Royal, de ondraaglijke lichtheid van de PS

Ségolène Royal wordt dus effectief de kandidate van de Franse socialistische PS bij de presidentsverkiezingen van komende lente. Alleen de omvang van haar succes, meer dan 60% van de stemmen van de PS-leden, was een kleine verrassing. Royal incarneert “het nieuwe”, een zogenaamde “breuk met de oude politiek”. Maar dat is schijn, want Royal brengt zeker geen alternatief aan.

Haar programma valt vooral op door “le vide”, de leegheid ervan op essentiële punten. Sommige standpunten die ze al wel innam, zijn voor een kandidaat van links erg bedenkelijk.

Media en opiniepeilers hebben mee voor dat succes gezorgd. Want veel PS-leden raakten er daardoor van overtuigd dat links volgend jaar alleen maar van Nicolas Sarkozy (rechts) kan winnen met Royal als kandidaat. Het trucje van de “nuttige stem” speelde volop. Royal kon voor de lancering van haar kandidatuur immers volop rekenen op haar vele antennes in de media en bij de marketingbedrijven die voor opiniepeilingen zorgen. Die gecombineerde steun maakte dat zij naar voor kwam als een kandidate van vernieuwing, terwijl ze volop in het apparaat zat.

Marketing

Marketing, het is bijna een sleutelwoord om haar kandidatuur te omschrijven. Haar programma is een mengeling van formules die bij diverse “segmenten van de kiezersmarkt” moeten aanslaan, met één grote lacune: er is geen kritiek op het economisch liberalisme, op die fameuze vrije markt. Nochtans bleek vorig jaar bij het referendum over de Europese grondwet hoe precies de onvrede over die vrije markt een hoofdbekommernis is van een meerderheid van de kiezers, en van een zeer grote meerderheid van de linkse kiezers.

De problemen die toen boven kwamen zijn de druk op de lonen, de woonkosten die de pan uitrijzen, de onzekerheid van het bestaan, de groeiende ongelijkheden – maar daarover gaat de campagne niet. Want de vrije markt is een dogma, zowel van Royal als van haar belangrijkste tegenstrever, minister van Binnenlandse Zaken Sarkozy, tevens leider van de rechtse UMP.

Wat zegt Royal wel? Soms staat men er wat verbijsterd bij, bij voorbeeld bij de uitspraak dat het uitoefenen van de functie van president “in de eerste plaats betekent dat men Frankrijk moet liefhebben opdat de Fransen er ook hun liefde aan geven”. En toch verklaarde Daniel Cohn-Bendit, een historische figuur van de groenen en van Mei ‘68, dat Ségolène volgens hem een erfgename is van Mei ‘68…

Royal pakt inderdaad uit met “participatieve democratie”, wat verwijst naar een sleutelterm van de andersglobalistische beweging. Zij heeft het over decentralisatie van het bestuur en over controle op de regeerders door “volksjury’s”, wat op zichzelf progressieve begrippen kunnen zijn. Maar in feite is ook dit ingegeven door de marktstrategie van Royal en haar omgeving: kijken wat de mensen willen horen en daar een inslaande (maar vage) formule voor vinden. Want waarom geen “volksjury’s” voor controle op de raden van bestuur van grote ondernemingen die beslissen over sluitingen, delocalisaties enz.? Waarom geen volksjury’s op het niveau van de Europese Unie, die de lidstaten een ultraliberaal beleid “oplegt”.

Royal kreeg natuurlijk van haar rivalen het verwijt geen onderbouwd programma te hebben. Ze heeft daar een simpel antwoord op: de Fransen mogen dat zelf invullen.

Wat is nog de zin van politiek en politieke partijen als men alle grote beslissingen aan “de Fransen” overlaat? Royal en haar ploeg noemen dat ‘la proximité avec la société’. En dat klinkt bijzonder goed in een samenleving waar de meeste burgers het sterke gevoel hebben dat de politieke leiders geen voeling met die samenleving hebben. Maar indien Royal inderdaad aan “proximité” zou willen doen, zou ze vooral aandacht moeten besteden aan het sterke gevoel van de meeste Fransen dat het economisch liberalisme voor hen onheil betekent. Dat doet ze echter niet, verre van.

Op buitenlands vlak neemt ze ronduit zeer bedenkelijke standpunten in. Ze gaat zelfs bijna zo ver als Tony Blair in haar beoordeling van de Iraakse crisis. Ze heeft woorden van lof voor de pogingen olm Irak “te stabiliseren” en om het Midden-Oosten te “democratiseren”. Op buitenlands vlak zou haar beleid een stuk rechtser kunnen zijn dan dat van de huidige rechtse regering. Maar aangezien Sarkozy ook voor nauwere samenwerking met Washington pleit, bestaat het risico dat de Fransen in de tweede ronde volgend jaar alleen nog kunnen kiezen tussen twee kandidaten die beide een veel “Atlantischer” (pro-Amerikaans) beleid voorstaan. En dat is zeker niet de wens van de meerderheid van de Fransen.

Nieuw?

Royal is dus zeer select in haar passie, namelijk het uitpluizen van opiniepeilingen. Daaruit heeft ze vooral onthouden dat ze moet naar voor komen als iemand die ver van alle politieke apparaten staat, ook al is ze in alle opzichten een product van dat apparaat. Het komt er echter op aan de publieke opinie dat te doen vergeten.

Via marketing en media is Royal toch naar voor geschoven als een figuur van vernieuwing, iemand die zou breken met de “olifanten” die met hun clans de PS totnogtoe domineerden. Nochtans was Royal een, weliswaar onopvallende, rader in het bestuur van wijlen François Mitterrand en in socialistische regeringen. Bovendien is zij de levenspartner van partijleider François Hollande. Om zo iemand als “nieuw” voor te stellen, is er heel wat marketing nodig geweest.

Haar twee rivalen die tot het einde meededen, hadden wel een duidelijker politiek profiel. Dominique Strauss-Kahn heeft zich opgeworpen als de man van de sociaal-democratische koers. De PS moet breken met zijn socialistisch jargon en de andere sociaal-democratische partijen van West-Europa navolgen (alsof ze dat niet zou doen).

Laurent Fabius nam daarentegen een duidelijk links profiel aan. Hij leidde vorig jaar binnen de PS de campagne om bij het referendum over de Europese “grondwet” nee te stemmen – wat ca 60% van de PS-kiezers ook deed. Maar Fabius kampt met een zwaar probleem van geloofwaardigheid. Het is moeilijk om te doen vergetend dat hij in het midden van de jaren 1980 als premier wel een ‘sociaal-liberaal’ beleid voerde, iets waar hij nu zo zwaar tegen aan ging.

Links van PS

Ter linkerzijde van de PS is de verwarring rond de presidentsverkiezingen zeer groot. Het succes van het “nee” in het EU-grondwetreferendum had een elan geschapen van eenheid ter linkerzijde. Er waren comités opgericht met de bedoeling dat er één kandidaat van het linkse nee aan de presidentsverkiezingen zou deelnemen.
Maar hoe één kandidaat aan te duiden terwijl er op dat terrein diverse georganiseerde politieke groepen aanwezig zijn naast die comités? Een van de trotskistische groepen Lutte Ouvrière, kondigde al snel aan dat Arlette Laguiller voor de zesde keer de kandidaat van deze groep zal zijn. De andere trotskistische groep, Ligue Communiste Révolutionaire (LCR), nam wel deel aan de pogingen tot bundeling, maar eiste vooraf duidelijkheid over de houding die tegenover de PS zou worden aangenomen. De LCR voelt niets voor een herhaling van “la gauche plurielle” (de formule onder de regering Jospin met o.m. PS, Verts (groenen), de communistische PCF, de Radicalen (links-liberalen) die tenslotte een neoliberaal beleid voerde. De LCR schoof alvast een eigen kandidaat naar voor, Olivier Besancenot, die het in de peilingen alvast goed doet (vorige keer iets meer dan 4%).

