Racisten vinden elkaar altijd en overal…

Het is ‘bon ton’ de dag van vandaag: van Parijs tot Brussel slaat het antisemitisme weer toe. Deze keer geen bruinhemden of groezelige negationisten. Nee, de moderne antisemieten hebben het op de staat Israël gemunt. Wie zich kritisch opstelt tegenover Israël en oproept tot concrete actie tegen de Israëlische bezetting en kolonisatie van de Palestijnse gebieden, tegen de genadeloze oorlog die de Israëlische generaal en premier, Ariel Sharon, voert tegen het Palestijnse volk, loopt het risico van antisemitisme te worden beschuldigd.

Op 18 oktober zat ik tegenover professor Marc Cogen in het VRT-programma ‘Nachtwacht’. Deze hoogleraar internationaal recht kwam met een verrassende psychoanalytische argumentatie voor de dag om mijn ‘virulente’ kritiek op de staat Israël te verklaren. Volgens Cogen ben ik een Europeaan en dus draag ik het collectieve schuldgevoel van alle inwoners van het oude continent op mijn schouders. Europeanen voelen zich nog steeds schuldig voor het antisemitisme en het kolonialisme van hun grootouders en dat wordt dan maar afgereageerd op de staat Israël. Of hoe een hoogleraar de wereld op zijn kop kan zetten…

"Europees schuldgevoel"

In mijn betoog tijdens ‘Nachtwacht’ had ik – om snel te resumeren – Israël een koloniale, racistische en militaristische staat genoemd. Ik had het over de stelselmatige discriminatie van de Palestijnen. Ik stipte terloops even aan dat er twee wetten bestaan waaruit duidelijk blijkt hoe racistisch de staat Israël is en hoe de Palestijnen gediscrimineerd worden als tweederangsburgers. Er is de wet op de terugkeer. Elke jood, waar ook ter wereld, heeft het recht op terugkeer en kan zonder meer Israëlisch staatsburger worden. De Palestijnen daarentegen, die in 1948 uit hun dorpen en steden zijn verjaagd, hebben dat recht niet, ook al bestaat sinds 1948 de resolutie 194 van de Verenigde Naties, waarin het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen wordt gegarandeerd.

Een andere Israëlische wet schrijft voor dat "alle grond die ooit eigendom was van joden, onvervreemdbare eigendom van het joodse volk blijft". In Israël is 92% van de grond in handen van de staat, de Zionistische Wereldorganisatie of van individuele joodse burgers. Geen enkele Palestijn, ook al beschikt hij over het Israëlische staatsburgerschap, mag of kan grond kopen van een jood. Het zijn slechts twee, maar wel heel sprekende, voorbeelden van het racistische karakter van de staat Israël.

Op de televisie gelden strikte beleefdheidsregels. In een programma als ‘Nachtwacht’ onderbreek je niet zo maar een gesprekspartner. En dus kon professor Cogen rustig poneren dat ik en anderen ons tegen de staat Israël afzetten, om ons te "bevrijden" van het racistische en koloniale verleden van Europa en het daaruit voortvloeiend collectief schuldgevoel.

Een kolonialistisch credo

Toevallig hebben ik en die vele anderen onze eerste stappen in het politiek engagement gezet in de strijd tegen het kolonialisme. De oorlog in Vietnam, Laos en Cambodja; de bevrijdingsstrijd van de volkeren in de toen nog Portugese kolonies Angola, Mozambique, Guinée-Bissao en de Kaapverdische Eilanden; de anti-koloniale oorlog van de zwarten tegen het blanke minderheidsregime van Ian Smith in Rhodesië (nu Zimbabwe), de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika.

Terwijl professor Cogen zijn specialiteit internationaal recht inruilde voor de psycho-analyse, moest ik uiteraard denken aan het kolonialistische credo van Theodor Herzl, de grondlegger van de zionistische beweging. In zijn eerste politieke manifest "Der Judenstaat" schreef hij in 1897 dat de toekomstige joodse staat "voor Europa een bruggenhoofd in Azië en een bolwerk van de beschaving tegen de barbarij" zou zijn. Kolonialer kan het nauwelijks. In een artikel in Vrij Nederland stelde de Belgische, joodse historicus, Marcel Liebman, op 2 december 1978: "Israël, dat is de revanche van het vernederde Europa op de Derde Wereld, dat is de kleine Europeaan die de kamelendrijver een lesje geeft."

Eichmann in Palestina

Liebman sloeg spijkers met koppen. De leiders van de zionistische beweging (en later van de staat Israël) zijn altijd uitstekende maatjes geweest met aanhangers van de racistische en koloniale ideologie.

Toen de meerderheid van joodse organisaties in de jaren dertig opriep tot een economische boycot van nazi-Duitsland, richtte het zionistische "Joodse Agentschap" in Palestina een bijzondere commissie op, die de problemen van de joden in Duitsland moest onderzoeken. De commissie trok een wel erg vreemde conclusie. David Ben Goerion, de latere premier van de staat Israël, zag het zo: "Het is niet de taak van de commissie om te ijveren voor de rechten van de joden in Duitsland. De commissie moet zich enkel bezighouden met het probleem van de Duitse joden, in zo verre ze naar Palestina kunnen emigreren."

Enkele dagen na de beruchte Kristallnacht (9-10 november 1938) verklaarde Ben Goerion: "Als men mij voor de keuze stelt en zegt dat ik alle kinderen in Duitsland kan redden door ze naar Engeland te laten vertrekken of dat ik slechts de helft kan redden wanneer ik ze naar Eretz Israël laat komen, kies ik voor de tweede mogelijkheid. Want we moeten niet alleen het leven van deze kinderen in overweging nemen, maar de toekomst van het volk Israëls."

In 1937 was Adolf Eichmann, de SS-Obersturmbannführer die later de belangrijkste verantwoordelijke zou worden voor de "Endlösung", de massale uitroeiïng van de Europese joden, te gast op het twintigste congres van de zionistische beweging. Nog in 1937 bracht hij een bezoek aan de zionistische kolonies in Palestina. Zijn verblijf was van korte duur, want de SS’er werd door de Britten opgepakt en het land uitgewezen. Eichmann zag de massale emigratie van joden naar Palestina en de oprichting van een joodse staat op dat ogenblik als een "oplossing voor het joodse vraagstuk". En de zionistische leiders zaten op dezelfde golflengte. In haar boek "Eichmann in Jeruzalem" vatte de Duits-Amerikaanse, joodse filosofe Hannah Arendt dit kernachtig samen: "In de beginjaren van het nazisme interpreteerden de zionisten de machtsovername door Hitler als een "beslissende nederlaag voor het assimilationisme". En daarom konden ze, toch voor een tijdje, een zekere samenwerking met de nazi’s nastreven zonder zich schuldig te voelen. Ook de zionisten geloofden dat "dissimilatie"gekoppeld aan de emigratie naar Palestina "een wederzijds aanvaardbare oplossing" kon zijn. Zij dachten dan vooral aan jongeren, en hopelijk ook kapitalisten. In die eerste jaren van het nazisme kwam het tot een wederzijds akkoord waar beide partijen tevreden over waren, het Ha’avara- of transfertakkoord, dat het voor een joodse emigrant mogelijk maakte om zijn kapitaal naar Palestina over te hevelen. Hij nam Duitse goederen mee en verkocht ze in Palestina voor ponden… Het resultaat was dat in de jaren dertig, toen de Amerikaanse joden een boycot tegen Duitse goederen trachtten te organiseren, Palestina als enige uitzondering overspoeld werd met producten made in Germany."

Het Ha’avara-akkoord werd door de joodse organisaties wereldwijd heftig op de korrel genomen. Moshe Sharett, de latere premier van de staat Israël, verdedigde – niet zonder cynisme – de deal tussen zionisten en nazi’s: "Er bestaat hier een conflict tussen de diaspora en Eretz Israël en het is het lot van het zionisme om telkens als de belangen van de joodse staat dit vragen wreed te zijn tegenover de diaspora."

Broederbanden met de apartheid

De zionisten hebben ook altijd iets gehad met de apartheid in Zuid-Afrika – na nazi-Duitsland, de meest verfoeilijke racistische staat die er ooit heeft bestaan. Israël is – vooral na 1967 – een van de belangrijkste wapenleveranciers geweest van de apartheid. In 1981 kwam Ariel Sharon de huidige premier – toen minister van Defensie in een Likoedregering – in Walvisbaai aan. De Israëlische generaal wilde er absoluut bij zijn toen de Zuid-Afrikaanse troepen aan hun invasie tegen het buurland Angola begonnen. Sharon kickt op militaire invasies. Een jaar later viel hij met 100.000 soldaten van land-, lucht- en zeemacht Libanon binnen.

Maar de liefde van de zionisten voor de blanke racisten in Zuid-Afrika was al veel ouder. Chaïm Weizmann, één van de belangrijkste leiders van de zionistische beweging en de eerste president van de staat Israël, was sinds 1917 erg goed bevriend met generaal Jan Christian Smuts, premier van de in 1910 opgerichte Zuid-Afrikaanse Unie en één van de ferventste pleitbezorgers van het blanke racisme in Zuid-Afrika. Het is een vriendschap voor het leven, die stand zal houden tot 11 september 1950, de dag dat generaal Smuts overleed op zijn boerderij in Irene.

Generaal Smuts ging er prat op dat hij in 1917 een cruciale rol had gespeeld bij de goedkeuring van de Balfour Declaration. Smuts was op dat ogenblik lid van het Britse oorlogskabinet, ook al was hij Zuid-Afrikaan. Met deze verklaring van minister van Buitenlandse Zaken Lord Balfour (gesteund door premier Lloyd George) kregen de zionisten in Palestina de steun van Londen in hun streven naar "een joods nationaal tehuis". Dat Groot-Brittannië op dat ogenblik strikt genomen geen enkel mandaat had over Palestina (dat nog steeds een provincie van het Ottomaanse rijk was) kon Smuts en Balfour weinig deren. Blanke Europeanen hadden nu eenmaal het recht over andere volkeren te beschikken. Het behoorde tot de gangbare politieke zeden van het koloniaal imperium om het grondgebied van andere volkeren naar believen te verdelen, te veroveren en te bezetten.

Tijdens een galadiner, dat hem door de zionistische organisaties op 17 juli 1930 in het New Yorkse hotel Ritz-Carlton werd aangeboden, hield generaal Smuts een redevoering. En hij deed bijzonder lyrisch over de steun van Zuid-Afrika aan zijn goede vriend Chaïm Weizmann en de zionistische onderneming in Palestina. "In Zuid-Afrika zijn alle joden zionisten en alle christenen zijn pro-zionistisch," verzekerde Smuts. "Met uw redevoeringen, die u zo pas heeft gehouden, richt u zich niet alleen tot mij, maar tot een heel volk, een heel land, dat niet alleen in woorden het zionistische streven steunt, maar ook met daden – met financiële bijdragen en een niet aflatende steun aan de zionistische zaak. Er is een merkwaardig feit, dat slechts weinigen kennen en dat daarom in de openbaarheid moet worden gebracht: het land dat na de Verenigde Staten de grootste financiële bijdrage levert aan het zionistische project, is Zuid-Afrika."

In 1931 bracht Chaïm Weizmann op uitnodiging van zijn vriend generaal Smuts een bezoek aan Zuid-Afrika. Zijn reisindrukken zijn van een navrant racisme. Zo merkte hij na een safari in het Krugerpark op: "Hier voelen de dieren zich thuis, dacht ik, in een gebied iets kleiner dan Palestina en ze hebben hier geen Arabierenprobleem. Het moet prachtig zijn om een dier in een Zuid-Afrikaans wildreservaat te zijn." Of het ook prachtig was om in Zuid-Afrika kleurling of zwarte te zijn, was een vraag die bij Weizmann niet eens opkwam…

De broederband tussen de zionisten en de ideologen van de apartheid zou bijzonder stevig blijven. Ernst Bergman, de vader van het Israëlische atoomprogramma, stelde in 1968 tijdens een voordracht voor het Zuid-Afrikaanse Instituut voor Internationale betrekkingen de samenwerking tussen het apartheidsregime en de zionistische staat heel aanschouwelijk voor: "Wij kunnen ons gemeenschappelijk probleem als volgt samenvatten: geen van ons beiden heeft buren waarmee te praten valt of waarmee in de nabije toekomst te praten zal vallen. Beiden zitten we in een geïsoleerde positie. Laten we dan maar met elkaar gaan praten…" En het bleef niet alleen bij praten. Israël en Zuid-Afrika werkten in de jaren zeventig met succes aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke atoombom.

Anti-racisme en literatuur

Het Zuid-Afrika van Verwoerd, Botha en De Klerk en de staat Israël van Ben Goerion, Golda Meïr, Menachem Begin of Yitzhak Rabin en Shimon Peres… Zionisme en apartheid… Het kwam me allemaal weer glashelder voor de geest toen ik onlangs de vergeten en vreselijk onderschatte roman "Buckingham Palace. District Zes" van de zwarte Zuid-Afrikaanse auteur, Richard Rive herlas. Het is een meesterwerk van de Afrikaanse literatuur, waarin de gruwel van de apartheid met een lach en een traan wordt beschreven. Rive neemt ons mee naar het District Zes in Kaapstad, waar hij zelf zijn jeugdjaren doorbracht. De inwoners – zwarten, kleurlingen, enkele minder begoede blanken (een Italiaanse kruidenier en een joodse huisjesmelker) – zijn allemaal verschoppelingen van het apartheidsregime. Vijf krakkemikkige huisjes krijgen van de inwoners de naam "Buckingham Palace". Een stel jonge, zwarte werklozen, die wat bijklussen met gauwdieverij en andere activiteiten die het daglicht niet verdragen, betrekken een krot, dat ze in felroze schilderen en van een naambord voorzien: "Winsor Park" (zo was het gespeld). Miss Mary, de dochter van een zwarte dominee, is in District Zes de bazin van de "Casbah", een hoerenkast met weinig standing, waar zeelui aan hun trekken komen.

District Zes is een ellendig, maar levendig en multicultureel nest. De mensen die er wonen vormen een echte gemeenschap, waar het er weinig toe doet of men christen, hindoe of moslim is. Het leven in District Zes is best aangenaam, tot op de dag dat het apartheidsregime beslist het district uit te roepen tot blank gebied. De bewoners moeten er weg en zullen moeten oprotten naar één van de vreselijke townships in de buurt. Samen met de plaatselijke dominee overleggen ze hoe ze zich tegen het uitwijzingsbevel kunnen verzetten. Op de ultieme vergadering verschijnt ook Katzen. Voor de zwarten en kleurlingen in het district een schertsfiguur: een winkelier die alles verkoopt (tot en met statieportretten van de Briste koning, George VI) en een huisjesmelker. De bewoners van "Buckingham Palace" en "Winsor Park" zijn behoorlijk aangeslagen. De oude, zieke, joodse winkelier, Katzen, komt hen een hart onder de riem steken.

En hij vertelt zijn levensverhaal: "Waar zal ik beginnen? U kent me allemaal als Katzen zonder meer, die gierige jood die een winkel heeft aan Hanover Street en altijd bij u om de huur zeurt. Maar mijn volledige naam is Solomon Katzen. Ik werd altijd Solly genoemd toen ik opgroeide in het dorpje Veckerhagen in Duitsland. Dat ligt in Brunswijk, aan de rivier de Weser. Hebt u daarvan gehoord? Die schöne Weser. Daar ben ik geboren, nog voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. Mijn vader was een arme rabbijn met een kleine gemeente. Er waren maar weinig joden in het dorp, begrijpt u, en we hadden niet eens een echte synagoge. Ik ging naar de Volksschule in Gieselwerder, een paar kilometer verderop. Daar ging het wel, hoewel de andere kinderen ons soms uitscholden voor "vuile jood" en "Christusmoordenaar". Ja, natuurlijk deed me dat pijn, maar ik had al vroeg geleerd het niet te laten merken, zelfs niet als ze op me spuugden. Toen ik twintig was, stuurden mijn ouders me naar de universiteit in Hannover om voor advocaat te studeren. Zij waren arm, zoals ik al zei, maar ze wilden dat ik, hun enige zoon, het ver zou brengen. Ondanks de pesterijen was ik een goede leerling geweest en mijn vader zei altijd: "Solly, wees er trots op dat je een jood bent. Joden hebben hersens. Jij bent een jood en je hebt hersens. Laat de gojim zien wat een joodse jongen kan doen." Ze hebben al hun spaarcenten erin gestoken om mij naar de universiteit te sturen."

"Untermenschen" en "Herrenvolk"

Iedereen zat gespannen te luisteren. Het was nooit bij ze opgekomen dat Katzen een verleden had, dat hij niet alleen maar Katzen heette, dat hij uit Duitsland kwam en rechten had gestudeerd aan een universiteit. Voor hen was hij nooit méér geweest dan Katzen, een lachwekkende figuur met zijn zwarte pak vol etensresten, dat hij altijd droeg, met zijn vormeloze schoenen, zijn dikke walrussnor, zijn witte haardos en zijn rafelige baard. Hij was altijd beschouwd als iets abnormaals in het District, als iemand die er nu eenmaal was, maar er niet thuishoorde.

"Toen werd in 1933 Adolf Hitler kanselier van Duitsland en het leven voor ons joden werd erg moeilijk. Er waren nog maar een paar joden op de universiteit en ik had maar één niet-joodse vriend, Dieter Reinecke, die ook rechten studeerde. We maakten altijd lange wandelingen langs de Weser, Dieter en ik, langs de mooie dorpjes Holzminden en Rühle naar Hamelen. Geen van de andere niet-joden op de universiteit ging met me om, en ze probeerden Dieter over te halen mij te laten vallen. Toen dat hen niet lukte, vertelden ze rond dat hij een half-jood was.

In het begin probeerden ze ons met geweld van de universiteiten en uit de vrije beroepen te verwijderen. Maar toen dat niet genoeg bleek, vaardigden ze wetten uit. Waarom vaardigen mensen meer wetten uit naarmate ze banger worden? Mensen met zelfvertrouwen hoeven niet zo veel wetten uit te vaardigen. U hebt gehoord van Nürnberg? Hoe heet dat hier? De wetten van Neuremberg. Die wetten ontnamen ons onze burgerrechten, of wat daar nog van over was. Wij werden "Staatsangehörige", onderdanen, mensen die geen kiesrecht hadden, mensen die niet mochten meepraten met de regering. Wij hadden geen kiesrecht. We konden niet trouwen met niet-joden. Er was een wet die dat onzedelijk en onrechtmatig verklaarde. Dat was de wet ter bescherming van het Duitse bloed en de Duitse eer. Als wij met een niet-jood trouwden, waren we in overtreding. Wij mochten niet meewerken aan de totstandkoming van de wetten. Niemand had ons geraadpleegd over de wetten waaronder wij leefden. Begrijpt u me?"

"Ik was lang voor mijn laatste examen weggegaan van de universiteit. Dat was beter. De professoren en de studenten maakten ons het leven zuur. Wie kon wegkomen, verliet Duitsland. De oudste broer van mijn vader slaagde erin naar jullie land te komen, naar Johannesburg. Hij drong erop aan dat wij ook kwamen. Mijn ouders wilden wanhopig graag dat ik naar hem toe ging. Ze zeiden dat ik jong en sterk was en een nieuw leven in een nieuw land kon beginnen. Ze konden zelf niet besluiten het land te verlaten, hoewel de situatie onhoudbaar werd. Ziet u, ze konden zichzelf alleen als Duitsers zien en ze hielden van Duitsland, ondanks de manier waarop het hen behandelde.

Ik zelf wilde absoluut niet weg en deed allerlei werk, voor zo ver ik het kon vinden. Ik was kruier op het station in Löhne, ik was krantenventer, ik pakte kisten in bij een bedrijf in Holzminden. Wat ik maar kon, om een paar mark te verdienen om in leven te blijven. Wij mochten niet meer op de scholen en de universiteiten verschijnen, de vrije beroepen waren voor ons verboden. Ze beschouwden ons als Untermenschen – minder dan menselijk. Toen kwam de Nacht van het Gebroken Glas, de Reichskristallnacht. Een jood in Parijs, zeiden ze, had op de ondersecretaris van de Duitse ambassade geschoten en hem gedood. Dat gebruikten ze als voorwendsel voor de vreselijkste pogroms. Mijn ouders werden gearresteerd, samen met duizenden andere joden in heel Duitsland. Mijn moeder en vader werden eerst naar het concentratiekamp Natzweiler gestuurd, maar later zijn ze vergast in Auschwitz. Ik dook een tijdlang onder bij Dieters familie en slaagde er toen in te vluchten naar Nederland, en vandaar hebben ze me naar Engeland gesmokkeld. Veel later heb ik gehoord dat Dieter ook in Auschwitz is omgekomen. In de oorlog heb ik als tolk voor de Britse inlichtingendienst gewerkt. Misschien spreek ik daardoor zo goed Engels en had ik daarom al die foto’s van koning George VI, weet u nog?"

"Het is heel raar voor mij. In Duitsland behandelden ze mij als Untermensch. Hier dwingen ze me deel uit te maken van het Herrenvolk. Maar ik kan niet vergeten wat ze ons in Duitsland hebben aangedaan. Dus is mijn hart bij alle Untermenschen, wie ze ook zijn, waar ook ter wereld."

De roman van Richard Rive zou verplichte literatuur moeten worden… overal, maar vooral in de Israëlische scholen.

(Uitpers, nr. 48, 5de jg., december 2003)

Richard Rive, ‘Buckingham Palace’, District Zes’, Derde Spreker Serie, Ambo, Baarn; NOVIB, Den Haag; NCOS, Brussel, 1988, 183 blz.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 59 Times, 1 Visit today