkte oostelijke provincies. Het diensthoofd van de Russische migratie sprak terzake over en ‘tikkende tijdbom’.(69) Hoewel de toenadering tot Azië aan de basis ligt van Rusland’s herwonnen zelfvertrouwen zijn de verhoudingen met de partners in het oosten koel en pragmatisch.(70) Rusland heeft zich dus van het Westen afgekeerd zonder het Oosten te omarmen.(71) Dat is meteen ook de essentie van het nieuwe Eurazianisme.(72) Er is niet langer sprake van Eurocentrisme, noch van Aziëcentrisme, maar van een realistische machtspolitiek die beide centra tegen elkaar uitspeelt en hierbij autonomie en Derzhavnost als leidraad respecteert.

5. Conclusie

Het Eurasianisme heeft opnieuw de bovenhand bij de beleidsmakers in Moskou. Het begrip als dusdanig wordt door de directe entourage van president Poetin dan wel geschuwd; het is zonneklaar dat alle bestanddelen van een Eurazianistische politiek aanwezig zijn. Eurazianisme betreft vooral een poging om aan staatsopbouw te doen. Net zoals alle andere vormen van nationalisme berust de constructie ervan op een synthese tussen de menselijke verbeelding en een aantal contextuele factoren. Het belang van Eurazianisme wordt bepaald door de wijze waarop de politieke elite zijn greep op het onmetelijke Russische grondgebied wenst te behouden of te versterken. Geopolitiek is doorslaggevend, maar net zozeer de positionering van West Europa. Onomstotelijk is Rusland in eerste instantie op het Westen gericht: dat geldt voor de economische oriëntatie, de historische banden en dat blijkt ook uit de demografische concentratie van de Russische bevolking. Ruim driekwart van de Russen leeft in het Europese deel van hun land. Telkens Moskou toenadering zoekt, weten de hoofdrolspelers ten westen van de Oder echter niet welke plaats zij aan Rusland moeten geven en hoever de interactie zou moeten gaan. Meestal gaat het om een verzwakte staat die zich aanbiedt, of een uitgemergeld imperium. De typische Europese reactie daarop bevindt zich tussen meewarigheid en misprijzen. Ook president Poetin werd op deze wijze aangepakt, hoewel het misprijzen in dit geval zorgvuldig verpakt werd in de eindeloze gedetailleerde clausules en desiderata van Eu-onderhandelaars en andere vertegenwoordigers. Dat Moskou nu opnieuw terugplooit en zijn toevlucht zoekt tot Eurazianistische realpolitik geeft dus net zoveel te kennen over de probleemstaat in kwestie als over het West-Europese gebrek aan een coherente strategische visie.

(Uitpers, nr 86, 8ste jg., mei 2007)

Noten

* Dit artikel is een VUB Azië Paper. Deze Papers zijn een uitgave van het Brussels Institute of ContemporaryChina Studies (BICCS), het China-instituut van de Vrije Universiteit Brussel. Meer info en eerder verschenen papers: Url: www.vub.ac.be/biccs E-mail: biccs@vub.ac.be

** Mijn dank gaat in het bijzonder uit naar Patrick Nopens, militair attaché te Moskou. Ik wens tevens professor Kris Deschouwer, Vrije Universiteit Brussel, te bedanken voor zijn suggesties aangaande de transformatiedynamieken van politieke regimes. Een bijgewerkte versie van deze paper verschijnt in Vrede en Veiligheid.

*** Jonathan Holslag verricht onderzoek naar strategische kwesties in Azië. Hij is verbonden aan het Brussels Institute for Contemporary China Studies (BICCS) van de Vrije Universiteit Brussel. 1 Voor het concept ‘geopolitieke code’ verwijs ik naar: Taylor, P.T. en Colin, F. (2000), Political Geography, Essex: Pearson Education, pp. 91-104. De auteurs geven de volgende verklaring: ‘the set of strategic assumptions that a government makes about other states in forming its foreign policy. Such codes involve evaluation of places beyond the state’s boundaries in terms of their strategic importance and as potential threats.’

2 Voor de historische achtergrond van het Eurazianisme, zie: Mazurek, S. (2004), Russian Eurasianism: Historiosophy and Ideology, Studies in East European Thought, 54, pp. 105-123. Rangsimaporn, P. (2006), Interpretations of Eurasianism: Justifying Russia’s role in East Asia, Europe-Asia Studies, 58, pp. 371-389. Kerr D., (1995), The New Eurasianism: The Rise of Geopolitics in Russia’s Foreign Policy, Europe-Asia Studies, 47, pp. 977-988.

3 Zie: Gottman, J. (1952), ‘The Political Partitioning of our World: An Attempt at Analysis, World Politics, 4, pp. 512-519. Hartshorne, R. (1954), The Functional Approach in Political Geography, Annals, Association of American Geographers, 40, pp. 95-130.

4 MacMaster, R.E. (1967), Danilevsky: A Russian Totalitarian Philosopher, Cambridge MA: Harvard University Press.

5 Voor dit historische overzicht verzamelde ik feitenmateraiaal uit: Service, Robert (2005), A History of Modern Russia: From Nicholas II to Vladimir Putin, Harvard: Harvard University Press; Brown, Archie (1982), The Cambridge Encyclopaedia of Russia and the Soviet Union, Cambridge: Cambridge University Press; Wittram, Reinard (1973), Russia and Europe, London: Thames & Hudson.

6 Pipes, Richard (1991), The Russian Revolution, Londen: Vintage Books, pp. 195-233.

7 Savitsky, P.N. (1997), Kontinent Evraziia, Moskou: Agrav, pp. 30-89. Zie ook: Glebov, S. (2005), A Life with Imperial Dreams: Petr Nikolaevich Savitsky, Eurasianism, and the Invention of “Structuralist” Geography, Ab Imperio, 3, pp. 385-401.

8 Davies, R.W., Harrison, M. en Wheatcroft S. (1993), The Economic Transformation of the Soviet Union, 1913–1945, Cambridge: Cambridge University Press, p. 131.

9 Lenin, V.I. (1920), Interview with Lincoln Eyre, Collected Works of Lenin, Moskou: Foreign Language Press, vol. VII.

10 Pethybridge, Roger (2005), One Step Backwards: Two Steps Forwards: Soviet Society and Economics During the new Economic Policy, Oxford: Oxford University Press, pp. 32-33.

11 Stalin, J.V. (1930), Political report of the C.C. to the 16th Congress, Stalin Reference Archive, zie: www.marxists.org/reference/archive/stalin/index.htm.

12 Davies, R.W., Harrison, M. en Wheatcroft S. (1993), op. cit., p. 259.

13 Montefiore, Simon (2004), Stalin: The Court of the Red Tsar, New York: Knopf, pp. 64-65. Service, Robert (2005), Stalin, Harvard: Harvard University Press, pp. 183-201.

14 Zie: Hughes, James (1991), Stalin, Siberia and the Crisis of the New Economic Policy, Cambridge: Cambridge University Press.

15 Service, Robert (2005), opcit., p. 391.

16 Smith, Graham (1999), The Masks of Proteus: Russia, Geopolitical Shift and the New Eurasianism, Transactions of the Institute of British Geographers, 24, p. 492; Tsygankov, Andrei (1998), Hard-line Eurasianism and Russia’s contending geopolitical perspectives, East European Quarterly, 32, p. 323.

17 Deutsher, Isaac en Halliday, Fred (1970), Russia, China and the West, London: Oxford University Press.

18 Fosberg, T. (1999), Power, interests and trust: explaining Gorbachev’s choices at the end of the Cold War, Review of International Studies, 25, pp. 603–621; Newham R.E. (2000), More Flies with Honey: Positive Economic Linkage in German Ostpolitik from Bismarck to Kohl, International Studies Quarterly, 44, pp. 73-91.

19 Dunlop, J. (1993), The Rise of Russia and the Fall of the Soviet Empire, Princeton: Princeton University Press, pp. 236-237.

20 Gill, Graeme en Markwick, Roger (2000), Russia’s Stilborn Democracy: From Gorbachev to Yeltsin, Oxford: Oxford University Press; p. 190.

21 McFaul, M. (2001), Russia’s Unfinished Revolution, Ithaca en Londen: Cornell University Press, p. 149.

22 Aslund, A. (1995), How Russia Became a Market Economy, Washington: Brookings Institution. Aslund A. (2002), Building Capitalism: the transformation of the former Soviet bloc, New York: Cambridge University Press.

23 Voor de term ‘presidentialisering’ verwijs ik naar Lijkhart, Arend (1999), Patterns of Democracy: Govenrnment Forms and Performance in Thirty-Six Countries, New Haven en Londen: Yale University Press, pp. 117-129. De toepassing hiervan op het bewind van Boris Jeltsin wordt op een heldere wijze geanaliseerd in Troxel, T.A. (2004), Parliamentary Power in Russia, 1994-2001: President vs. Parliament, Basingstoke: Palgrave.

24 Lynch, Dov, (2005), From Frontier Politics to Border Policies between the EU and Russia, in Antonenko, Oksana en Pinnick, Kathryn red. (2005), Russia and the European Union, Londen en New York: Routledge, pp. 18-21.

25 Felkay, Andrew (2002), Yeltsin’s Russia and The West, London: Praeger Publishers, pp. 85-99, 107-123.

26 Mc Faul, M. (2000), Russia’s Many Foreign Policies, Demokratizatia, 7, p. 198.

27 Primakov, A. (1998), Kontseptsiya Natsional’noi Bezopasnosti Rossiyskoy Federatsii, Diplomaticheskiy Vestnik, 2, pp. 3-18.

28 Geciteerd uit: Geeraerts, Gustaaf en Holslag, Jonathan (2006), Macht of Mythe? Achter de schermen van het Chinese groeimirakel, Brussel: VUBPress, p. 127.

29 White, S., Oates S. en MacAllister I. (2005), Media Effects and Russian Elections, British Journal of Political Science, 35, pp. 191–208.

30 Petrov, N. (2000), The Year 2000 Presidential Elections: The End of Public Politcs, Moskou: Moscow Carnegie Center, p. 2.

31 Lynch, D. (2003), Russia Faces Europe, Parijs: ISS, p. 128.

32 Tompson, William (2002), Putin’s Challenge; The Politics of Structural Reform in Russia, Europe-Asia Studies, 6, pp. 933-958.

33 Avrayamova, E. (1990), Vliyanie sotxial’no-ekonomicheskikh factorov na formirovanie politicheskogo soznanya, in McFaul, M. en Ryabov, A. Rossiikoe obshechestov, Moskou: Moscow Carnegie Center, p. 13.

34 Rose, R. en Neil, M. (2002), Elections without Order: Russia’s Challenge to Vladimir Putin, Cambridge: Cambridge University Press, p. 214.

35 Voor ‘constructief nationalisme’ verwijs ik naar Chen, Zhimin (2005), Nationalism, Internationalism and Chinese Policy, Journal of Contemporary China, 14. ‘Constructive nationalism regards the economic isolation of the pre reform years at the source of economic deficiency, and wishes to participate in the positive sum game- of international economic interdependence.’ [p. 47] ‘Three key nationalist agendas are adopted: economic progress, sovereignty, and a more prominent international place. Economic development is the precondition to fulfil all other tasks.’ [p. 52]

36 Jack, A. (2006), Inside Putin’s Russia: Can There Be Reform without Democracy? Oxford: Oxford University Press, p. 150.

37 Tompson, W. (2002), Putin’s Challenge; The Politics of Structural Reform in Russia, Europe-AsiaStudies, 54, pp. 933-958.

38 Putin Praises Economic Progress but Demands More, CDI Russia Weekly, 202: www.cdi.org/russia/202-1.cfm

39 Het document kan geraadpleegd worden via: www.fas.org/nuke/russia/doctrine/econcept.htm.

40 Service, R. (2003), Russia’s Experiment with a People, Cambridge: Cambridge University Press, p. 167.

41 Guriev, S. en Rachinsky, A. (2005), The Role of Oligarchs in Russian Capitalism, Journal of Economic Perspectives, 19, pp. 131–150; Wolosky, L.S. (2000), Putin’s Plutocrat Problem, Foreign Affairs, 79, pp.18-31.

42 Johnson, D. and Robinson, P. red. (2005), Perspectives on EU-Russia Relations, Londen: Routledge.

43 Hardt John, P. (2000), Russia’s Paris Club Debt: US Interests, Washington: Congressional Research Service.

44 Emmerson, M. (2005), EU-Russia Four Common Spaces and the Proliferation of the Fuzzy, CEPS Policy Brief, mei 2005.

45 UNCTAD, FDI Statistical Database.

46 Nielsen, J.U. en Rutkowski, A. (2005), The EU Anti-dumping Policy Towards Russia and China: Product Quality and the Choice of an Analogue Country, The World Economy, 28, pp. 103-136.

47 Russia and EU do not want “Schengen wall” to separate Europe, Pravda, 31 mei 2005.

48 Dit geldt voor de EU-15. Hirschhausen, C. von, B. Meinhart and F. Pavel (2005),Transporting

Russian Gas to Western Europe: A Simulation Analysis, The Energy Journal, 26, pp. 49-68.

49 Dit standpunt licht ik toe in: Geeraerts, Gustaaf en Holslag, Jonathan (2006), opcit. en in Holslag, Jonathan (2006), The EU and China: The Great Disillusion, European Foreign Affairs Review, 11, pp. 555-580.

50 Zie: Holslag, Jonathan (2005), China in de Olie, Internationale Spectator, oktober 2005, pp. 512-516. Russische Regering (2003), Russia’s Energy Strategy through 2020, Moskou: Russische Regering.

51 Finn, P. (2006), Oil Profits Help Russia Pay off Soviet-Era Debt, Washington Post, 22 augustus 2006.

52 Saunders, P.J. (2006), Putin advances his world view, Asia Times, 26 september 2006.

53 Tsygankov, Andrei (2005), The Return to Eurasia: Russia’s Identity and Geoeconomic Choices in the Post-Soviet World, in Helleiner, Eric en Pickel, Andreas, Ithaca en Londen: Cornell University Press, pp. 44-69.

54 SCO offers model of successful co-operation: Putin, People’s Daily, 14 juni 2006.

55 China’s President anticipates successful SCO summit, Xinhua, 30 mei 2006.

56 Putin, V. (2000) ‘Rossiya: novye vostochnye perspektivy’, Nezavisimaya Gazeta, 14 november 2000.

57 Fish, S. (2006), Democracy Derailed in Russia: The Failure of Open Politics, New-York, Cambridge University Press; Hale, H.E. (2006), Why Not Parties in Russia? Democracy, Federalism and the State, Cambridge: Cambridge University Press; Stoner-Weiss, Kathryn (2006), When the Wave Hits a Shoal: The Internal and External Dimensions of Russia’s Turn Away from Democracy, Stanford: Stanford University.

58 Konitzer, A. and Wegren, S.K. (2006), Federalism and Political Recentralization in the Russian Federation: United Russia As the Party of Power, in Publius, 36, pp. 503-522.

59 Coulloudon, V. (2000) Vladimir Putin’s Vertical State and the Embryo of a Horizontal Opposition, Regional Analysis, 4.

60 Bigg, C. (2006), Russia: Are Mayors Next ‘Power Vertical’ Victim? Radio Free Russia, 8 november2006.

61 Kunov, A., Myagkov, M., Sitnikov, A. en Shakin D. (2005), Putin’s ‘Party of Power’ and the Declining Power of Parties in Russia , Londen: Foreign Policy Center.

62 Solomo, P.H. (2006), Threats of Judicial Counterreform in Putin’s Russia, Tonronto: University of Toronto.

63 Nikitin, A. en Buchanan, J. (2002), Kremlin’s civic forum: Cooperation or co-optation for civil society in Russia, Demokratizatsiya, 2, pp. 134-157.

64 Blanchard, O. and Shleifer, A. (2001), Federalism With and Without Political centralization: China Versus Russia, in IMF Papers, 48, pp. 171-179.

65 Putin calls for banking clean-up, Moscow Times, 18 september 2006.

66 Shevtsova, Lilia (2005), Putin’s Russia, Washington: Carnegie, p. 322.

67 Putin spreekt terzake over een ‘Post-Sovjet Ruimte’. Dit betreft de niet-territoriale integratie van bijna alle buurlanden die tot de Sovjetunie hebben behoord.

68 Disputed Kuriles serve as strategic line of defense for Russia, Pravda, 4 oktober 2005. Gennady, Chufrin (2003), Russia’s economic and strategic interests in North-East Asia, Asia Europe Journal, 1, pp. 251-262.

69 Azizian, Rouben (2003), The Optimists Have the Lead, for Now: Russia’s China Debate, Honolullu: Asia-Pacific Center for Security Studies.

70 Rangsimaporn, P. (2006), Interpretations of Eurasianism: Justifying Russia’s Role in East Asia, Europe-Asia Studies, 58, pp. 371– 389

71 Dugin, A. (2000) Osnovy geopolitiki: geopoliticheskoe budushchee rossii, Moskou: Arktogeya-Tsentr.

72 Over het nieuwe Eurazianisme van Poetin, zie: Sedgwick, Mark (2004), Neo-Eurasianism in Russia, in Sedgwick, Mark red., Against the Modern World, New York: Oxford University Press; Schmidt, Matthew (2005), Is Putin Pursuing a Policy of Eurasianism?, Demokratizatsiya, 4; Andrei, Piontkovsky (2006), East or West? Russia’s Identity Crisis, Londen: Foreign Policy, Foreign Policy Center.

Visited 6 Times, 2 Visits today

Tags :