Privatisering bezetting Irak deel van Amerikaans-Britse exit-strategie

De omvang van de catastrofe die de machtige rechtse groepen rond de Amerikaanse president George Bush in Irak hebben ontketend, doet de druk op Washington en Londen toenemen om tenminste een deel van hun bezettingsleger terug te halen. Maar tegelijk neemt de omvang toe van de privé-legers die beide regeringen sinds hun invasie in Irak in 2003 inhuren.

Er zijn nu zowat 48.000 manschappen van private “veiligheids”-bedrijven (in gewone taal huurlingen) in het bezette land, waarvan ongeveer 21.000 Britten. Amerikaanse senatoren noemen dit “het grootste privé-leger ter wereld”. Het lijkt er aldoor méér op dat die privatisering van de bezetting deel uitmaakt van de zogeheten exit-strategie die Washington en Londen onder druk van de publieke opinie en een deel van hun topgeneraals moeten voorbereiden: meer regeringstroepen out, meer huurlingen in.

Twee recente bloedige incidenten vestigen opnieuw de aandacht op het optreden van dit discrete privé-leger van de door Washington en Londen ingehuurde “veiligheids”-firma’s. Op 16 september 2007 schoten huurlingen van de Amerikaanse “veiligheids”-firma Blackwater in Bagdad 17 Iraakse burgers dood (volgens andere bronnen, zoals de Britse krant The Independent, stierven minstens 28 burgers onder de kogels van Blackwater). Korte tijd later, op 9 oktober 2007, schoten mannen van een andere “veiligheids”-firma, Unity Resources Group (URG), in Bagdad twee vrouwen dood en verwondde ze twee andere Iraakse burgers.

Het waren maar enkele van de talloze incidenten waarbij door buitenlandse regeringen ingehuurde privé-agenten Iraakse burgers oppakken, “ondervragen” (zoals in Abu Ghraib) en ombrengen. Volgens een rapport van het Amerikaans Congres, dat gepubliceerd werd na de Blackwater-moordpartij op 16 september, was de “veiligheids”-firma sinds 2005 betrokken bij 195 schietpartijen in Irak (gemiddeld 1,4 per week). John Negroponte, voormalig Amerikaans ambassadeur in Irak, zei dat Blackwater van januari tot 18 september dit jaar 56 keer gebruik maakte van zijn wapens.

Tot de moordpartijen die de grote media haalden, behoort de beschieting van sjiitische burgers in Najaf door Blackwater-agenten in april 2004. De sjiitische burgers waren bij het Amerikaans bezettingshoofdkwartier komen protesteren toen Blackwater-bewakers het vuur openden. Dat gebeurde zo frenetiek, dat de huurlingen volgens ooggetuigen om het kwartier hun wapens moesten laten afkoelen. Op een video van de moordpartij die op het internet kwam, beschreef een van de huurlingen de Irakezen die hij neerschoot als “fuckin’ niggers”.

Blackwater is er ook van beschuldigd dat het een van de bloedigste gevechten van de bezetting van Irak heeft uitgelokt door in maart 2004 een onvoorbereide groep van “veiligheidswachters” Fallujah binnen te sturen. De beschuldiging is op 27 september 2007 geuit door een onderzoek van het Amerikaans Congres. De vier man tellende groep van Blackwater werd in Fallujah, een haard van verzet tegen de Amerikaans-Britse bezetting, gedood, de beelden van hun verminkte lijken gingen de wereld rond. De Amerikaanse strijdkrachten “reageerden” in maart en april 2004 met de “inname” van Fallujah, waarbij 36 Amerikaanse militairen en officieel 200 opstandelingen en ongeveer 600 burgers werden gedood.

Washington, en andermaal in zijn zog de meeste media, hadden het aanvankelijk over vier burgers (civilian contractors) die door “resten van het Baathregime” (van Saddam Hoessein) of “al-Qaeda” waren omgebracht. Het Congres laakte Blackwater ook omdat de “bewakers” onvoldoende waren, voorbereid en uitgerust, en omdat het bedrijf het onderzoek heeft tegengewerkt. De familie van de vier gedode huurlingen dienden in januari 2005 een klacht in tegen Blackwater: volgens hen heeft kostenbesparing geleid tot de dood van de vier.

De “veiligheidsfirma” URG, die op 9 oktober de twee Iraakse vrouwen doodschoot, kwam al in opspraak door onder meer het ombrengen in maart 2004 van de 72-jarige professor Kays Juna in Bagdad.

Na de moordpartij van 16 september jl. in Bagdad eiste de Iraakse regering dat Washington Blackwater uit Irak weghaalt en de rol van alle privé-“beveiligingsfirma’s” in Irak onderzoekt. Maar Blackwater bleef, wat nog eens toonde dat het regime in Bagdad moet buigen voor de bezetter van wie het afhangt. Uiteindelijk eiste Bagdad 8 miljoen dollar schadevergoeding voor elk van de families van de slachtoffers van Blackwater (136 miljoen dollar in totaal) en vroeg het dat Washington een einde maakt aan zijn associatie met Blackwater. Een Amerikaans-Iraaks onderzoek is bezig.

Dat onderzoek verloopt allesbehalve onpartijdig. Het oorspronkelijk verslag van het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken over de moordpartij werd opgesteld door een man van Blackwater zelf, Darren Hanner, zo maakte de omroep CNN bekend kort voordat Blackwaterbaas Prince zou getuigen voor de onderzoekskommissie van het Amerikaans Congres. Een dag later bleek dat het FBI-team dat de moordpartij in Bagdad moest onderzoeken een contract had met Blackwater om de veiligheid van het onderzoek te verzekeren.

De Blackwater-huurlingen beschoten de burgers in Bagdad op 16 september zonder dat ze werden geprovoceerd. Blackwater-baas Erik Prince, een “born again christian” die tot de Seals, het elitekorps van de Amerikaanse marine behoorde, bleef aanvoeren dat zijn personeel reageerde op beschieting. Ook het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken hield vol dat de Blackwater-mannen het vuur openden uit zelfverdediging, reagerend op een bomexplosie en sluipschutters. Maar ooggetuigen (onder wie pro-Amerikaanse Koerden en Amerikaanse militairen die zeiden dat ze “walgden” van de moordpartij) bevestigden dat de Blackwater-huurlingen niet waren beschoten of bedreigd, en dat ze na de slachting gewoon vertrokken.

Berechting van de huurlingen moet niet worden verwacht. De eerste Amerikaanse onderkoning van Irak, Kissinger-pupil Paul Bremer, stelde in 2004 alle niet-Iraaks militair personeel en alle werknemers van de “veiligheidsfirma’s” vrij van vervolging in Irak door Order 17 van zijn Coalition Provisional Authority. Die maatregel bezorgde de huurlingen het gevoel van straffeloosheid en kwam in de praktijk neer op een “licence to kill”.

De 37-jarige Erik Prince, geldschieter van de Republikeinse Partij, vertrouweling van vader Bush toen die in het Witte Huis zat, bestuurslid van Christian Freedom International en mede-oprichter van Family Research Council en Focus on the Family, is de baas van de Prince Group, waarvan Blackwater een dochter is. Het huurlingenbedrijf zelf wordt geleid door Prince’s rechterhand Gary Jackson, eveneens een ex-Navy Seal. Prince heeft door zijn connecties een meer dan bloeiend bedrijf gemaakt van Blackwater, sinds hij dit in 1996 oprichtte. Dat gebeurde kennelijk niet zonder politieke corruptie, de helft van Blackwaters contracten met de federale overheid werden de voorbije zes jaar met weinig of geen concurrentie toegekend, zo blijkt volgens de Washington Post uit officiële documenten. Op tien jaar tijd heeft het bedrijf zijn inkomsten uit federale regeringsbron zien toenemen van minder dan 100.000 dollar tot 600 miljoen dollar vorig jaar, meldde de Washington Post nog. Het bedrijf beschikt over en vliegveld, een 60 meter lang schip en een luchtvloot van meer dan 50 vliegtuigen en helikopters (dezelfde privé-Blackhawk-helikopters die werden waargenomen toen ze Amerikaanse troepen afzetten voor een geheime operatie aan de grens van Irak met Iran?). In Irak heeft het bedrijf bijna 1.000 zwaarbewapende “veiligheids”-agenten, die volgens een zegsman van Blackwater gemiddeld 115.000 dollar per jaar verdienen.

De buitengewone groei van Blackwater zou niet mogelijk zijn geweest zonder het samenvallen van een reeks krachten zoals de politieke opkomst van christelijk-rechts, het door de overheid aangewakkerde onveiligheidsgevoel na 11 september 2001, en het streven van de regering-Bush om regeringsdiensten te “outsourcen” aan de privé-sector. Die privatiseringsdrang is in de neoliberale sfeer sinds de jaren 90 algemeen bij leiders in de westerse wereld, en droeg er sterk toe bij dat de sector van privé-“veiligheidsfirma’s” nu een globale industrie van 120 miljard dollar is geworden, vooral door de westerse interventies in Irak en Afghanistan.

Hoe men het ook draait of keert, de privé-bewakers zijn in essentie huurlingen. Zij voeren taken uit die tot onlangs voorbehouden waren voor de strijdkrachten van regeringen, wat waarborgen inhield voor discipline en het afleggen van verantwoordelijkheid. Maar de inzet van huurlingen houdt voor de Amerikaanse en Britse bezetters een groot voordeel in: die kunnen het aantal regeringssoldaten verminderen tot een minimum dat voor de controle over Irak nodig wordt geacht. Zeker nu de publieke opinie in eigen land steeds duidelijker beseft welke catastrofe Bush en zijn Britse helper Tony Blair in Irak en de regio hebben veroorzaakt, en terugtrekking van de soldaten vraagt. Een exit-strategie is het omzeilende antwoord van Bush en de Britse premier Gordon op die vraag. Privatiseren van de bezetting van Irak kan hen daarbij helpen en bovendien troepen vrijmaken voor Afghanistan en een eventuele operatie tegen Iran.

(Uitpers, nr 91, 9de jg., november 2007)

Blackwater is er ook van beschuldigd dat het een van de bloedigste gevechten van de bezetting van Irak heeft uitgelokt door in maart 2004 een onvoorbereide groep van “veiligheidswachters” Fallujah binnen te sturen. De beschuldiging is op 27 september 2007 geuit door een onderzoek van het Amerikaans Congres. De vier man tellende groep van Blackwater werd in Fallujah, een haard van verzet tegen de Amerikaans-Britse bezetting, gedood, de beelden van hun verminkte lijken gingen de wereld rond. De Amerikaanse strijdkrachten “reageerden” in maart en april 2004 met de “inname” van Fallujah, waarbij 36 Amerikaanse militairen en officieel 200 opstandelingen en ongeveer 600 burgers werden gedood.

Washington, en andermaal in zijn zog de meeste media, hadden het aanvankelijk over vier burgers (civilian contractors) die door “resten van het Baathregime” (van Saddam Hoessein) of “al-Qaeda” waren omgebracht. Het Congres laakte Blackwater ook omdat de “bewakers” onvoldoende waren, voorbereid en uitgerust, en omdat het bedrijf het onderzoek heeft tegengewerkt. De familie van de vier gedode huurlingen dienden in januari 2005 een klacht in tegen Blackwater: volgens hen heeft kostenbesparing geleid tot de dood van de vier.

Visited 5 Times, 1 Visit today

Tags :