Reporters sans frontières niet vies van desiniformatie

De “niet-gouvernementele” organisatie Reporters sans Frontières (RSF) voert een desinformatiecampagne tegen de regering van Venezuela. Daar zou president Hugo Chávez de persvrijheid bedreigen en een”dictator in wording” zijn, een term die werd overgenomen door westerse kranten als de NRC Handelsblad.

De campagne van RSF werd heviger nadat Chávez eind januari definitief besloot de licentie voor de omroep Radio Caracas Television (RCTV) niet te vernieuwen nadat die op 28 mei 2007 verstrijkt. De omroep zou monddood zijn gemaakt omdat hij meningen vertolkt die de president niet aanstaan. RCTV heeft deelgenomen aan de staatsgreep tegen de verkozen president in april 2002 en had bij de mislukking ervan alle berichtgeving over Chávez en diens ministers verboden. De putchistische omroep vuurde in december 2002 ook de oliesabotage tegen Chávez aan met oproepen om de nationale oliemaatschappij PVDSA lam te leggen.

RCTV is een van de vier privé-omroepen die in Venezuela een quasi-monopolie op de nieuwsuitzendingen hebben en die in feite de rol van de oppositiepartijen op zich hebben genomen. Die realiteit van de Venezolaanse media wordt door RSF, een ngo uit Parijs die onder meer wordt gefinancierd door de Europese Commissie en door de conservatieve Amerikaanse denktank Endowment for Democracy (NED), doelbewust miskend. Dit soort desinformatie ondermijnt de geloofwaardigheid die de ngo van Robert Ménard nog zou hebben.

President Chávez besloot de licentie van de RCTV-omroep niet te vernieuwen. Die licentie was in 1987 onder president Jaime Lusinchi voor twintig jaar toegekend, en verstrijkt op 28 mei 2007. Echt monddood werd de zender niet gemaakt, want hij kan blijven werken via de kabel en de satelliet. Alleen mag hij de frequentie die aan de staat toebehoort niet langer gebruiken. In Venezuela behoren de zendfrequenties aan de staat, die het recht heeft om concessies uit te geven; de infrastructuur, het materiaal en de gebouwen zijn privé-eigendom. Toch was het voor RSF en voor RCTV-eigenaar Marcel Granier een gelegenheid om het te hebben over een “illegale daad” die “de vrijheid van meningsuiting en de mensenrechten schaadt”. Die meningen werden door vele media in het westen kritiekloos overgenomen, ook al omdat RSF er nog geloofwaardigheid geniet.

Dat de Venezolaanse regering besloot de licentie van RCTV niet te vernieuwen, heeft niet zozeer te maken met de politieke oppositie van de omroep tegen het bewind. De belangrijkste reden bestaat erin dat RCTV actief deelnam aan de putsch tegen Chávez die de rijke oligarchie en haar Amerikaanse beschermheren in april 2002 organiseerden. “Men moet zich de bepalende rol herinneren die RCTV tijdens de staatsgreep van 2002 heeft gespeeld”, benadrukte minister van Communicatie en Informatie William Lara, “Die onverantwoordelijke houding is bij RCTV niet veranderd”. Dit laatste was een verwijzing naar de andere drie privé-omroepen, die na de putsch en de oliesabotage houding wél veranderden en hun haatcampagne tegen de president temperden.

In een gelijkaardige situatie zou elke regering al vroeger zijn opgetreden tegen omroepen als RCTV die openlijk deelnamen aan een coup tegen een verkozen staatshoofd – het volstaat dat we ons voorstellen dat Franse privé-zenders openlijk zouden oproepen tot het afzetten van president Chirac. Maar ondanks druk vanuit de bevolking en de strijdkrachten om op te treden tegen de privé-omroepen, besloot Chávez te wachten totdat de privé-omroepen blijk zouden geven van minimaal herstel van de journalistieke deontologie. Alleen RCTV zette de lastercampagne op last van zijn eigenaars onverminderd voort.

En vond hiervoor een echo bij organisaties als RSF. Volgens de ngo van oud-68’er Robert Ménard heeft RCTV niets verkeerd gedaan door valse informatie uit te zenden, de bevolking aan te zetten tot geweld, en geregeld putschistische generaals hun haat tegen de verkozen president te laten spuien. Die activiteiten, die in andere landen als subversief zouden worden bestempeld, vallen volgens RSF gewoon onder de rol die de “media als tegenmacht” moeten spelen. Een omroep verbieden om via de staatsfrequenties op te roepen tot burgeroorlog, tot gewapende opstand en tot het vermoorden van de president, is volgens RSF een “aanzetting tot censuur”.

RSF heeft de deelname van de privé-omroepen aan de putsch tegen Chávez nooit veroordeeld. De “niet-gouvernementele” organisatie beperkte zich tot de mededeling dat “sommige mediabazen zover gingen dat ze borg stonden voor de staatsgreep”.

De realiteit wil evenwel dat meer dan 90 procent van de privé-media, onder wie de grootste vier tv-ketens, openlijk en actief de coup en de putschistische junta van Pedro Carmona hebben gesteund. De bazen van de privé-media (die een quasi-monopolie op de nieuwsverslaggeving hebben) waren hun richtlijnen zelfs komen ophalen bij Carmona toen die gedurende 47 uur dictator van het land was, totdat Chávez opnieuw aan de macht kwam. Dat die media aan zo’n staatsgreep deelnamen, is volgens RSF geen misdaad maar, zo blijkt uit zijn jaarrapport van 2003, niet meer dan een “in gebreke blijven bij de elementaire deontologische regels”. In dat jaarrapport veroordeelt RSF nergens de rol van de media bij het omverwerpen van president Chávez.

De Franse ngo deed nog “beter” in een artikel van 12 april 2002 (tijdens de coup). Daarin nam de organisatie van Ménard gewoon de versie van de putschisten over en probeerde zij de wereldopinie ervan te overtuigen dat Chávez ontslag had genomen: “Opgesloten in zijn paleis heeft Hugo Chávez tijdens de nacht zijn ontslag ondertekend, onder druk van het leger. Daarna werd hij naar het fort van Tiuna (bij Caracas) gebracht, waar hij wordt vastgehouden. Onmiddellijk daarna heeft Pedro Carmona, voorzitter van (de patroonsorganisatie) Fedecamaras, aangekondigd dat hij een nieuwe overgangsregering zou leiden. Hij verklaarde dat zijn naam het voorwerp was van een consensus van de Venezolaanse civiele maatschappij en van het opperbevel van de strijdkrachten”. Let wel, deze tekst werd niet gepubliceerd door Washington, dat de coup had georchestreerd, maar door RSF. Ook volgende verklaring komt niet uit het brein van George Bush, maar uit de pen van RSF-secretaris-generaal Ménard in 2004 in zijn blad Médias: “De andersglobalisten zijn altijd toegeeflijk voor de ex-putschist Hugo Chávez, die operette-caudillo die zijn land ruïneert, maar die het -voorlopig?- houdt bij een discours à la Castro zonder dat dit veel reële gevolgen heeft voor de vrijheden van zijn medeburgers”.

En bij zijn extreem-rechtse vrienden uit Venezuela en Cuba die in Miami verblijven, trad Ménard in januari 2004 helemaal in het spoor van de Venezolaanse oligarchie, die een gloeiende afkeer heeft van Chávez, een man die niet tot hun kringen behoort, die een bedreiging vormt voor hun privilegies, en die ze met lede ogen vele malen als overwinnaar uit democratische electorale strijdperken zagen komen. “De regering van Chávez is een mislukking, een economische ramp van niet-vervulde beloften”, echode Ménard de beweringen van de traditionele Venezolaanse rijken.

Wat de diversiteit en de vrijheid van de pers betreft: Chávez heeft nog geen enkele omroep gesloten, ook niet RCTV dat via de kabel en satelliet mag verder werken. De enige zender die wel werd gesloten, ging in april 2002 dicht op bevel van de putschist Carmona (Canal 8, een overheidszender). Sinds 1999 zijn er in heel het land bijna 500 nationale en lokale persorganen bijgekomen, kranten zowal als radio- en televisiezenders. Dat RSF het niet vernieuwen van de RCTV-licentie een “aantasting van de pluraliteit van de media” noemde, is dan ook erg misleidend. Temeer daar de ngo kennelijk geen bedenkingen heeft bij het quasi-monopolie van de privé-omroepen van de oligarchie.

Bedreiging van journalisten gaat in Venezuela niet uit van regeringsinstanties. Wel van de bazen van commerciële media, die verbonden zijn met de traditionele oligarchie. Bedreigingen werden met name geuit door Miguel Angel Martinez, voorzitter van de Kamer van Radio Omroepen. Die vroeg de aangeslotenen om te “interfereren” met de frequentie van de openbare zenders bij een volgende poging tot staatsgreep. Martinez is medeondertekenaar (op 12 april 2002) van het decreet waarmee de kortstondige juntaleider Pedro Carmona tijdens de staatsgreep het parlement en het hooggerechtshof ontbond, en de grondwet schrapte.

National Endowment for Democracy

De bevooroordeelde houding en de desinformatie van RSF hoeven niet te verwonderen. Haar belangrijkste correspondent in Venezuela is Maria Sol Pérez Schael, een politologe van de oppositie die de staatsgreep had gesteund en openlijk haar steun had uitgesproken voor de militaire putschisten. En de “niet-gouvernementele” organsatie uit Parijs wordt onder meer financieel gesteund door de National Endowment for Democracy (NED), een instelling die begin jaren 80 door de Amerikaanse president Ronald Reagan werd opgericht om de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten in de wereld te steunen. Die politiek wordt netjes ingekleed met de term “bevordering van democratie” , een holle slogan zoals blijkt wanneer sommige landen “verkeerde” presidenten kiezen zoals Salvador Allende in Chili en Hugo Chávez in Venezuela, of wanneer dictators de Amerikaanse belangen wél dienen, zoals Pervez Musharraf in Pakistan of de monarchie in Saudi-Arabië. De opinie doen geloven dat het Amerikaans buitenlands beleid niet in de eerste plaats Amerikaanse belangen dient, maar nobele doeleinden als “vrijheid en democratie”, is de taak van instellingen als de NED en, bij afleiding, van RSF.

Het was de respectabele New York Times die in maart 1997 wees op de ware rol van de NED en haar bondgenoten: “De NED is vijftien jaar geleden opgericht om openlijk te doen wat de CIA al decennia lang stiekem doet. Zij geeft jaarlijks 30 miljoen dollar uit om politieke partijen, vakbonden, dissidentenbewegingen en informatiemedia in tientallen landen te steunen”. In september 1991 had Allen Weinstein al een gelijkaardig geluid laten horen in de Washington Post. Weinstein hielp de wet goedkeuren die de NED deed ontstaan. “Veel van wat we vandaag doen is vijfentwintig jaar geleden al clandestien gedaan door de CIA”. Ex-NED-directeur James Woolsey was baas van de CIA, zijn opvolger Patrick Ackerman is lid van het Albert Einstein Institute, gespecialiseerd in “zachte staatsgrepen”. De NED heeft onder meer Venezolaanse opposantengroepen gefinancierd die betrokken waren bij de mislukte coup tegen Chávez. De steun die RSF krijgt van organisaties als de NED wettigt de vraag wiens belangen de Franse ngo in Venezuela op het oog heeft: die van de persvrijheid of die van de Verenigde Staten en hun bondgenoten van de lokale oligarchie.

Communicatie

Het niet verlengen van de licentie van RCTV is maar één van de thema’s die gebruikt worden voor desinformatie tegen de regering van Chávez in Venezuela. Een ander is de nationalisatie van de telecommunicatiemaatschappij CANTV (Compania Anonima Nacional de Telefonos de Venezuela). In feite gaat het om een hernationalisatie, want CANTV was al in 1973 een openbare maatschappij geworden, maar werd sinds 1991 geprivatiseerd. CANTV zorgt voor 70 procent van de nationale, en 42 procent van de internationale vaste telefoonverbindingen in Venezuela. Het bedrijf verzorgt ook 83 procent van de internetverbindingen in het land. Bovendien is het belast met de overdracht van de verkiezingsgegevens aan de Nationale Verkiezingsraad bij de elektronische stembusgang. CANTV bezit ook een van de drie merken van gsm’s in het land. Om CANTV te gebruiken heeft de regering bij de presidentsverkiezingen in december 10 miljoen euro betaald.

Dat het bedrijf vele mogelijkheden biedt om verbindingen af te luisteren is maar één van de grote redenen die het belang van CANTV op het gebied van veiligheid, verbindingen en inlichtingen aantoont. Dat de overheid die mogelijkheden in privé-handen heeft gegeven, is de regering-Chávez een doorn in het oog. Temeer daar de belangrijkste aandeelhouder, Verizon, een Amerikaans bedrijf is waarvan vele bestuurders nauwe banden hadden en hebben met de regering van Ronald Reagan, vader George Bush, het Amerikaans veiligheidsestablishment en belangrijke oliefirma’s als Shell en Exxon, de enige oliefirma die geweigerd heeft om met PVDSA een gemengd bedrijf op te richten.

Daarom beschouwt de regering-Chávez de hernationalisatie van CANTV ook als een politiek-strategische zaak, van herwinning en verdediging van nationale soevereiniteit. Zij gaat nu de aandelen van Verizon overkopen. Verizon is in de VS zelf in last gekomen omdat het, in het raam van de zgn. Patriot Act, miljoenen Amerikaanse burgers heeft bespioneerd voor het National Security Agency (NSA). Er bestaan sterke vermoedens dat de Amerikaanse operator hetzelfde heeft gedaan in Venezuela, ten voordele van het Witte Huis en vooral van oliemultinationals (wegens de banden van die firma’s met Verizon-toplui als Robert Daniel en Fran Keeth (allebei Shell) of Helene Kaplan en Walter Shipley (allebei Exxon-Mobil). Allicht verwees president Chávez hiervnaar toen hij zei dat CANTV hem tot in zijn eigen bureau bespioneerde.

Tegenstanders van Chávez laakten de hernationalisatie van het strategisch belangrijke CANTV. Manuel Rosales, die rivaal van Chávez bij de presidentsverkiezingen van december die de staatsgreep van 2002 had gesteund, zei dat Chávez door de maatregel “de controle over Internet en de gegevensoverdracht zal krijgen, vooral bij verkiezingen”. Dat die controle over de communicatie in Venezuela bij privé-belangen als het Amerikaanse Verizon lag, leek geen punt voor de man die zich had aangeboden als toekomstig president “van alle Venezolanen”.

Dat de Venezolaanse overheid de controle over CANTV herovert, zal ook positieve gevolgen hebben voor de telefoonverbindingen in afgelegen gebieden van het land. Want de privé-eigenaars, die vooral rentabiliteit beogen, toonden niet veel belangstelling voor investeren in afgelegen zones, die daardoor een soort telefonisch niemandsland bleven.

(Uitpers, nr 85, 8ste jg. , april 2007)

(Met dank aan Salim Lamrani van RISAL)

Visited 9 Times, 2 Visits today

Tags :