De PCF schoof partijleidster Marie-George Buffet naar voor als “beste kandidate” om links van de PS te verzamelen. Wat natuurlijk op een afwijzing van alle anderen stootte, want die willen niemand van het apparaat. Andersglobalist en gewezen boerenleider José Bové dan maar? Die mogelijkheid krijgt weinig bijval. Of Yves Salesse van de beweging Copernic die een grote rol speelde in de campagne tegen de “grondwet”? Of iemand van de Verts, terwijl die partij zelf Dominique Voynet als kandidate aanwees.

Er zullen dus waarschijnlijk talrijke kandidaten links van de PS zijn. De droom om een kandidatuur te kunnen aanbrengen die mogelijk de kandidaat van de PS zou overvleugelen, is van korte duur geweest.

Chiraquie vs UMP

Ter rechterzijde heerst ook wel enige verwarring. Er is één grote rechtse partij, de UMP, die sinds vorig jaar wordt geleid door Nicolas Sarkozy, minister van Binnenlandse Zaken. Met Sarkozy is de UMP niet meer de partij van president Jacques Chirac, wel integendeel. De vijandschap is zelfs zere openlijk. Chirac zelf houdt in het midden of hij zelf niet weer kandidaat zal zijn; zijn vrouw voert mee de psychologische oorlog met een verklaring die laat verstaan dat Chirac er nog vijf jaar Elysée wil bijdoen.

Met Sarkozy is de UMP minder dan ooit klassiek gaullistisch. Voor Chirac was dat onder meer een eigen uitgesproken eigen buitenlands beleid, wat in verband met de oorlog tegen Irak tot een open conflict met Washington leidde. De gaullistische EU-commissaris was vaak de meest “linkse” in die Commissie als het om privatiseringen ging. Niet alleen uit nationalisme, maar ook omdat het klassieke gaullisme geen uitgeholde staat wil. Chirac diende zich ook aan als de man van de sociale dialoog, al kwam dat in de praktijk niet altijd tot uiting (bijv. in de lente met de CPE, het zogenaamde jongerenbanencontract).

Ook premier Dominique de Villepin geeft zich niet gewonnen. Ondanks zijn onpopulariteit laat hij verstaan kandidaat te willen zijn, wat ook deel uitmaakt van de psychologische oorlog tegen Sarkozy. En ook minister van Defensie, Michèle Alliot-Marie, wil best kandidaat zijn. Zij was voorzitster van de gaullistische RPR die het gros van de UMP uitmaakt.

Al die rechtse kandidaat-kandidaten hopen dat Jean-Marie Le Pen van het uiterst-rechtse Front National (FN) niet de benodigde 500 handtekeningen haalt om kandidaat te kunnen zijn. Wan dat zou een enorm stemmenreservoir “vrijmaken” waar ze nu al op azen. Zeker Sarkozy met zijn gespierde uitlatingen en daden tegenover mensen zonder papieren. Rechts van de UMP komen er wellicht nog dissidente nationalisten en Philippe de Villiers die vorige keer ook als kandidaat in uiterst-rechts vaarwater viste.

Een beetje links van de UMP is er dan nog François Bayrou, leider van de UDF die zich het jongste jaar afzet tegen de regering en af en toe ’s links gaat lonken.

Wat als Le Pen wel kandidaat is? Zit er een herhaling van 2002 in waarbij het inde tweede ronde dan ging tussen Chirac en Le Pen omdat die de socialistische kandidaat Jospin was voorbijgestoken? De PS zal ongetwijfeld uitpakken met de oproep vanaf de eerste ronde “nuttig” te stemmen om een herhaling van 2002 te voorkomen. Ook al betekent het dat de kiezers in de tweede ronde alweer geen duidelijke keuze tussen links en rechts hebben en dat de linkse stem van vorig jaar tegen de EU “grondwet” zich niet kan doorzetten. 

(Uitpers, nr. 81, 8ste jg., december 2006)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 76 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook