Populisme in een vulkanisch landschap

De publieke optredens komen in deze – voorlopig althans – postcorona periode stilaan weer op gang. Dat was ook het geval in het Antwerpse Zuiderpershuis waar, na twee jaar van online versies, weer een Paul Verbraekenlezing live plaatsvond. Het was nummer 17 in een reeks die in 2006 begon en die in al die jaren het maatschappelijk debat rond hete hangijzers heeft gevoed. Dat was ook nu weer het geval met de interventie van Anton Jäger, historicus en politiek filosoof die na een academisch traject in Engeland nu verbonden is aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven. Naast zijn academische activiteiten is hij met zijn goede pen ook opvallend aanwezig in kritische tijdschriften als Jacobin, New Left Review, De Groene Amsterdammer, Apache en nu ook, zeer recent, in De Morgen als columnist. In 2018 publiceerde hij zijn Kleine anti-geschiedenis van het populisme en dat werd ook de basis, aangevuld met recente voorbeelden, voor zijn Paul Verbraekenlezing. Als filosoof én historicus is hij het gewoon om over de disciplinehekjes te kijken en dat is een niet onbelangrijk voordeel in de huidige populismestudies. Dat blijkt ook uit dit rijk gestoffeerd essay, dat in zijn ondertitel wat minimaliserend een ‘pamflet’ wordt genoemd, maar dat ongetwijfeld een veel hoger niveau haalt. Dat doet Jäger moeiteloos door zijn generaliserende en genuanceerde blik – en ook door zijn scherpe, polemische maar zeer gestileerde formulering.

Populisme en … woke

‘“Ik weet eigenlijk niet waarover ik het heb, maar ze hebben mij wel gevraagd er iets over te zeggen.” Van alle definities van het woord ‘populisme’ die ons in de laatste jaren zijn voorgesteld, blijven er weinig zo sterk hangen als de kwinkslag van de Hongaarse intellectueel Gáspár M. Tamás.’

Om wat pedagogische verwarring te zaaien begint Jäger met deze woorden aan zijn essay. En verwarring is er volop rond het begrip ‘populisme’. Vandaar ook zijn ondertitel die hij ontleent aan Antoon Roosens, de Vlaamse marxist en ex-voorzitter van het Masereelfonds: het populisme wordt erkend als probleem, maar blijft slecht begrepen – als een patiënt die merkt dat er iets schort aan de gezondheid, maar eigenhandig geen diagnose kan opstellen. Daarom begeeft de Jäger zich een beetje als een nieuwsgierige antropoloog ‘onder populisten’ zoals de Nederlandse schrijver W.F. Hermans zich ooit ‘Onder professoren’ begaf en daarover schreef. Het blijkt al snel dat Jäger in een linguïstisch gevaarlijk mijnenveld terecht komt waarin het begrip, zoals de term ‘woke’, vaak gebruikt wordt als een soort bot polemisch instrument om bepaalde tegenstanders in het verdomhoekje te duwen. Iemand wordt dan populist genoemd om niet ‘demagoog’ of ‘fascist’ te moeten zeggen. Populisme is wellicht de meest gebruikte én meest voor interpretatie vatbare politieke term van de laatste decennia. Met de term ‘woke’ gaat het ook die richting uit. ‘Let op je woorden’ zei en schreef de sociolinguïst Jan Blommaert … en vooral wat daarachter schuilgaat. De betekenis van een woord is het gebruik ervan in de taal. Ludwig Wittgenstein zei het al.

 ‘Stugge consensus’

Het is dan ook geen gemakkelijke opgave voor de onderzoeker om tot een heldere begripsafbakening te komen. Volgens Jäger gaat er achter een luisterrijk decor een ietwat stugge consensus schuil en die bestaat uit, kort samengevat, vijf delen. Het hedendaagse populisme, zowel ter linker- als ter rechterzijde, wordt gekenmerkt door: een afkeer van middenveld en klassieke partijstructuren, een politiek gebaseerd op identiteit in plaats van sociaal-economische belangenverdediging, een identificatie met ‘het volk’ dat tegenover ‘de elite’ wordt geplaatst, een voorkeur voor het politieke spel boven beleidsuitvoering en, ten vijfde, een sterke afhankelijkheid van een uitgesproken leider.

Gewapend met die definitie duikt de auteur het vulkanisch maatschappelijke landschap in waarbinnen dat politiek fenomeen zich heeft kunnen ontwikkelen voornamelijk, maar niet uitsluitend, in een westerse context.

