Post-Arafattijdperk: naar post-zionisme of een voldongen pax americana

Na meer dan vier decennia omzwervingen door de Arabische wereld, een leven in de semi-clandestiniteit, talloze ontsnappingen aan aanslagen van zijn Israëlische (en Arabische) vijanden, ondergrondse activiteiten, guerrilla-acties en in de zomer van 1982 een heuse belegering met moorddadige bombardementen in de Libanese hoofdstad Beiroet, stond hij op 13 september 1993 op de trappen van het Witte Huis.

Samen met zijn gastheer, Bill Clinton, de president van de Verenigde Staten, Yitzhak Rabin, voormalig generaal en premier van de staat Israël en Shimon Peres, minister van Buitenlandse Zaken, grondlegger van de Israëlische oorlogsindustrie en vice-voorzitter van de Socialistische Internationale. Tijdens deze ceremonie werden de akkoorden van Oslo bezegeld. De media schoten tekort met superlatieven. Dit was een historisch moment. Yasser Arafat, tot dan het symbool van het “Palestijnse terrorisme”, kreeg plots internationale staatsmanallures.

Het leverde hem enkele maanden later de Nobelprijs voor de vrede op en het presidentschap over enkele “palestinostans”, de Israëlische versie van de beruchte bantoestans uit de tijd van de apartheid in Zuid-Afrika.

Nog enkele maanden later keerde Arafat naar Palestina terug. Hij werd er triomfantelijk onthaald. Arafats familie was geboren en getogen in Jeruzalem. Zijn vader was een succesvol zakenman, die ook een vaste stek had in de Egyptische hoofdstad Caïro. Yasser Arafat zag er in 1929 het levenslicht in Heliopolis, een door de Belgische baron Empain gebouwde residentiële wijk, waar een kleine minderheid van welgestelde Arabieren werd geduld. Het was een blitse wijk voor westerlingen. Bij zijn terugkeer in 1994 had Arafat zich graag in de stad van zijn vader gevestigd. Maar Yitzhak Rabin (echte naam: Yitzhak Rabinowitz, een in 1922 in Palestina geboren telg uit een gezin van Russische immigranten) verbood hem dat. Arafat mocht zijn hoofdkwartier in het Palestijnse getto Gaza opslaan of in Ramallah, maar niet in Jeruzalem. Palestijnse leiders die met de staat Israël historische compromissen sluiten, moesten nu eenmaal beseffen dat ze dat altijd op de voorwaarden van de Israëli’s doen.

De rest van het verhaal is de Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever, Jeruzalem en de strook van Gaza inmiddels bekend: de Oslo-akkoorden brachten geen vrede, maakten geen einde aan de bezetting en de kolonisatie. Integendeel, sinds 1993 werden de zionistische kolonies nog uitgebreid, de Palestijnse samenleving en economie werden jaar na jaar verder ontmanteld. Vergeleken met vandaag, leefden de Palestijnen in 1993 nog in relatieve welstand. In 2004 is het een natie van overlevers aan de bedelstaf. Meer dan de helft van de bevolking moet het stellen met een inkomen van twee dollar (en minder) per dag en per gezin. De bezette Palestijnse gebieden hebben zowat dezelfde – weinig benijdenswaardige – status als pakweg Haïti of Sierra Leone.

Over de doden niets dan goed…

Eind oktober ging de gezondheidstoestand van de Palestijnse leider Arafat plots achteruit. Elke huisarts zal bevestigen dat de leefomstandigheden van de inmiddels 75-jarige Arafat niet bijster ideaal waren. Al meer dan drie jaar leefde hij in Ramallah in een aan flarden gebombardeerd hoofdkwartier als gijzelaar van de staat Israël. Arafat werd overgevlogen naar een militair hospitaal in de buurt van Parijs, waar hij op 11 november overleed. Als het van de elite van de zionistische staat had afgehangen, had ze zelfs liever eigenhandig over Arafats overlijdingsdatum beslist. Eddo Rosenthal, de correspondent van de Nederlandse omroep NOS, meldde in alle ernst dat de Israëlische regering bijzonder bezorgd was over het feit dat Arafat zou kunnen overlijden op 4 november, de dag dat in Israël de moord op Yitzhak Rabin wordt herdacht. Een dode Arafat had de Israëlische ceremonie kunnen overschaduwen. De Israëlische regering was niet bij machte Arafat te dwingen op een gepast moment te overlijden. Wel kon ze verhinderen dat de Palestijnse leider werd begraven op de plaats waar hij dat altijd had gewenst: Jeruzalem. Generaal en premier Ariel Sharon (echte naam Ariel Scheineman, een in 1928 in Palestina geboren telg uit een gezin van Russische immigranten), vaardigde een verbod uit. Arafat mocht overal worden begraven, in Caïro, in Gaza, in Ramallah, maar niet in de Palestijnse hoofdstad Jeruzalem.

Over de doden niets dan goed? Deze stelregel (die vaker door beleefdheid, diplomatie en opportunisme is ingegeven dan door humanisme) werd onder de legerbottines van generaal en premier Ariel Sharon vertrappeld. Sharon noemde de dood van Arafat “een gebeurtenis”. Hij kreeg de naam van de overleden Palestijnse leider niet eens over de lippen. Sharons broodheer, George W. Bush, de pas herverkozen president van de VS, liet ook meteen blijken dat met Arafat geen belangrijke staatsleider was verdwenen (hooguit een terrorist) en sprak de hoop uit dat “het vredesproces” – nu Arafat van het toneel was verdwenen – weer snel op de sporen kon worden gezet. Tony Blair, de trouwste bondgenoot van Bush, gaf blijk van betere manieren – hij is tenslotte een Britse gentleman en geen ongelikte cowboy uit de petroleumvelden van Texas. Blair noemde Arafat een historische leider, om er onmiddellijk opgelucht aan toe te voegen dat zijn overlijden hopelijk goed nieuws is voor “het vredesproces”. In Blairs terminologie is dat een synoniem voor “pax americana”.

Symbool van het verzet

Yasser Arafat is het symbool van het Palestijnse verzet. Hij heeft de niet te onderschatten verdienste gehad het Palestijnse volk opnieuw te hebben verenigd – sinds het in 1948 een volk van staatlozen en vluchtelingen werd, de minderheid in eigen land gediscrimineerd en onderdrukt, de meerderheid de diaspora in gedreven. De Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) groeide onder zijn leiding uit tot een democratische, seculiere beweging, waarin alle geledingen van de Palestijnse maatschappij zich terugvonden. Arafat en de zijnen brachten het Palestijnse probleem weer bovenaan de internationale agenda. Voor de leiders van de staat Israël was Arafat daarom een nachtmerrie, want zij waren ervan overtuigd dat de overwinning van de zionistische milities, de erkenning van de staat Israël door de grootmachten in 1948, het definitieve einde betekende van de Palestijnse natie. De regeringsleiders werden in hun dromen achtervolgd door de Palestijnen. Premier Golda Meïr – de ijzeren lady van het zionisme en de Israëlische Arbeiderspartij – vertrouwde een journalist ooit toe dat ze had gedroomd dat er geen Palestijns volk meer was. Later nam zij deze droom voor werkelijkheid en verklaarde dat het Palestijnse volk inderdaad niet bestond. Haar latere opvolger en partijgenoot, Yitzhak Rabin, had het ook ooit ‘en public’ over een droom. Tijdens de eerste intifada, eind de jaren tachtig, had hij gedroomd dat Gaza (en zijn rebelse inwoners) in de Middellandse Zee waren verdwenen.

Onder leiding van Arafat groeide de PLO uit van een door de Arabische regimes gemanipuleerde marionettenorganisatie tot een guerrillabeweging, die met de wapens Palestina weer op de wereldkaart plaatste. Later zetten de Palestijnse guerrillero’s de stap naar de diplomatie. In 1974 verbaasden ze vriend en vijand: ze waren bereid de Palestijnse kwestie op te lossen via een internationale – door de Verenigde Naties gepatroneerde – vredesconferentie. Daarvoor wilden de Palestijnse fedayin zelfs bijzonder pijnlijke toegevingen doen: ze wilden praten over de vestiging van een Palestijnse staat op de door Israël in 1967 bezette gebieden en dus niet op het historische grondgebied van het voormalige Britse mandaatgebied Palestina. Het antwoord van de Israëlische leiders – telkens gesteund door hun belangrijkste bondgenoot uit Washington en met het medeplichtige stilzwijgen van Europese regeringsleiders – was een onveranderlijk njet. Ook de definitieve erkenning door de PLO van de staat Israël in 1988 (de Palestijnse onafhankelijkheidsverklaring) was een historische toegeving van formaat. Ze werd door het Israëlische generaalsregime weggewuifd. In Jeruzalem en Tel Aviv werd in die dagen een bijzonder populair T-shirt te koop aangeboden met op de voorkant “Israel, don’t worry, America is behind you” en op de achterkant het bijzonder onbescheiden “America don’t worry, Israel is behind you”.

Van de Madrileense kast naar de muur van Oslo

Terwijl de eerste intifada het Israëlische leger en de regering tot wanhoop en steeds hardere repressie dreef, stond in de bezette gebieden een nieuwe Palestijnse generatie op. De oude garde van de PLO gaf steeds minder blijk over een coherente strategie te beschikken. En in 1991 begonnen de Verenigde Staten met de eerste Golfoorlog aan de hertekening van het Midden-Oosten. Israël bleef de vaste pion van de Amerikanen in de regio. Maar in Washington gingen wel stemmen op om de Palestijnse tijdbom te ontmijnen. In 1991 leidde dat tot twee opmerkelijke gebeurtenissen. De eerste bleef nagenoeg onopgemerkt. Onder impuls van de Amerikanen werd op 16 december in de Verenigde Naties resolutie 3379 definitief geschrapt. Dat was een resolutie uit 1975, waarin de heersende ideologie van de staat Israël, het zionisme, was veroordeeld als een vorm van racisme en dus als een variant van de apartheid. Israël was weer helemaal formeel en volgens de regels van het internationaal recht een democratische staat, ontdaan van het stigma van het racisme. Enkele weken voordien, op 30 oktober, was in Madrid een internationale vredesconferentie van start gegaan, niet onder de auspiciën van de Verenigde Naties, maar onder de voogdij van de Verenigde Staten van George Bush senior en de wegkwijnende Sovjetunie van Mikhaïl Gorbatsjov. De Israëlische premier Yitzhak Shamir stelde keiharde voorwaarden (de PLO mocht niet aan de onderhandelingen deelnemen, hoogstens een delegatie van Palestijnen uit de bezette gebieden), die prompt werden ingewilligd. Shamir was vastbesloten om Madrid op één groot fiasco te laten eindigen. Wat ook gebeurde – onder het waakzame oog van zijn belangrijkste geldschieter, Washington. De diplomatieke impasse en het gebrek aan strategie van de PLO bleven niet zonder gevolgen: Yasser Arafat en een aantal getrouwen binnen de PLO-leiding stapten in een geheim onderhandelingsproces met de leiders van de Israëlische Arbeiderspartij. In 1993 leidde dat tot de akkoorden van Oslo. En die akkoorden leidden tot een nog grotere impasse. Israël kwam nauwelijks één van zijn verplichtingen na. De PLO-leiding van haar kant had de grootst mogelijke concessies gedaan (geen volledige terugtrekking van het Israëlische bezettingsleger, geen ontmanteling van de zionistische kolonies en uiterst wazige, over vijf jaar gespreide onderhandelingstermijnen over cruciale vraagstukken als de oprichting van een Palestijnse staat, grondgebied, grenzen, watervoorraden en last not but least, de Palestijnse vluchtelingen of de meerderheid van het Palestijnse volk).

De PLO opgedoekt

De Oslo-akkoorden hadden verregaande gevolgen voor het Palestijnse volk en zijn wettige vertegenwoordiger, de PLO. Israël was er tot dan nooit in geslaagd (zelfs niet met de massale militaire invasie in Libanon in 1982) de PLO te ontmantelen of politiek uit te schakelen. Oslo maakte met zachte hand een einde aan de rol van de PLO als bevrijdingsbeweging en alternatief voor het kolonialisme en de apartheid in Israël. Tegenstanders van de Oslo-akkoorden binnen de PLO namen uit protest ontslag (de PLO-vertegenwoordiger in Libanon en veteraan Shafik al-Hout, de Palestijnse dichter Mahmoud Darwich, de bekende Palestijnse intellectueel Edward Saïd, maar ook de Palestijnse “minister van Buitenlandse Zaken”, Farouk Khadoumi). Arafat liet uiteindelijk de Oslo-akkoorden goedkeuren door een door hem samengestelde meerderheid binnen de PLO. Met de oprichting van de Palestijnse Autoriteit begon een intense samenwerking tussen Palestijnse, Israëlische en Amerikaanse veiligheidsdiensten. De nieuwe generatie van de eerste intifada werd aan de kant geschoven en in hun plaats kwamen de PLO-kaders die vanuit Tunis terugkeerden. Palestijnse notabelen, die veel van hun invloed hadden verloren tijdens de intifada, bezetten opnieuw hun oude vertrouwde plaats. De Palestijnse regering en overheidsinstanties zakten in een mum van tijd weg in corruptie, immobilisme en inefficiëntie. In 1998, iets meer dan een jaar na hun oprichting, bleek uit een onafhankelijk onderzoek dat alle Palestijnse ministeries geteisterd werden door een ongebreidelde corruptie. Van de eenheid van het Palestijnse volk, ooit het kenmerk bij uitstek van de PLO, schoot weldra niets meer over. De Palestijnse vluchtelingen in Libanon en elders in de Arabische buurlanden werden aan hun lot overgelaten en raakten volslagen geïsoleerd. In de bezette gebieden werd als gevolg van de oprichting van de palestinostans de maatschappelijke en politieke cohesie van de Palestijnen ernstig aangetast. De Palestijnse autoriteit bleek vleugellam, de tweede intifada werd zonder haar gevoerd. De escalatie van het Israëlische geweld en terreur zorgde voor een Palestijnse tegenterreur van fundamentalistische bewegingen als Hamas en de islamitische Jihad.

Yitzhak Rabin en Shimon Peres verklaarden vanaf het begin dat ze zich niet gebonden achtten aan de uitvoeringstermijnen van de Oslo-akkoorden. Wat volgde was een zelden vertoonde diplomatieke operette, een processie van Echternach. In 1999 moesten de onderhandelingen over de definitieve status van de bezette Palestijnse gebieden worden afgerond. Elke nieuwe onderhandelingsronde werd een karikatuur van de vorige. Het Osloproces werd een kafkaïaans schouwspel met orwelliaanse newspeak: repressie en de uitbreiding van de kolonies heetten vredesproces, Israëlische halsstarrigheid werd onderhandelingsbereidheid, voor de weigering om troepen terug te trekken werd de Engelse term ‘redeployment’ gebruikt… Naarmate de einddatum naderde, verslechterde de sociaal-economische toestand in de Palestijnse gebieden. De voortdurende vergrendeling van deze gebieden, de systematische instelling van de avondklok, de oprichting van ontelbare militaire checkpoints en wegversprerringen hadden de Westelijke Jordaanoever versnipperd in meer dan tweehonderd losse enclaves.

Tweede intifada

Na een kort intermezzo met Likoed-ultra Benyamin Nethanyahu, kreeg Israël opnieuw een premier van de Arbeiderspartij, generaal Ehud Barak. Samen met Bill Clinton dwong hij een geïsoleerde Yasser Arafat naar een ultieme onderhandelingsronde in Camp David, in de zomer van 2000. Camp David kon bezwaarlijk een onderhandeling worden genoemd. Barak weigerde zelfs rechtstreeks met Arafat te praten. De Israëlische premier had vooraf aangekondigd dat hij Arafat politiek zou “ontmaskeren” als “terrorist” en “obstakel voor de vrede”. De Palestijnse leider kreeg het mes op de keel. In Camp David werd van hem verwacht dat hij zou instemmen met een lege doos. Nergens was er sprake van de cruciale eisen van de Palestijnen voor de oprichting van een eigen staat met een vastomlijnd grondgebied en grenzen, de ontmanteling van de kolonies, de terugtrekking van het bezettingsleger, de status van Jeruzalem en het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen. Arafat stond voor de keuze: weigeren of politieke zelfmoord plegen door een blanco cheque te tekenen voor de verdere bezetting van de Palestijnse gebieden. Hij wist dat hij dit akkoord onmogelijk aan de eigen achterban kon verkopen. Barak schakelde de goed geoliede Israëlische propagandamachine in. Het aanbod van Camp David noemde hij een “royaal en gul voorstel”, dat door een onbetrouwbare Arafat was gekelderd. De wereldmedia namen de Israëlische versie van de mislukking van Camp David voor waar aan. De Palestijnse leiding – die sinds Oslo angstvallig vermeed om de kolonialistische strategie van de staat Israël aan te klagen en te bestrijden – aarzelde maanden om de ware achtergronden van deze schertsvertoning van Barak en Clinton aan het licht te brengen. Barak gaf zijn politieke rivaal, Ariel Sharon, inmiddels de toestemming voor een regelrechte provocatie tegen de Palestijnen. In september 2000 organiseerde Sharon – onder de bescherming van het Israëlische leger en de politie – een wandeling op de esplanade van de islamitische heiligdommen in Jeruzalem. De tweede intifada barstte los. Sharon won moeiteloos de volgende verkiezingen en zorgde vanaf 2001 voor een nooit geziene escalatie van de bezetting met de inzet van gevechtsvliegtuigen en -helikopters en tanks. In een mum van tijd werd de volledige infrastructuur van de Palestijnse overheid (tot scholen, de luchthaven van Gaza en de Palestijnse radio- en televisieomroep toe) platgebombardeerd. Veel van deze infrastructuur was gefinancieerd door de Europese Unie, die zich eens te meer beperkte tot wat verbaal protest tegen Sharons gespierde optreden. De Palestijnse gebieden werden opnieuw volledig bezet. En als klap op de vuurpijl begon de regering Sharon met de bouw van een zevenhonderd kilometer lange muur rond de Westelijke Jordaanoever. De palestinostans zouden voortaan achter een gettomuur verdwijnen.

Nine/Eleven

Voor Ariel Sharon kwamen de aanslagen van 11 september in New York en Washington als een geschenk uit de hemel. Voortaan was Israël niet langer geconfronteerd met het verzet van het Palestijnse volk, het bond de strijd aan tegen het internationale terrorisme. Sharon en Bush zaten volledig op dezelfde golflengte. Arafat werd de Palestijnse Osama bin Laden. De Europese Unie liet betijen. Het “vredesproces” werd definitief afgevoerd, wat niet eens verbloemd kon worden toen de Verenigde Staten, Rusland, VN-secretaris-generaal, Koffi Anan en de Europese Unie in 2003 het “stappenplan” op tafel legden. Dit plan was niet meer dan een light-versie van Oslo.

Het Palestijns-Israëlisch conflict zit volledig in de impasse en de vooruitzichten op een doorbraak zijn nagenoeg onbestaande. De twee-staten-oplossing, waarop Yasser Arafat had gehoopt, lijkt onrealistischer dan ooit. De Palestijnen staan met andere woorden op het punt waar ze ook in 1948 stonden: rechteloos, stateloos en zonder leiderschap met een visie en strategie. Op 9 januari 2005 komen er in de bezette Palestijnse gebieden vrije verkiezingen. Zelfs uiterst gematigde Palestijnen, zoals Leila Shahid (de Palestijnse vertegenwoordigster in Parijs, die de laatste dagen aan het sterfbed van Arafat doorbracht), waarschuwde dat “er geen vrije verkiezingen mogelijk zijn, zo lang de Palestijnen geen vrijheid kennen”. De legendarische intifada-leider en politieke gevangene, Marwan Barghouti, is vast van plan om zich kandidaat te stellen voor het ambt van de overleden Arafat. De oude garde van de PLO rond Oslo-onderhandelaar Mahmoud Abbas en premier Ahmed Qorei zijn voor de Palestijnen nauwelijks nog geloofwaardig, laat staan aanvaardbaar. Israël – en het doet amper terzake of de Likoedpartij van Sharon of de Arbeiderspartij van Peres aan de macht is – heeft niet de intentie om een twee-statenoplossing te aanvaarden, tenzij de Palestijnse gebieden een getto, een palestinostan blijven, waar elke vorm van verzet wordt geliquideerd.

Optimisten kunnen hopen dat met het post-Arafattijdperk misschien ook een post-zionistisch tijdperk kan worden geopend. Het historische Palestina kan in zo’n optimistische lezing op weg zijn naar een politiek bestel, waarin alle inwoners van het gebied – Israëli’s en Palestijnen, joden, christenen en moslims – gelijke rechten krijgen en burgers worden van een echte democratische staat, die uitgerust is met een grondwet, waarvan het eerste artikel luidt: “alle burgers zijn gelijk voor de wet”. Optimisten gaan ervan uit dat de impasse van het Israëlisch-Palestijnse conflict voornamelijk het failliet van de zionistische ideologie en politiek weerspiegelt. Voor Israël als louter joodse staat is er niet langer een plaats in vreedzaam Midden-Oosten. De democratie, de mensenrechten en het internationaal recht gebieden dat deze apartheidsstaat in het Midden-Oosten wordt vervangen door een authentieke democratische staat. Optimisten hebben doorgaans één belangrijk nadeel: ze verliezen de bestaande krachtsverhoudingen wel eens uit het oog.

Met de Amerikaanse interventie in Irak, de “war on terror” van een pas verkozen George Bush en diens onvoorwaardelijke steun aan de regering Sharon is het Midden-Oosten goed op weg naar een volledig pax americana. Als de Verenigde Staten erin slagen om in Irak manu militari hun neokoloniaal protectoraat te installeren, mogen de optimisten hun illusies helemaal opbergen en kunnen Sharon en zijn opvolgers verder hun gang gaan. Waarop dan weer een fundamentele wet van de dialectiek in werking treedt: waar onderdrukking heerst, is er verzet…

(Uitpers, nr. 59, 6de jg., december 2004)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 63 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook