Profijt über alles

Op 8 mei was het 65 jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog officieel werd beëindigd in Europa. Het fascisme was verantwoordelijk voor miljoenen oorlogsslachtoffers en voor de politiek van systematische uitroeiing van joden, zigeuners, communisten. De oorlog tegen Japan bleef nog lang genoeg voortduren om de atoombom in de praktijk te kunnen uittesten. De officiële geschiedschrijving geeft een enorm gewicht aan de Amerikaanse invasie, en minimaliseert de rol van het Sovjet-leger. Nazi-Duitsland krijgt wel een groot vijandbeeld aangemeten, maar was de elite in de VS wel werkelijk zo anti-nazi?

Fans van de Führer

Toen de geallieerde soldaten in 1944 in Normandië aan land kwamen stelden ze tot hun verbazing vast dat de veroverde Duitse voertuigen en pantsers geproduceerd waren door Amerikaanse bedrijven zoals Ford en General Motors. Kennelijk leverden Amerikaanse bedrijven het wapenarsenaal voor de nazi’s. In de jaren 1920 en 1930 was het voor de Amerikaanse zakenwereld nog niet duidelijk welke kant Hitlers nationaal socialistische ideologie zou uitgaan. Maar vooraanstaande Amerikaanse industriëlen zoals Ford hadden bewondering voor de ‘jonge’ Hitler. Andere Amerikaanse sympathisanten waren o.a. persmagnaat Randolph Hearst en Irene Dupont van de Du Pont trust, die beiden al in de jaren 1920 financiële steun verschaften aan Hitler. Edwin Black legt in zijn boek ‘IBM en de Holocaust’ uit dat IBM baas, Thomas J. Watson, Hitler verschillende keren ontmoette in de dertiger jaren en zeer onder de indruk was van het autoritair beleid van de nieuwe Duitse leider. Amerikaanse zakenlui zagen vooral de politieke sfeer, die zeer voordelig was voor de winsten van de zakenwereld, als positief.

In de jaren twintig werden in Duitsland grote investeringen gedaan door Amerikaanse ondernemingen. IBM opende er al voor Wereldoorlog I (WOI) een dochtermaatschappij DEHOMAG. In 1920 nam General Motors het grootste Duitse autobedrijf ADAM OPEL AG over en Ford opende een filiaal, dat gekend was onder de naam FORD-WERKE, in Keulen. Andere belangrijke Amerikaanse bedrijven sloten partnerschappen met Duitse bedrijven zoals onder andere Standard Oil (nu Exxon) uit New Jersey met de Duitse trust IG Farben. Begin van de jaren dertig had het kruim van de grootste Amerikaanse ondernemingen samenwerkingsakkoorden met Duitse bedrijven. Verschillende juridische zakenbureaus, investeringsmaatschappijen en banken waren betrokken bij het Amerikaans investeringsoffensief in Duitsland, onder andere het vermaarde Wall Street advocatenkantoor Sullivan & Cromwel en de banken J.P. Morgan en Dillon Read and Co, alsook de Union Bank of New York, eigendom van Brown Brothers & Harriman. De Union Bank had nauwe banden met het Duitse imperium van staalmagnaat Thyssen die de kas van Hitler rijkelijk spijsde. Deze bank werd geleid door Prescott Bush, de grootvader van G.W. Bush, die een vurige supporter was van Hitler en financiële steun verleende via Thyssen, wat hem als wederdienst toeliet grote winsten te maken door zaken te doen met nazi-Duitsland.

Loonslaven

Nazi-Duitsland is in de eerste plaats gekend voor de systematische uitroeiing van joden in Duitsland en in de bezette gebieden. Hitler trad ook bijzonder brutaal op tegen zijn opposanten, de communisten en andere democraten. Hij ontbond de vakbonden en kraakte de arbeidersbeweging door de militanten op te pakken en in concentratiekampen op te sluiten. Het resultaat was dat de werkende bevolking tot een massa van onderdanige volgelingen werd gekneed. Dit creëerde voor de Duitse industrie en haar Amerikaanse vennoten een uiterst gunstige situatie. Ze konden namelijk volop beschikken over karig betaalde en volgzame arbeiders die de productiekosten verlaagden en de winsten vergrootten. De Amerikaanse industriëlen zagen wel in dat de bewapeningspolitiek van Hitler onvermijdelijk tot oorlog zou leiden. Maar waarom zou men zich zorgen maken om oorlog als die enorme winstmogelijkheden creëert? Een Duitse oorlogsmachine die op zoek zou gaan naar ‘lebensraum’ in het oosten, was helemaal geen probleem voor de VS-elite. De bedrijfswereld in de Westerse landen, met de Verenigde Staten op kop, verafschuwde de Sovjet-Unie als de bakermat van het communisme, die de internationale kapitalistische machtsorde wilde verstoren.

Voor zijn oorlogen had Hitler een uitgebreide logistieke uitrusting nodig, tanks, vrachtwagens, vliegtuigen, motorolie, petroleum, rubber en gesofistikeerde communicatiemiddelen. Een groot deel van deze uitrusting werd geleverd door Amerikaanse bedrijven en hun dochtermaatschappijen in Duitsland, Ford Werke en General Motors. Eind de jaren dertig schakelden deze bedrijven hun civiele activiteit om naar de productie en ontwikkeling van militair materieel voor de ‘Wehrmacht’ en de ‘Luftwaffe’. Toen de oorlog reeds volop aan de gang was werd nazi-Duitsland qua petroleumproducten vooral via Spaanse havens bevoorraad door Texaco maar ook door Standard Oil. Tijdens de jaren dertig hielp het Amerikaanse Standard Oil, haar Duitse partner IG Farben om een synthetische brandstof te ontwikkelen zodat Duitsland niet uitsluitend afhankelijk zou zijn van geraffineerde aardolie. Albert Speer, de bewapeningsminister van Hitler, gaf toe dat deze synthetische brandstof de Duitse troepen toeliet Polen binnen te vallen en de Blitzkrieg uit te voeren.

Profijt über alles


Om het tekort aan werkkrachten tijdens de oorlogsjaren op te vangen werden burgers uit de bezette landen naar Duitsland gedeporteerd om er in de bedrijven onder onmenselijke voorwaarden te komen werken. Verschillende honderdduizenden krijgsgevangen, Sovjet-soldaten en gevangenen uit de concentratiekampen, werden als slaven te werk gesteld. Met harde hand zorgde de SS ervoor dat de werkdiscipline in de productie gewaarborgd bleef. Dit liet de bedrijfswereld toe enorme winsten te realiseren. Ook de Duitse dochteronderneming van Ford maakte gebruik van deze loonslaven. In de VS deden de moedermaatschappijen ondertussen hun best om de burgers van hun Amerikaans patriottisme te overtuigen. General Motors subsidieerde bijvoorbeeld anti-Duitse posters in de VS, maar in nazi-Duitsland zelf was het een onderdeel van de wapenproductie voor de oorlog van Hitler. In 1940 wilde de Amerikaanse bedrijfswereld niet dat Hitler deze oorlog zou verliezen, maar evenmin dat hij hem zou winnen. Ze wilde alleen dat deze oorlog zo lang mogelijk zou duren, zodat men kon blijven leveren aan alle partijen. De aandeelhouders van de moederbedrijven in de VS waren niet geïnteresseerd in de aard van de producten van hun Duitse dochterondernemingen. Het enige wat voor hen telde was de winst en de garantie dat die winst niet naar de Duitsers zelf zou gaan. Om de winstuitkeringen naar Amerika door te sluizen werd handig gebruik gemaakt van allerlei listen en boekhoudkundige trucs. De hoofdzetel van IBM in New York factureerde aan DEHOMAG regelmatig royalty’s, of men schreef terugbetalingen in van gecontracteerde leningen aan het moederbedrijf, enz. Een andere manier om de winst in handen te houden, was opnieuw te investeren. Ford gebruikte de winst van haar dochtermaatschappij in Frankrijk om een bedrijf te bouwen in Oran (Algerije) dat pantserwagens en tanks produceerde voor het Afrika-korps van de Duitse generaal Rommel. Amerikaanse banken (Chase Manhattan van het Rockefeller-imperium) en Standard Oil, gebruikten hun Duitse filialen in Parijs om via Zwitserland met de BIS (Bank for International Settlements) het geld naar de VS te sluizen.

Men kan niet over het fascisme en het nazisme praten zonder het te hebben over de rol van het kapitalisme tijdens de jaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het ‘derde rijk’ van Hitler was een monsterlijk systeem maar opereerde met de steun en de zegen van de top van de zakenwereld. Zelf na de tweede wereldoorlog werkte het kapitalisme, vooral het Amerikaanse, gezellig verder met fascistische regimes in landen zoals Spanje, Portugal, Griekenland en Chili, en steunde het actief vele rechtse bewegingen, waaronder de doodseskader in Latijns-Amerika, Afrika en elders.

(Uitpers nr. 121, 11de jg., juni 2010)


Dit artikel is een uittreksel uit een langere tekst die binnenkort als websitedossier op www.vrede.be zal te lezen zijn. Deze tekst verscheen eerder in Vrede. Tijdschrift voor internationale politiek, nr. 403, mei-juni 2010, blz. 10-11.

Bron: Profits über alles – American Corporations and Hitler – Dr Jacques R. Pauwels, auteur van o.m. “Big business met nazi-Duitsland” en “De mythe van de goede oorlog”

Visited 132 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook