Red de democratie, begin met het parlement

Hoe goed of hoe slecht gaat het met de democratie? Of, de vraag ietwat vernauwend, hoe goed of slecht gaat het met de parlementaire democratie in het rijke ‘noordwesten’ van de planeet? Niet zo denderend, blijkbaar.

In Frankrijk kwamen voor de tweede ronde van de jongste parlementsverkiezingen niet eens 46 stemgerechtigden op honderd opdagen; dat waren er nog minder dan een week voordien in de eerste ronde. In België nam rond dezelfde tijd een alom gewaardeerde jonge politica ontslag uit het parlement omdat zij niet langer kon aanzien hoe zelfs kleine maar betekenisvolle maatregelen slachtoffer worden van een meedogenloze particratie. In haar oprechte ontgoocheling was zij hoegenaamd niet de eerste, en zeker niet de laatste.

Dat de parlementaire democratie zoals we die thans kennen zwaar aan geloofwaardigheid heeft ingeboet, is overduidelijk en al talloze keren betreurd. Het concept van de ‘representatieve vertegenwoordiging van het soevereine volk’ maakt een existentiële crisis door. Of daar iets aan te verhelpen valt door via loting een ‘schaduwparlement’ samen te stellen van mensen die niét beroepshalve met politiek bezig zijn, is nog maar de vraag.

Maar evenzeer is het de vraag of die crisis kan worden bezworen door de bestaande parlementaire democratie systematisch af te schrijven en/of aan te vallen als een veredelde vorm van volksverlakkerij.

Dat is althans de stelling van de “Belgisch-Duitse” filosoof Dieter Lesage die in een “Pleidooi voor radicale democratie” zeer omstandig de verhouding ontleedt tussen “Het parlement en de Velen”.

Occupy

Die ‘Velen’ haalt Lesage uit de VSA waar enkele jaren na de financiële crisis van 2008 een beweging ‘Occupy Wall Street‘ ontstond die het hart van de financiële wereld wou ‘bezetten’ om zo te protesteren tegen de toenemende sociale ongelijkheid. Om hun verontwaardiging samen te vatten over het feit dat steeds minder mensen steeds rijker worden, en steeds méér mensen steeds armer, scandeerden de betogers ‘Wij zijn de 99 %’. Enkele discussies over procenten later werd die slogan omgevormd tot ‘We are the many‘ (mét lidwoord, let wel).

En dat beeld kwam dan weer van niemand minder dan de Engelse dichter Shelley die daarmee al in 1819 ‘de velen’ die om gerechtigheid schreeuwden aanmoedigde in hun strijd tegen ‘de weinigen’ door wie ze werden uitgebuit. Tweehonderd jaar later hebben blijkbaar nog altijd zeer ‘velen’ het gevoel dat ze – ook in parlementaire democratieën – niet echt worden gehoord, en dat de ‘weinigen’ zich niet of nauwelijks bekommeren om hun zeer reële problemen en angsten.

Met als gevolg ofwel boze onverschilligheid (waarom nog gaan stemmen?) ofwel laaiende woede (dat parlement is maar een schijnvertoning, bedoeld om het volk koest te houden). Onverschilligheid en woede nemen alleen maar toe naarmate ze zich machtelozer weten; maar geen van beide biedt een realistische uitweg uit het probleem.Want, aldus Lesages betoog in één zin samengevat: het zou volstrekt verkeerd zijn de parlementaire democratie zomaar af te schrijven; het gaat erom haar nieuw en krachtig leven in te blazen.

Dat betoog komt impliciet en expliciet overvloedig terug in het boek, zoveel is duidelijk. Veel minder duidelijk is het wàt Lesage precies bedoelt met ‘radicale democratie’. Die term wordt wel al jarenlang gehanteerd in zeer uiteenlopende analyses; maar hoe die dan concreet gestalte zou moeten krijgen en- vooral – hoe men daar zou kunnen geraken vanuit de huidige malaise blijft ook in dit boek helaas rijkelijk vaag.

Het parlementaire systeem zoals we dat thans kennen moet “radicaliseren of imploderen” poneert Lesage ergens heel stoer. Maar dat blijkt in werkelijkheid niet méér te betekenen dan wat we telkens weer te horen krijgen als kritiek op de heersende particratie: de verkozenen moeten zichzelf weer meer macht toe-eigenen in plaats van slaafs een partijlijn te volgen pro of contra de zittende regering. Dat is zeker juist; maar een originele gedachte is het niet bepaald. En des te ergerlijker is dan dat Lesage niet eens aandacht besteedt aan dat fenomeen ‘particratie’. De auteur acht het blijkbaar beneden zijn waardigheid uit zijn filosofische ivoren toren af te zakken naar minder wirklichkeitsferne politiek- of sociaal-wetenschappelijke analyses.

Is dat een karikatuur? Integendeel. Ook voor een behoorlijk geschoolde lezer (v/m/x) is dit boek welhaast een karikatuur, die de filosofie bepaald geen eer aandoet. Men mag aannemen dat Lesages bekommernis om de democratie oprecht is, evenals zijn bedoeling om bij te dragen tot onderzoek naar mogelijke oplossingen voor de afgrondelijke geloofwaardigheidscrisis. Jammmer genoeg heeft Lesage in deze poging om zowel (in zijn ogen) extreem-rechtse als extreem-linkse critici van de parlementaire democratie te ‘ontmaskeren’ de minst overtuigende aanpak gekozen.

Auseinandersetzung

Niet alleen omdat in zijn betoog meer dan eens duidelijk wordt dat hij kritiek op het parlementaire systeem ook meteen als een ‘aanval’ daarop beschouwt … wat niet bepaald getuigt van een kritische én onbevooroordeelde ingesteldheid. Niet alleen omdat hij zijn betoog ontwikkelt op zo ijle filosofische hoogten dat de lezer er duizelig bij wordt en meer dan eens het contact met de werkelijkheid dreigt te verliezen.

Maar vooral omdat de opeenvolgende hoofdstukken te vaak lezen als de hoogst persoonlijke Auseinandersetzung van Lesage met andere filosofen, die op de verhouding tussen de ‘Velen’ en de (parlementaire) democratie een verkeerde – pardon: andere dan Lesages – kijk hebben. Dat levert soms interessante bladzijden op en zeker een indrukwekkende uitstalling van Lesages omvangrijke en brede belezenheid, maar toch vooral veel méér nauwelijks verteerbare bladzijden die de kracht van het betoog eerder schaden dan steunen. Bij het begin van hoofdstuk één krijg je zowaar de indruk dat de auteur bewust lezers wil afschrikken en behoeden voor de taaie kost die hen te wachten staat.

Grof schematiserend zou je de hoofdstukken 4 tot en met 10 kunnen lezen als Auseinandersetzung met de opvattingen van respectievelijk Heidegger, Nietzsche, Aristoteles, Hobbes, Negri en Hardt, Mouffe en Laclau, Zižek en Rancière. En uiteraard passeren ook Plato, Machiavelli en Benjamin de revue, en krijgen Shelley en Brecht ettelijke pagina’s toegemeten. Aan namen geen gebrek, aan boeiende (maar nogal losse) cultuurfilosofische beschouwingen evenmin. Her en der duiken ook originele vonken op die tot nadenken stimuleren, maar die dan tot frustratie van de belangstellende lezer niet worden uitgewerkt. En wie in de ‘Tien stellingen’ aan het slot een heldere samenvatting verwacht van Lesages standpunten m.b.t. de parlementaire democratie, haar tekortkomingen en verdiensten, komt van een kale kermis thuis en blijft even verward achter.

Dus doet de plichtsgetrouwe recensent een poging om aan de hand van de twee kernbegrippen in de titel Lesages boodschap samen te vatten. Verschrikkelijk moeilijk is dat niet, want delen van die boodschap komen vaak genoeg terug; alleen vereist het geduld en oefening om de verschillende puzzle-stukken samen te brengen tot een duidelijk geheel. Nu ja, zoals onlangs iemand in een literatuurbijdrage opperde: een boek lezen mag ook hard werken zijn. En dat is het hier wel.

Wellicht zijn er lezers (v/m/x) die zich verlustigen in ellenlang uitgesponnen semantische beschouwingen; de anderen zullen als essentie wel onthouden dat Lesages concept ‘de Velen’ staat voor: heel veel mensen én steeds talrijker wordende minderheden die zich onvoldoende gehoord achten in het parlementaire systeem zoals het thans functioneert.

Maar tegenover kritiek van links en van rechts (die hij gemakshalve steeds als ‘extreem’ etiketteert) stelt Lesage dat niettemin dat parlement vooralsnog het beste kanaal vormt om de stem van die ‘Velen’ weerklank te geven. Hij waarschuwt dat men het kind niet mét het badwater mag weggooien. Lees: indien men aan de (relatief) stemlozen een luidere stem wil geven, mag de kritiek op de machteloosheid en/of de volksverlakkerij van het parlement er niet toe leiden dat het hele parlementaire systeem op de schop gaat.

Systeembehoudend

Bezadigde woorden zijn dat, en onmiskenbaar ook systeem-behoudende. Vermoedelijk besefte de nochtans zeer belezen Lesage – die elders oppert dat “representatie ook pacificatie betekent” – zelf niet hoe naadloos zijn betoog aansluit bij die leidraad bij uitstek voor verstandige conservatieven “il faut que tout change pour que tout reste la même chose“.

Overigens valt nergens een iets of wat bruikbare indicatie te bespeuren hoe die reddende radicalisering van het parlement dan in haar werk zou moeten/kunnen gaan. Dat is ook voorwoord-schrijver Rudi Laermans niet ontgaan, die de vraag “wat kunnen we hiermee?” beantwoordt met de troostende gedachte “In de directe zin van het woord: niets”. Want: het is nu eenmaal niet de taak van filosofische theorievorming om “van onmiddellijk nut te zijn”. Over de stelling van een andere en meer invloedrijke filosoof dat “de filosofen de wereld slechts op verschillende wijzen hebben geïnterpreteerd, maar dat het er op aankomt hem te veranderen” heeft Lesage dan ook zijn eigen, afwijkende mening.

Gelukkig kan de plichtsgetrouwe recensent die dit alles heeft gekauwd en herkauwd ook signaleren dat vaak de verleiding opduikt om uitvoerig in te gaan op stellingen (of als stellingen verhulde vooroordelen) die een boeiende discussie verdienen. Daarom is het des te frustrerender dat Lesage zich beperkt tot wat hij daarover zelf – en soms behoorlijk apodictisch – te vertellen heeft.

Er zou een veel omvattender analyse nodig zijn om min of meer ernstig in te gaan op zelfs maar een strenge selectie van voor-discussie-vatbare punten in zijn betoog … zoals bijvoorbeeld de ‘statofobie’ van sommige (voor Lesage extreem-) linksen, het verschil tussen de concepten ‘velen’, ‘menigte’ en ‘volk’, of het ontbreken van werkelijk essentiële politiekwetenschappelijke inzichten. Een recensie is daarvoor niet geschikt; maar wellicht ziet die analyse weldra elders het licht. Al zal ook dié wellicht vallen onder wat Lesage zo kritisch én o zo terecht schrijft: “radicaal discours is een surrogaat voor actie geworden”. Zeg dat hij het gezegd heeft.

Edi Clijsters

Dieter LESAGE, Het parlement en de velen. Pleidooi voor een radicale democratie, Berchem, EPO, 2022; 317 pp.
Dieter LESAGE
EPO, Berchem
2022
317
Deel dit artikel

Visited 191 Times, 1 Visit today

Andere boeken