‘vulkanisch landschap’

Jäger signaleert dat er in de literatuur rond populisme steeds meer een zekere consensus zichtbaar wordt. Al met al verschijnt het populisme als de uitdrukking van een almaar sterker ‘gedesorganiseerde’ democratie, waarin burgers partijen verlaten, technocraten de macht grijpen en het middenveld aan macht inboet. Hij situeert de geboorte van het “populistische bastaardkind” in de jaren 70 en de start van het uiteenvallen van de naoorlogse partijdemocratie, die zich in België uitte in een sterk verzuilde samenleving. Er is volgens hem sinds 1973 – de opkomst van het neoliberalisme? – een trage maar gestage neergang van de Europese partijdemocratie aan de gang. Twee processen blijven daarvoor symptomatisch. Het eerste is een dalend ledental van de partijen over de hele linie, gekoppeld aan de toenemende leeftijd van hun leden. Die afstand ontstond ook voor de andere steunbalk van partijen, met name de staat. Sinds de jaren 90 deed er zich daar een breuk voor tussen twee activiteiten die in het naoorlogse tijdperk met elkaar verbonden waren: politiek en beleid. ‘Beleid’ staat hier voor de methoden waarmee staten hun samenleving ordenen en ingrijpen in hun economie. ‘Politiek’ omvat het proces van wat politieke theoretici ‘wilsvorming’ noemen: concurrentie tussen partijen, het opzetten van campagnes, het smeden van coalities.

Het tweede symptoom is een opmerkelijke daling in verkiezingsdeelname en participatie. De leegloop van massapartijen en de voortschrijdende vervreemding tussen politici en burgers kon enkel tijdelijk met televisiespots en marketingstunts worden afgewend. Dat vulkanisch landschap heeft echter een leegte gecreëerd waarin dat populisme zich, voornamelijk in het laatste decennium, zeer snel heeft kunnen ontwikkelen, zowel ter linker- als ter rechterzijde.

Links-populisme

Jäger besteedt een heel hoofdstuk aan dat links-populisme dat volgens hem sinds 2010 is komen opzetten, zeker ook in Latijns-Amerika, en hij zet er een groot vraagteken achter. Hij noemt het een populisme dat zich letterlijk aan een sprong in de politieke leegte waagde, en ‘klasse’ voor ‘volk’ wilde inwisselen. Zijn houding tegenover dat links-populisme, waarvan vooraanstaande theoretici zoals de Argentijnse filosoof Ernesto Laclau en de Belgische filosofe Chantal Mouffe vooraanstaande theoretici zijn, is eerder ambigu te noemen. Hij schrijft onder meer: ‘Zo poogde dat links populisme ook het onverzoenbare te verzoenen. Het was te ‘links’ om ten volle te profiteren van het uiteenvallen van het traditionele partijsysteem, maar ook te populistisch om een antwoord te bieden op een aantal belangrijke organisatorische kwesties.’ Volgens Jäger heeft dat links-populisme het initiële momentum niet kunnen verzilveren en is het snel verdwenen van het toneel. Maar toch voegt hij er in positieve zin aan toe: ‘Het links-populisme heeft tenminste duidelijk gemaakt dat heel veel mensen wél nog geïnteresseerd zijn in radicale politiek. Dat ze zich wel nog willen engageren. Dat links ook een appetijt heeft voor macht en dat vanop links nagedacht wordt over macht verwerven en hoe het zich politiek kan organiseren.’

Voor zo ver ik het werk van Chantal Mouffe ken en begrijp liggen haar standpunten en die van Jäger niet zo ver uit elkaar. Dat links-populisme gaat voor haar in de eerste plaats over het radicaliseren en verdiepen van de democratie. Een links populisme wil voor Chantal Mouffe een andere hegemonie realiseren binnen het kader van de liberale democratie, maar streeft daarom geen breuk na met de liberale democratie, wel een verdieping ervan. Wat we volgens haar nodig hebben is een strategie van waaruit bestaande instituties kunnen worden hervormd. Zij noemt zichzelf een verdediger van een radicaal reformisme dat een nieuw hegemonisch project wil uitbouwen, dat vertrekt vanuit de notie van het volk (en, inderdaad, niet vanuit een klasse) en verschillende sociale bewegingen met elkaar probeert te verbinden.

Radicale politiek en ‘zwermen’

 Radicaliseren en verdiepen van de democratie. Daarover moet het volgens Chantal Mouffe gaan. En die pogingen worden intussen ondernomen van ‘onderuit’. De representatieve democratie die zich beperkt tot een vierjaarlijks verkiezingsmoment wordt gecontesteerd en dat niet alleen door ‘populisten’. Mondige burgers zijn met het ‘politieke’ bezig, maar dan meestal op een niet- partijpolitieke manier. Vanuit hun wijk, vanuit hun stad willen zij participeren aan de beleidvorming. Die bewegingen van onderuit zijn vaak nieuwkomers die opkomen voor een leefbaar milieu en die daar ook in het hier en nu werk van willen maken. Burgerbewegingen hebben intussen op sommige plaatsen via verkiezingen een plaats verworven in gemeentelijke en stedelijke overheden. Barcelona en de burgerbeweging ‘Barcelona en Comú’ met burgemeester Ada Colau is zo’n mooi voorbeeld van een ‘rebelse stad’. Dat zijn recente fenomenen met een belangrijke vernieuwende politieke inhoud die niet passen in het plaatje dat Jäger schetst van ‘eerder losse, energieke zwermen die door charismatische leiders worden aangestuurd om korte campagnes of projecten op zich te nemen, en die daarna weer wegtrekken.’

En ja, je moet natuurlijk niet alle politieke veranderingen verwachten van bewegingen van onderuit. Er moet ook gekeken worden naar verschillende bestuursniveaus waarop aan een andere politiek kan worden gedaan wordt en welke strijd daar kan worden gevoerd voor een nieuw ideologisch debat. Dat schrijft ook Eric Corijn in zijn epiloog van de reader  ‘De stad beter na Corona?’ (1)

Die strijd moet volgens hem gevoerd worden op drie ‘werven’ of bestuursvelden. Er is ten eerste strijd nodig om het Europese project te behoeden voor een rechts-nationalistische regressie en daarom moet er ingezet worden op een cultureel en solidair Europa. Het tweede veld is de strijd op het niveau van de staat, federaal en gewestelijk, om de vitale sectoren die ons door de crisis hebben gesleurd te garanderen en uit te bouwen (vrijwaring van de sociale zekerheid, herwaardering van zorg en onderwijs, openbare diensten en vitale sectoren). De derde werf ontstaat botttom-up vanuit de leefomgeving op het lokale vlak (nieuwe sociale praktijken  als coöperatief samenwerken en commonsgerichte activiteiten) en zou de steun moeten krijgen van het lokaal beleid.

Hyperpolitiek

Zoals ook Antonio Gramsci stelde gaat het niet alleen om een sociale en economische, maar ook om een culturele strijd. Een strijd die ook gevoerd zal moeten worden tegen wat Jäger het ik-populisme noemt. Volgens hem zijn er echter ook signalen te bespeuren dat het postpolitieke tijdperk en dat van wat hij ‘hyperpolitiek’ noemt stilaan ten einde loopt. ‘Mensen die zich vroeger nooit politiek uitspraken, plaatsen nu een vlaggetje van Oekraïne of een driehoekje van Black Lives Matter op de wall van hun sociale media,’ zegt hij in een recent interview in Sampol. In die ‘hyperpolitiek’ wordt het leven van mensen enerzijds in allerlei opzichten intens gepolitiseerd is, maar anderzijds betreurt hij dat slechts weinig medeburgers betrokken zijn bij georganiseerde belangenconflicten die ooit als “politiek” werden omschreven in de klassieke, twintigste-eeuwse zin.

Speciaal voor België ziet hij toch ook hoopvolle signalen. In ons land bestaat nog altijd een middenveld dat, in tegenstelling tot Groot-Brittannië of Frankrijk, institutioneel en sociaal nog tamelijk veel macht heeft. Die macht wordt wel in vraag gesteld, en die organisaties zijn ook hun politieke beschermengelen verloren, maar ze staan nog steeds sterk. Je ziet dat vakbonden zich veel zelfverzekerder gaan opstellen in sommige kwesties, en duidelijke eisen gaan stellen. En hij voegt eraan toe: ‘Maar zelfs een vervallen herenhuis is beter dan een lint tentjes in het niemandsland, en instituten bestaan en ontstaan altijd om een reden.’

Academicus én stilist

Die laatste zin is niet alleen een duidelijk statement maar zegt ook iets over de stilist die Jäger is. Zijn essaytaal is beeldend en gestileerd. Enkele voorbeelden: ‘De boom van de partij mag dan wel uitgehold zijn, ook een rotte stam blijft nog altijd een dankbare weg om naar de top te klauteren’ en ‘Die gotische villa van de partijdemocratie is duidelijk uitgeleefd. De inwoners willen verhuizen, verhuren, verkassen of een andere, modernere woning uitbouwen.’ Ook die bloemrijke stijl geeft een meerwaarde aan zijn ‘pamflet’ dat in werkelijkheid een zorgvuldig en gestileerd essay is geworden. Anton Jäger is een man met twee petjes op die hij allebei handig en tegelijk weet te gebruiken. Hij is academisch sterk – zie zijn lange lijst van bronvermeldingen en verwijzingen die nooit een omgevallen boekenkast wordt – en voeg daar als toemaatje nog maar zijn zeer goede pen en synthesevermogen bij – en je krijgt een heel sterk geheel.

Anton Jägers profiel past perfect in het rijtje van sprekers voor de Paul Verbraekenlezingen. Toen Paul stierf was hij tien.  Achttien jaar later ontpopt Jäger zich tot een publieke intellectueel die het maatschappelijk debat in dit land aardig mee weet aan te zwengelen. Tegendraadse stemmen vind je in alle generaties en dat stemt hoopvol.

(1)Luce Beeckmans, Stijn Oosterlynck en Eric Corijn (red.), De stad beter na corona? Reflecties over een gezondere en meer rechtvaardige stad, ASP, Brussel, 2021, 264 blz., ISBN9789461172419

 

 

Onder populisten, Pamflet over een onbegrepen probleem
Anton Jäger
VUBPRESS, Brussel
2022
86 blz.
9789461173003
Deel dit artikel
Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

Andere boeken