President Chávez is heel ‘permeabel’ voor de eisen van de kleine man

Begin april waren we in Venezuela voor de algemene vergadering van de Wereldvredesraad. We trokken ook een week uit om gesprekken te hebben met verschillende contacten in Caracas. Een daarvan was Pablo Cormenzana, die goed gekend is bij de campagne ‘Handen af van Venezuela’. Hij is ingenieur en advocaat, en stond de arbeiders van de fabriek Inveval bij, in hun strijd tegen de lockout en de sluiting. Een gesprek met een kritische Chávez-aanhanger.

Het proces in Venezuela is erg verbonden met de figuur ‘Chávez’?

Pablo Cormenzana: Hij heeft bijzonder veel in beweging gebracht. Zonder hem zou de verandering niet zijn geschied. Chávez is een eerlijk man en een eerlijk politicus. Hij is geen marxist, maar iemand die in de klassenstrijd wel de reflex heeft om de kant van de onderdrukten te kiezen. Hij is niet altijd even duidelijk. De huidige invulling van het socialisme van de 21ste eeuw leunt eerder aan bij wat we in de geschiedenis het utopisch socialisme noemen in tegenstelling tot het wetenschappelijk socialisme(1). Hij zit daarom ook vol tegenstrijdigheden. Zo wil hij nationalisaties doorvoeren maar tegelijkertijd roept hij de ‘goede kapitalisten’ op tot samenwerking. Zijn centristische positie maakt hem ook wisselvallig. Toch staat hij ontegensprekelijk links in het politieke spectrum. In het parlement vordert het werk bijzonder traag, er is veel dubbelzinnigheid bij aanhangers van de president. Daarom wilde hij meer dynamiek in het veranderingsproces door de grondwet te wijzigen: met bepaalde volmachtwetten sneller op de gebeurtenissen kunnen inspelen; meer gewicht geven aan lokale besturen en de betrokkenheid van de bevolking bij dat bestuur verhogen.

Het staat echter buiten kijf, dankzij Chávez komt de samenleving in beweging; hij is heel populair en weet de mensen aan te spreken.

Het land is erg gepolariseerd…

Pablo Cormenzana: Ja, dat is het minste wat je kan zeggen. In die context is het toch bijzonder interessant dat Chávez in de presidentsverkiezingen van 2006 het hoogste percentage kiezers achter zich wist te krijgen sinds hij aan de macht is (al sinds 1998) en dit ondanks, of misschien precies dankzij, een zeer duidelijke keuze voor het socialisme van de 21ste eeuw. En je kan niet zeggen dat de oppositie geen kansen krijgt. De oppositie is de burgerij, de rijke middenklasse. Ze hebben alle grote media in handen.

Grote delen van het staatsapparaat, ministeries bijvoorbeeld, zijn het veranderingsproces niet noodzakelijk gunstig gezind. Bureaucratische tegenwerking is dan ook schering en inslag.

En zoals ik al zei, het Chávez-blok is ook niet homogeen. De traditionele georganiseerde arbeidersklasse (vakbonden) is bij het proces afwezig geweest. Integendeel, ze had zich aangesloten bij de tegenkrachten. Daarnaast heb je bij de aanhangers van de president een brede waaier. Je hebt de reformisten die niets fundamenteels aan de economische structuren willen veranderen maar zeer pragmatisch streven naar een verbetering van bijvoorbeeld de levensomstandigheden van de mensen. Je hebt de bureaucraten die voornamelijk hun eigen positie en invloed nastreven, en zeker geen grote fundamentele en diep-democratische veranderingen willen. Je hebt een bepaalde trotskistische tendens die zodanig ongeduldig is dat ze eigenlijk tegenwerkt, en die een soort wantrouwen stimuleert bij de arbeiders en bij de bevolking. Je hebt de revolutionairen, die structurele veranderingen nastreven. En je hebt tenslotte de empresarios socialistas, de progressieve privé-ondernemers. Er is een partij in opbouw, met deze verschillende stromingen, de PSUV. Let wel, het is de bedoeling een eenheidspartij op te richten, maar niet een één-partij-systeem. De rechterzijde blijft haar partijen behouden en deelnemen aan verkiezingen of andere politieke campagnes. De Communistische Partij is niet opgegaan in die eengemaakte socialistische partij, maar steunt de president ten volle van buiten uit.

In december 2007 verloor president Chávez het referendum over de grondwetswijziging. Hoe komt dat?

Pablo Cormenzana: Centrale punten in het voorstel om de grondwet te wijzigen waren: meer macht geven aan arbeidsraden, meer belang aan de gemeenten, elementen van participatieve democratie installeren op het lokale niveau. Men voorzag sociale zekerheid voor iedereen, ook voor diegenen die in de informele sector zitten. Arbeidersmilities kregen een grondwettelijke basis. In dit kader had de presidentiële ploeg 33 wijzigingsvoorstellen klaargemaakt. In het parlement werden er daar nog zo’n 30 aan toegevoegd, waarvan een aantal alleen maar betrekking hadden op de ‘persoonlijke’ situatie van de parlementsleden. Uiteindelijk werden er te veel maatregelen voorgelegd in één enkel referendum. Te nemen of te laten dus. Hoe meer veranderingen, hoe groter de kans dat mensen een onaanvaardbaar element terugvinden…

De oppositie hier tilde er zwaar aan, en in het buitenland was er bijzonder veel te doen over het feit dat het referendum een derde ambtstermijn mogelijk wilde maken voor een president. Dit werd verkocht als een ‘benoeming voor het leven’. Maar de zittende president had nog altijd de ‘derde verkiezingen’ moeten winnen, vooraleer hij die bijkomende ambtstermijn zou kunnen hebben invullen.

Voor ons is het belangrijkste vast te stellen dat het referendum verloren werd niet door een aangroei bij de oppositie, maar door een wegblijven van een deel van de achterban. Het zou echter verkeerd zijn, denk ik, om zomaar de fout te geven aan diegenen die niet kwamen stemmen. Nee, we moeten kijken naar de redenen van hun afwezigheid. Die liggen voor een groot deel bij de problemen van bevoorrading van essentiële levensmiddelen. Het beleid vanuit de privé-sector heeft de aanvoer van melk, eieren, olie, suiker enorm doen dalen. De inflatie trekt zich niets aan van de officiële prijzen: het vlees wordt aan bijna het dubbele verkocht. De Centrale Bank bleef maar zeggen dat de economie groeit, maar de inflatie is 15-20%. Ministers zeggen dat er geen echt bevoorradingsprobleem is, dat het op wereldvlak te maken heeft met de groeiende consumptie in China en Rusland. De mensen ervaren de realiteit anders dan het beeld dat hen door de overheid werd meegegeven.

Maar Venezuela is toch rijk, de petroleuminkomsten spekken toch de staatskas?

Pablo Cormenzana: Precies. De regering zoekt een oplossing in nieuwe import uit verre landen dankzij de sterke staatskas. Maar we kunnen toch niet om het probleem heen dat na 9 jaar revolutionair bewind, de sector van levensmiddelenbevoorrading nog altijd zo kwetsbaar is en dit ondanks de grote financiële mogelijkheden om de noodzakelijke voedselzekerheid te bereiken. Maatregelen hiervoor leverden echter niet het juiste resultaat op: bepaalde initiatieven geraken maar niet van de grond, sommige leveren een productieniveau dat ver onder de projecties ligt, andere werden afgevoerd. Men kan de samenwerking niet blijven ‘afsmeken’ van de burgerij. Hier botsen we nogmaals op het centrisme van de president: socialistisch discours, maar onafgewerkte praktijk.

Dat is ook het probleem met bijvoorbeeld de genationaliseerde fabriek van kleppen voor de petroleumindustrie, Inveval. De privé-bedrijven die het gietijzeren omhulsel moeten produceren, leveren laagwaardige producten die niet kunnen worden gebruikt of weigeren te leveren aan een genationaliseerd bedrijf. Maar de beslissing om ook daar een nationalisering door te voeren, blijft achterop hinken door bureaucratische tegenwerking op het ministerie.

Om nog even terug te keren naar het referendum moeten we toch ook de zwakke campagne vermelden die de pro-zijde voerde. Er werd te weinig uitgelegd, het belang van participatie van arbeiders en burgers werd onvoldoende uitgelegd, het werd teveel verengd tot een pro-Chávez stemming.

Voor mij, en mijn politieke groepering, verloopt de revolutie niet per decreet of wet, maar door en voor de bevolking.

Je spreekt veel over bureaucratische tegenwerking, maar wat is de rol van het leger? Chili 1973 indachtig, is dit toch een factor die van belang is in de weg naar het socialisme?

Pablo Cormenzana :We mogen niet vergeten dat Chávez uit het leger komt. Maar het is ook fundamenteel dat Venezuela een atypisch leger heeft in vergelijking met de rest van Latijns-Amerika. In andere landen is het officierenkorps duidelijk ‘klasse’-georiënteerd. De rijke families hebben allemaal hun afgezant bij de hogere officieren. Dat is dus niet het geval in ons land. Omgekeerd, het leger is altijd een vorm van sociale emancipatie geweest voor de armen. Toegegeven, bepaalde officieren zaten mee in de coup van april 2002, maar ze kregen verre van een meerderheid in het officierenkorps achter zich. Bovendien zijn daar wel wat ‘uitzuiveringen’ gebeurd in de periode nadien. Je kan aannemen dat de huidige lichting nauwer bij het proceso is betrokken. Er is wel geen ‘politisering’ van het leger bezig. Belangrijk is ook het fenomeen van de ‘reserva’(2). De analyse van de oorlog tegen Irak zegt ons dat geen enkel regulier leger capabel is om de Verenigde Staten weerstand te bieden. Maar tegelijkertijd is dit immense militaire apparaat niet in staat om een guerrilla vanuit de bevolking te counteren. In die zin is de ‘reserva’ dus een voorbereiding op een eventuele VS-invasie.

Het socialisme van de 21ste eeuw dat Chávez aanhangt, wat kan ik me daar vandaag concreet bij voorstellen?

Pablo Cormenzana : Fundamenteel blijft het toch draaien om de eigendom van de productiemiddelen, zeker ook de (landbouw)grond. Hierbij is dan voor de coöperatieve sector een belangrijke rol weggelegd om bijvoorbeeld de voedselzekerheid van het land veilig te stellen. Hier hangt ook onmiddellijk aan vast dat de toegang tot de levensmiddelen beter moet kunnen gegarandeerd worden. Want zoals ik al stelde is het onvoldoende om een niet-marktgericht distributienetwerk te hebben, het moet ook ‘producten’ kunnen aanbieden aan de vastgestelde prijzen. Vandaag zijn we op vlak van voedselbevoorrading bijzonder afhankelijk van de ‘samenwerking’ met Colombia. President Chávez heeft aangekondigd dat alle sectoren en bedrijven die in de jaren 1990 werden geprivatiseerd weer zouden worden genationaliseerd. Dat is voorheen al gebeurd met de telecommunicatie, met de elektriciteitsvoorziening en onlangs met de cementsector, hoewel de privé nog een belangrijk deel blijft behouden. Maar essentieel is economische planning, zodat Venezuela echt af kan stappen van zijn monocultuur, met name petroleumindustrie. En natuurlijk draait alles rond de rol die de arbeiders direct kunnen opnemen in de organisatie van de onderneming en in de bredere planning.

We zijn nog lang niet op dat punt aangekomen. Vandaag is er bijvoorbeeld het duidelijk probleem van de bureaucratie. De meeste problemen worden met ‘geld’ opgelost (aankoopcontracten in het buitenland), er komt echter dikwijls geen oplossing voor het structureel probleem. Maar we zijn ervan overtuigd dat Hugo Chávez zeer sterk open staat voor die problematiek. Hij is heel ‘permeabel’, toegankelijk voor de verzuchtingen van de kleine man. Hij maakt mogelijk dat er strijd wordt gevoerd, en hij durft het vooral ook aan om oplossingen die buiten de kapitalistische lijnen kleuren kansen te geven en te steunen.

Armoede in een rijk land?

Pablo Cormenzana : Hongerlijders ga je in Venezuela zo goed als niet vinden. Je ziet wel daklozen in de steden. Maar sedert 1998 zijn er verschillende programma’s ontwikkeld die zich specifiek op deze groep richten. Via campagnes rond muziek en sport probeert men hen terug enige menselijke waardigheid te geven en in de samenleving in te schakelen, met een zeker succes. Een specifiek ministerie houdt zich bezig met behuizing. Het deel echte armen in de samenleving zal rond een derde van de bevolking draaien. Dat is gezakt sedert Chávez, hoewel met de crisis van 2002-2003 het aantal armen (tijdelijk) spectaculair was gestegen. Met het sindsdien uitgebouwde publiek netwerk voor levensmiddelendistributie aan vastgestelde lage prijzen helpt men de armoede verminderen. Een 35-40% van de bevolking zou je bij de lagere middeninkomens kunnen rekenen. De echte burgerij op zich betreft maar een 200.000 personen op de 24 miljoen inwoners.

Deze economische elite is altijd al de concessiehouder geweest voor de internationale ondernemingen: Venezuela is immers al heel lang een petroleumland. Deze burgerij neemt geen eigen economische initiatieven en is er niet op uit om opnieuw te investeren. In dit land heeft de staat al altijd het initiatief gehad. Je kan stellen dat Venezuela al lang op zijn (petroleum)renten heeft geleefd en niet afhankelijk is geweest van economisch industrieel initiatief of beleid om rijkdom te verwerven.

Je hoort wel ‘s de kritiek dat Chávez zich meer met de armen van de rest van de wereld bekommert dan met de Venezolaanse?

Pablo Cormenzana : Inderdaad, de oppositie voert dit beeld telkens weer op. Maar toen zij de macht had, waren er ook massa’s armen en was er ook geweld in de samenleving. Toen Chávez in 1998 aan de macht kwam was de helft van de bevolking echt arm. Vandaag staat Venezuela op de index van menselijke ontwikkeling bij de topcategorie. Kindersterfte bij de geboorte is gedaald, toegang tot drinkbaar water sterk uitgebreid. Toen de overheid een groot gebouw van de petroleumsector opeiste om er de Bolivariaanse Universiteit in onder te brengen (toch bedoeld voor de eigen ‘arme’ Venezolanen) was dit voor diezelfde oppositie onaanvaardbaar.

Deze kritiek wordt ook gebruikt om de buitenlandse politiek van de regering aan te vallen. Het zogenaamde Bolivariaans Alternatief dat schematisch gezegd gebaseerd is op ruil: goedkope petroleum voor bepaalde diensten die Venezuela nodig heeft. Het programma met de Cubaanse dokters is het meest gekende wellicht, net zoals de oogoperaties in Cuba. De oppositie valt Chávez aan voor zijn contract met de stad Londen (“het centrum van de financiële wereld”) waarbij men al te makkelijk vergeet dat het gaat om brandstof voor de Londense openbare ziekenhuizen, het openbaar vervoer en dat de wederdienst bestaat uit advies voor stadsontwikkeling en mobiliteit.

Dit Bolivariaans Alternatief wordt als de weg beschouwd naar integratie van de verschillende economieën van de deelnemende landen.

Een belangrijk element in het buitenlands beleid van Venezuela is de zorg om niet geïsoleerd te geraken. Wie alleen staat kan makkelijk worden ‘aangepakt’. Venezuela heeft binnenlands een ander beleid dan Brazilië, maar het betreft wel een ‘bevriende’ natie. Brazilië volgt zeker een lijn van eigen belangen, maar in het afwijzen van het vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten stelde elk land zich op zijn manier onwrikbaar op. De relaties met Colombia gaan op en neer, maar beide landen zijn eigenlijk economisch op mekaar aangewezen. Venezuela is nog altijd een olieleverancier aan de VS, maar de relaties met China groeien als het ware met het moment.

Hoe zie je de nabije toekomst?

Pablo Cormenzana : Kijk, eigenlijk hebben wij als marxistische stroming een enorm potentieel binnen de nieuwe partij PSUV. Het discours rond socialisme kunnen wij helpen invullen op een echt linkse manier. Vanuit de gewone partijleden, de arbeiders, de bewoners van de volkswijken is er een enorme honger om te ‘leren’. Dat maakt een enorme dynamiek mogelijk. En aangezien de opperste leiding, president Chávez, sterk oog heeft voor de belangen, verwachtingen, verzuchtingen van de ‘gewone man’ is het vooruitzicht van een verdieping van het proceso, van de Venezolaanse revolutie, geen droombeeld maar een zeer reële mogelijkheid.

(Uitpers, nr 101, 10de jg., september 2008)

Pablo Cormenzana behoort tot van de Corriente Marxista Revolucionaria van Venezuela

Noten:

(1) Het wetenschappelijk socialisme is gebaseerd op het historisch dialectisch materialisme , de analyse van de kapitalistische productiewijze en de daaraan verbonden maatschappijvorm, klassenstrijd.

(2) Militaire reservisten die mee het land zullen moeten verdedigen in geval van invasie, of van een ‘asymmetrische’ oorlog

Print Friendly, PDF & Email

Visited 152 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook