Prille vriendschap tussen China en India is zeer fragiel

De Indiase eerste minister Manmohan Singh is duidelijk: ‘De bewering dat China en India concurrenten zijn is onjuist.’ De Chinese president Hu Jintao bevestigde deze stelling: ‘Onze economieën zijn complementair en samenwerking is de enige mogelijkheid.’ Op het eerste zicht lijkt de verstandhouding tussen de twee Aziatische titanen dus opperbest.

Vooral de economische relaties stemmen tot optimisme. Tussen 1995 en 2005 steeg het bilaterale handelsvolume van 1,2 naar 18,7 dollar. Het Chinese aandeel in de Indiase export verdrievoudigde. Analisten en overheidsexperts voorspellen dat de commerciële transacties tussen beide landen tegen 2010 zullen opklimmen tot 40 miljard en een vrijhandelsverdrag zou dit cijfer nog verder opwaarts moeten stuwen. De Indiërs lonken tevens naar Chinees kapitaal. Aswani Kumar, de energieke minister van Industrie hoopt tegen 2010 ruim 50 miljard aan investeringen uit de Volksrepubliek binnen te rijven. Vanuit dit perspectief hebben een aantal nieuwe grensoverschrijdende transportverbindingen meer dan een symbolische betekenis. De heropening van de Natu-La bergpas en de Stiwellroute moeten de economische betrekkingen verdiepen tussen een aantal geïsoleerde Chinese en Indiase gebieden.

Dat de samenwerking intenser wordt, moet ook blijken uit een aantal diplomatieke demarches. In 2003 reisde de toenmalige Indiase eerste minister Atal Vajpayee naar Peking om er te praten over de principes voor een nieuwe samenwerking. Het resultaat was een ambitieuze verklaring en de oprichting van verschillende overlegstructuren. Twee jaar later sloten India en China een strategisch partnerschap af dat zou bijdragen tot een ‘nieuwe wereldorde’. Tezelfdertijd ondertekenden India en China een verdrag over de afbakening van de grenzen en erkende Peking dat het gecontesteerde Himalajastaatje Sikkim deel uitmaakt van het Indiase grondgebied. Eerder al had New Delhi bevestigd dat het ‘stellig gekant was tegen elke poging om verdeeldheid in China te zaaien en Tibet van het moederland af te scheiden.’ Peking uitte zijn goedkeuring voor een permanente Indiase zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en stemde ermee in om zijn zuiderbuur een zitje te gunnen in de Shanghai Cooperation Organisation (SCO), een Centraal-Aziatisch overlegplatform waarvan Peking de voortrekker is.

Op diplomatiek niveau werden de historische spanningen dus grotendeels uitgewist. De twee beloftevolle grootmachten mikken bovendien samen op een multipolaire orde waarin zij hun invloed kunnen doen gelden.

Ook het leger heeft zich in het kielzog van de economische en diplomatieke toenadering geposteerd. In 1998 maakte India met een testlancering van een kernraket duidelijk dat het China viseerde als komende militaire rivaal. Amper vijf jaar later werden de eerste gemeenschappelijke manoeuvres op zee gehouden. In 2006 ondertekenden de Chinese en Indiase ministers van Defensie een principeakkoord over samenwerking op vlak van veiligheid. Dit voorziet ondermeer in gezamenlijke trainingsprogramma’s, de uitwisseling van defensiepersoneel en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme.

Vrijhandel en economische belangen hebben dus het pad geëffend voor diplomatieke en militaire samenwerking, zo blijkt. De twee demografische reuzen, samen goed voor zo’n 35 procent van de wereldbevolking, hebben dan ook alle baat bij economische groei en regionale stabiliteit. Het Ontwikkelingsfonds van de VN schat dat 1,4 miljard Indiërs en Chinezen nog steeds onder de armoededrempel van twee dollar per dag leven. Beide landen staan onder zware druk om nieuwe banen te creëren. Tegen 2025 zal hun gezamenlijke bevolking op beroepsactieve leeftijd nog eens met 230 miljoen krachten aangroeien. Dit komt bovenop op de 120 miljoen geregistreerde werklozen vandaag en de honderden miljoen kleine landbouwers die op hun minuscule veldjes amper kunnen rondkomen.

Competitie

De economische toenadering gaat echter voorbij aan een groot deel van de realiteit en dreigt op termijn onhoudbaar te worden. Ten eerste moet men zich vragen stellen bij de zogenaamde economische complementariteit. De recente toename van de bilaterale handel is voor het grootste deel te wijten aan de Indiase export van grondstoffen. De 17 miljard dollar extra handel sinds 1999 is voor 41 procent te danken aan de verkoop van Indiaas ijzer en voor 31 procent aan de handel in Chinese machines en elektronica. Op zich hoeft dit géén probleem te vormen. Beide landen verdienen er aan en China is maar wat blij dat India grondstoffen levert, ook al boekt het daarmee een klein handelsoverschot. Deze verhoudingen worden trouwens weerspiegeld in de totale exportcijfers van de twee. China specialiseert zich in de productie van goederen, India richt zich op grondstoffen en diensten zoals informatica. De kwestie is echter dat handel niet statisch is. In het huidige Vijfjarenplan en nog meer in de voorbereidende versie van het volgende, ambieert de Indiase overheid meer groei in de exportgerichte industrie. De grondstoffen- en dienstensectoren genereren immers veel te weinig banen. Sinds 2003 werden er aan de Indiase kust Speciaal Economische Zones opgericht naar het voorbeeld van Deng Xiaoping’s liberaliseringsoperatie in de jaren tachtig. Deze gebieden moeten de nieuwe economische groeimotor worden. Door een gooi te doen naar de productie van textiel, elektronica en auto’s dreigt India echter in het vaarwater van China te komen. Ook de Volksrepubliek zal de uitvoer van deze goederen hard nodig blijven hebben, zelfs al stijgt de binnenlandse vraag. Anderzijds doelt Peking nadrukkelijk op de dienstensector, technologie en informatica als nieuwe inkomstenbron. Nu reeds groeit de Chinese IT-sector sneller dan de Indiase. Het resultaat van deze evolutie ligt voor de hand: de arbeidsdeling vervaagt en de competitie om een deel van de wereldmarkt zal er alleen maar bitser op worden.

Deze trend heeft een aantal belangrijke implicaties voor de regionale economische samenwerking. Aanvankelijk werden regionale fora zoals de Associatie voor Zuidoost Aziatische Naties (ASEAN) en de Zuid Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC) vooral gepromoot door kleinere staten om zich te verenigen tegen opdringerige grootmachten en vervolgens om economisch sterker te staan op de wereldmarkt door de intra-regionale handel te stimuleren. Thans zijn het echter vooral India en China die het initiatief nemen. Enerzijds proberen zij hun invloed binnen de bestaande associaties te versterken teneinde zich toegang te verschaffen tot de lokale afzetmarkten en grondstoffenvoorraden. China wil met ASEAN bijvoorbeeld een vrijhandelsverdrag afsluiten en heeft zich via Bangladesh en Pakistan toegang verschaft tot de SAARC. India heeft met zijn ‘oostwaarts-politiek’ eveneens de ambitie om zijn goederen te slijten aan de ASEAN-landen. Anderzijds richten beide landen nieuwe economische samenwerkingsconstructies op om de omringende staten nog meer aan zich te binden. New Delhi is zo de drijvende kracht achter de BIMSTEC en het Mekong-Gangaproject. BIMSTEC kreeg in juli vorig jaar de gedaante van een vrijhandelsassociatie. Via het tweede tracht India de logistieke infrastructuur te verbeteren. Peking van zijn kant probeert binnen de SCO de Centraal-Aziatische grondstoffenproducerende landen het hof te maken. Vooral India is op het bilaterale niveau zeer actief om vrijhandelsakkoorden af te sluiten. Met Sri Lanka en Thailand werd reeds een overeenkomst onderhandeld. Gespreken zijn nog gaande met Mauritius, Bangladesh, Indonesië, Maleisië, Japan en de Zuid-Afrikaanse Douaneunie (SACU). Het economische multilateralisme in Azië dreigt door de aspiraties van India en China te ontaarden in een economische anarchie. Vooral via directe onderhandelingen met kleine economieën hopen de zwaargewichten hun positie in Azië te versterken.

Ook de veiligheidsagenda’s van beide landen zijn allesbehalve gelijklopend. De meest in het oog springende kwestie betreft Pakistan. Peking blijft India’s rivaal voorzien van moderne wapensystemen, waaronder onderzeebootjagers en gevechtsvliegtuigen. Er bestaan talrijke samenwerkingsprogramma’s op het gebied van training en inlichtingen. Vooral de persoonlijke banden van Chinese opperofficieren met Pakistaanse collega’s zijn sterker ontwikkeld dan die met de Indiase ambtsgenoten. Ook Myanmar is zo’n staat waar de veiligheidsbelangen botsen. Sinds decennia onderhoudt het Chinese Volksleger zeer nauwe contacten met de Tatmadaw, Myanmar’s reguliere krijgsmacht. Dankzij militaire, economische en diplomatieke steun zitten de generaals nog stevig in het zadel. Ook India heeft zijn zinnen gezet op het strategisch gelegen Zuidoost-Aziatische land. Sinds het midden van de jaren negentig heeft het de morele bezwaren ten aanzien van het regime aan de kant gezet, en gaat het voluit om de Chinese invloed in te dijken. Myanmar brengt ons bij het belang van de Indische Oceaan. Gelegen langs de Zee-engte van Malacca vormt het land de belangrijkste maritieme poort tussen de Indische Oceaan en het Verre Oosten. China heeft zich in Myanmar voorzien van een aantal potentiële militaire steunpunten en aanlegplaatsen. India op zijn beurt bouwt op één van de Nicobar-eilanden, gelegen aan de Golf van Bengalen, een indrukwekkende marinebasis uit. Peking maakt zich ernstig zorgen over de vastberaden machtsontplooiing van de Indiase marine. De Indische Oceaan is immers de natuurlijke transportband van aardolie en andere grondstoffen naar de fabrieken op de Chinese oostkust. De Indiërs hebben intussen een aanzienlijke vloot in de vaart en voor de nabije toekomst staan twee nieuwe vliegdekschepen op het programma, nucleaire onderzeeërs, onderzeebootjagers en fregatten. Het Indiase leger is prominent aanwezig in strategische eilandstaten zoals Mauritius, de Malediven en Madagaskar. Totnogtoe is de Chinese aanwezigheid in de Indische Oceaan bescheiden. Wel worden preventieve maatregelen getroffen. Naast de ankerplaatsen in Myanmar heeft China zich ook in Pakistan voorzien van een maritiem steunpunt. Bangladesh en Iran zijn bereid om infrastructuur ter beschikking te stellen.

Tot slot is het de Indiërs menens in Centraal-Azië. In Tadzjikistan liet New Delhi een luchtmachtbasis bouwen. Gezamenlijke veiligheidsprogramma’s staan op stapel met Kirgizië en Turkmenistan. Ondanks het veiligheidsoverleg tussen China en India, is het dus ieder voor zich. India lijkt zich daarbij veel minder zorgen te maken over negatieve reacties dan China. Waar Peking door de internationale gemeenschap, met de Verenigde Staten en Japan op kop, angstvallig in de gaten wordt gehouden, is dat voor India veel minder het geval.

De betrekkingen tussen China en India bevinden zich in een overgangsfase. De mogelijke pistes hangen grotendeels af van de Indiase transitie. Indien India erin slaagt om zich te profileren als competitieve handelsnatie, kan het de Chinese economische groei en vooral het genereren van banen in de secundaire sector in gevaar brengen. In dat geval wordt de Partij nog meer in het nauw gedreven en geconfronteerd met de hoge verwachtingen enerzijds en het gebrek aan concrete kansen anderzijds. Dit uit zich bijna onvermijdelijk in nationalisme en een hardere buitenlandse politiek. Als New Delhi niet in zijn opzet slaagt, moet de centrale overheid op zoek naar een nieuw project om de legitimiteit ten aanzien van de bevolking te behouden. Wederom ligt een nationalistisch discours voor de hand. Vooral de hindoeïstische partijen zijn een mogelijke kandidaat om maatschappelijke frustratie op een dergelijke manier te kanaliseren. Tijdens de vorige regeringsperiode hield de belangrijkste hindoeïstische partij, de BJP, het bij een vriendelijke opstelling ten aanzien van China. In het verleden is dat echter anders geweest en ook vandaag stellen verschillende partijmandatarissen zich steeds kritischer op. De prille vriendschap tussen China en India is zeer fragiel. Economische competitie, militaire wantrouwen en nationalisme maken de toenadering tot een zenuwslopende evenwichtsoefening.

(Uitpers, nr. 82, 8ste jg., januari 2007)

Jonathan Holslag verricht onderzoek naar strategische vraagstukken in Azië. Hij is verbonden aan het Brussels Institute of Contemporary China Studies van de VUB. Thans werkt hij aan een nieuw boek over de verhoudingen tussen India en China.

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :