Rusland-Georgië is geen lokale match

In Rusland is nu al maanden een felle anti-Georgische campagne aan de gang. Ze lijkt soms deel uit te maken van een golf van xenofobie die in het Rusland van Poetins “patriottisme” steeds sterker wordt. Natuurlijk heeft die campagne tegen Georgiërs heel veel te maken met het conflict tussen Georgië en de Russische Federatie. Dat is dan weer veel meer dan een lokaal conflict, hier speelt de rivaliteit tussen Moskou en Washington die in deze regio bovendien een sterke oliegeur heeft.

Conflictstof is er te over tussen Moskou en Tbilisi. De Russische steun, ook militair, aan de separatistische bewegingen in Abchazië en Zuid-Ossetië, vermeende Georgische steun aan de Tsjetsjeense opstandelingen, de Georgische wens om toe te treden tot de Navo met daarbij Amerikaanse militaire aanwezigheid in Georgië, de oliepijpleiding die Kaspische olie naar de Turkse haven Ceyhan brengt… Hert conflict spijst enerzijds de xenofobie in Rusland tegen de ‘tsjornoi’ (zwarten), waarmee vooral mensen uit de Kaukasus en Transkaukasië worden bedoeld, anderzijds het ultranationalisme in Georgië waar het wel lijkt alsof Zviad Gamsachoerdia, de eerste president na de herwonnen onafhankelijkheid, is herrezen.

Oud verhaal

Georgië was niet toevallig de eerste Sovjetrepubliek die formeel uit de Sovjet-Unie stapte: op 9 april 1991, maanden vóór de Unie ophield te bestaan, kozen de Georgiërs in een referendum massaal voor een onafhankelijk Sakartvelo, de naam van de onafhankelijke republiek tussen 1918 en 1921. De Georgiërs gingen er prat op al eeuwen vóór Christus een eigen staat te hebben en een van de eerste volkeren te zijn die zich tot het christendom bekeerde – kort na de Armeniërs. Ze hadden het door hun ligging vaak aan de stok met Arabische, Perzische en Turkse belagers, wat hen er in 1783 toe bracht de hulp van de Russische tsaar tegen de Turken in te roepen. Die “bescherming” draaide in 1801 uit op annexatie, gevolgd door een politiek van russificatie. Dat leidde voorspelbaar tot anti-Russisch verzet en opstanden.

Na de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland, riepen Georgische leiders een onafhankelijke republiek uit, wat de nieuwe Russische leiders erkenden. Behalve dan een leider afkomstig uit Georgië, Jozef Stalin, die op eigen houtje een einde maakte aan die onafhankelijkheid. De “Georgische kwestie” was voor Lenin de aanleiding om zijn politiek testament te herschrijven: hij beschuldigde Stalin daarin van “Grootrussisch chauvinisme”.

Maar de russificatie pakte in Georgië als een tang op een varken. Zelfs lokale communistische leiders als Edward Sjevardnadze moesten rekening houden met het levendige Georgische nationaal gevoel. Toen een ontwerp tot grondwetsherziening in 1978 het Georgisch niet langer als dé officiële taal vermeldde, kwam het tot onlusten. Partijleider Sjevardnadze bedaarde de gemoederen door het statuut van het Georgisch te bevestigen.

Toen onder Michail Gorbatsjov een oud project werd bovengehaald om Rusland en Georgië per spoor met elkaar te verbinden, lokte dat ook felle protesten uit. Volgens Georgische archeologen zou dat spoor dwars door het “historisch hart” van Georgië lopen en belangrijke restanten vernietigen. Terwijl geologen waarschuwden voor het gevaar van lawines en andere milieurampen. Een van de kopstukken van het verzet was Zviad Gamsachoerdia, de latere president.

Abchazen en Osseten

De poppen gingen echter voorgoed aan het dansen met de kwestie Abchazië. De Abchazen werden in de beginjaren van de Sovjet-Unie verwend; ze kregen autonomie en hoopten dat de massa’s door de tsaren verdreven Abchazen zouden terugkeren. Maar in 1931 voegde Stalin dit gebied, zeer tegen de zin van de Abchazen, bij Georgië. In de decennia daarop werden etnische Georgiërs aangemoedigd zich in Abchazië te vestigen om het Georgisch karakter ervan te versterken. Het “Abchazische Volksfront” proclameerde in maart 1989 de afscheiding van Abchazië, wat een hevige reactie uitlokte van Georgische nationalisten. Op 9 april 1989 vielen “speciale eenheden” (wellicht zonder medeweten van Gorbatsjov) Georgische hongerstakers in Tbilisi aan, waarbij twintig doden vielen.

Voor veel Georgische nationalisten was deze “zwarte zondag” het sein dat Georgië uit de Unie moest. Dat groeiende Georgische nationalisme, dat twee jaar later in onafhankelijkheid zou uitmonden, moedigde ook de Osseten van Zuid-Ossetië aan om hun eigen weg te gaan. Zij vreesden dat ze in een onafhankelijk Georgië niet op enige autonomie zouden moeten rekenen.

Ze hadden daarin wel gelijk. Nadat de Georgische nationalisten van Gamsachoerdia de parlementsverkiezingen hadden gewonnen, doekten ze de autonomie van Zuid-Ossetië op en belegerden ze Tschinvali, de “hoofdstad” van Zuid-Ossetië. Gamsachoerdia, die met 87% van de stemmen tot president werd verkozen, vond dat er in het onafhankelijke Georgië geen plaats kon zijn voor autonome regio’s

Maar Gamsachoerdia had al snel ook in Georgische rangen veel vijanden gemaakt, o.m. omdat hij de Mingrelische Georgiërs (in het westen) voortrok. Hij werd eind 1992 na hevige gevechten van de macht verdreven. De nieuwe machthebbers gingen op zoek naar een internationaal aanvaardbare figuur om Gamsachoerdia op te volgen en kwamen terecht bij Sjevardnadze, onder Gorbatsjov de nummer drie van het Sovjetregime en zes jaar lang minister van Buitenlandse Zaken.

Het ruikt naar olie

Misschien koesterde Moskou de illusie dat een oudgediende van het Sovjetsysteem een goede bondgenoot van Rusland zou worden. Maar Sjevardnadze was ook een goede vriend van invloedrijke Amerikanen, zeker Amerikanen met oliebelangen. Hij had onder meer olievelden in Kazachstan goedkoop aan Chevron verkwanseld.

Hoe belangrijk dat wel was bleek in het najaar van 1994. In Azerbeidzjan was een andere oudgediende van het Sovjetregime, Geidar Aliëv, aan de macht. Ondanks zijn Sovjetverleden (dan nog onder Brezjnev), tekende hij in september 1994 een vérstrekkend olieakkoord met een Westers consortium voor de ontginning van olievelden in de Kaspische Zee. Pas toen ging Moskou weer belang hechten aan controle over Tsjetsjenië dat toen al drie jaar feitelijk zelfstandig was. De bestaande pijpleiding van Bakoe naar de Russische oliehaven Novorossiisk loopt immers door Tsjetsjenië.

BTC

Die Kaspische Zee ligt immers ver van elke oliehaven. Om niet uitsluitend afhankelijk te zijn van transport via Rusland, pakte het Westers consortium onder impuls van Washington uit met een plan voor een alternatieve route: via Georgië naar Ceyhan, een haven in het zuiden van Turkije. De BTC – Bakoe-Tbilisi-Ceyhan – was wel een zeer dure onderneming. Maar geopolitieke overwegingen haalden het op financiële: de BTC werd aangelegd en werd in mei vorig jaar ingewijd. Over enkele jaren zal daar dagelijks één miljoen vaten passeren; later wordt ze gedubbeld door een aardgasleiding. Dat alles met de beodeling ook energie uit Centraal-Azië via die leidingen te laten passeren. “Hiermee begint in deze regio een nieuw tijdperk”, zei de Amerikaanse minister van Energie, Samuel Bodman, bij de inwijding.

Twee gewezen apparatsjiks van het Sovjetregime zorgden er dus voor dat Rusland kon omzeild worden. Meteen de zoveelste aanwijzing dat apparatsjiks geen ideologie maar alleen belangen hebben.

Dit was hoe dan ook voor Moskou een zeer duidelijk signaal dat het bij dit soort lieden niet moest rekenen op enige loyauteit om invloed te behouden in zijn “nabije buitenland”, dat het Gos (Gemenebest van onafhankelijke staten), in feite een lege huls was. Maar niet alleen dat: het werd snel duidelijk dat de Amerikanen klaar stonden om in het gat te springen. Georgië kreeg de voorbije jaren relatief (per bevolkingsaantal) zeer veel Amerikaanse hulp.

Geen twijfel meer

Toch was Sjevardnadze niet betrouwbaar genoeg. Steve Mann, bij het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor de Kaspische regio, klaagde over het groeiend monopolie van Gazprom (de Russische gasgigant) in die regio.

In 2003 kwam er met actieve steun uit de VS een campagne op gang tegen zijn autoritaire aanpak. Laat ons lachen, de aanpak van Aliëv jr in Azerbeidzjan of van Nazarbajev in Kazachstan is beslist autoritairder, maar die werden betrouwbaarder geacht voor de westerse energiebelangen. De “rozenrevolutie” van eind 2003 bracht voor de VS veel betrouwbaarder leiders aan de macht, met voorop Michail Saakasjvili, tot 2001 een rijzende ster van de groep rond… Sjevardnadze.

Met die “revolutie” moest Poetin niet meer twijfelen: Washington was niet van plan de Russische invloed in zijn nabije buitenland te erkennen in ruil voor samenwerking in andere domeinen. Georgië was een toetssteen. Onder Sjevardnadze waren er al Amerikaanse militairen aangekomen om te helpen tegen “het internationaal terrorisme” (de aanwezigheid van Tsjetsjeense opstandelingen in de vallei van Pankissi). Nu werd de samenwerking tussen Georgië en de VS op alle vlakken intensiever, het Georgisch bewind was in de ogen van Moskou (en dat is ook zo) een pion in de strategie van Washington om Ruslands invloed in zijn “nabije buitenland” in te dijken.

Escalatie

Dat de spanningen verder zouden oplopen was dan ook volkomen voorspelbaar. Het lag voor de hand dat Saakasjvili zou trachten iets te forceren in Abchazië en Zuid-Ossetië, dat er een escalatie van die conflicten zou komen. Interne conflicten zijn het niet, want zowel in Abchazië als Zuid-Ossetië is er een zeer sterke stroming om bij de Russische Federatie aan te sluiten. Dat Rusland daar nogal kwistig paspoorten verspreidt, is voor de Georgische bewindvoerders een sterke aanwijzing dat het op annexatie uit is.

Moskou heeft in Georgië echter weinig andere troeven. Het heeft in Tbilisi weinig bondgenoten, het kan alleen via drukkingmiddelen trachten de Amerikaanse invloed terug te dringen. De voornaamste drukkingmiddelen zijn de gasleveringen (en prijzen) en de steun aan Abchazië en Zuid-Ossetië. Die laatste moeten goed beseffen dat zij voor Moskou wisselgeld zijn in de krachtproef tussen Moskou enerzijds, Tbilisi en Washington anderzijds. Maar de afscheidingsbewegingen beseffen allicht maar al te goed dat het Moskou niet te doen is om het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren, wel om machtspolitiek.

(Uitpers, nr. 82, 8ste jg., januari 2007)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 69 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook