Poetins koloniale oorlog

In Moskou brachten de speciale eenheden een massa mensen om met chemische wapens. Stel u daarbij maar ’s voor hoe het er in Tsjetsjenië aan toegaat.
"Dit was een vergeten oorlog", zegden talrijke westerse politici, analysten en commentatoren tijdens en na het drama in een Moskous muziektheater. Die oorlog in Tsjetsjenië was echter ook door de meesten onder hen "vergeten". Want ondanks alle stevig onderbouwde rapporten over Russische oorlogsmisdaden en alle hulpkreten van Tsjetsjenen, hadden noch de westerse bewindvoerders noch de meeste "waarnemers" belangstelling voor die in wezen koloniale oorlog.

De Amerikaanse leiders zegden al jaren dat het een interne zaak van Rusland was en dat het Kremlin het volste recht heeft geen separatisme toe te staan; de West-Europese leiders zaten na 11 september 2001 op dezelfde golflengte. President Wladimir Poetin is immers "een zeer belangrijke bondgenoot in de strijd tegen het internationaal terrorisme." Maar het is precies die houding die de Tsjetsjenen zo wanhopig maakt en duizenden in de armen van islamisten drijft.

Koloniaal drama

Het drama in Moskou is slechts een episode van een veel groter drama dat begon met de kolonisatie van de Kaukasische gebieden door de Russische tsaren. Dat liep trouwens niet van een leien dakje, want pas na meer dan dertig jaar konden de troepen van de tsaar in 1859 Tsjetsjenië volledig onder hun controle brengen. Moslimleiders speelden een grote rol in het verzet, maar van een fundamentalistische islam was geen sprake. Dat fundamentalisme is in Tsjetsjenië een recent verschijnsel, aangemoedigd door rijke families uit het Golfgebied en in de hand gewerkt door het Russisch optreden.

Lenins opvattingen over zelfbeschikking werden al vanaf 1921 door Stalin op de vuilnisbak van de geschiedenis gegooid. Stalins politiek van bureaucratische centralisatie stuitten in Tsjetsjenië op zwaar verzet. In 1944 rekende Stalin met de Tsjetsjenen af door hen naar Centraal-Azië te deporteren (samen met zes andere volkeren). Die deportatie eiste duizenden mensenlevens. De Tsjetsjenen van 46 tot 58 jaar (vanaf 1956 mochten ze terug) werden in ballingschap geboren, een ballingschap die bij alle Tsjetsjenen wonden naliet, maar wat de rest van de wereld natuurlijk ook "vergeten" is – zoals ook de fascistische wreedheden tegen de Serviërs vergeten waren.

In de ogen van de meeste Tsjetsjenen is Rusland nog altijd de koloniale macht. Eind 1991 leek het na de implosie van de Sovjet-Unie even dat Moskou zich bij de dekolonisatie van Tsjetsjenië neerlegde, maar toen de Russische oliebelangen in het gedrang kwamen, stuurde toenmalig president Boris Jeltsin troepen om met de controle van het gebied ook die over de oliepijpleiding van de Kaspische olievelden naar de oliehaven Novorossiisk te herstellen.

Na de militaire nederlaag in de zomer van 1996 legde Jeltsin zich tijdelijk neer bij de feitelijke zelfstandigheid van het gebied onder leiding van de gekozen bestuurders, met op kop president Aslan Maschadov die het jaar daarop glansrijk de presidentsverkiezingen won.

Maar Wladimir Poetin, door Jeltsin uitgekozen om zijn smeereldaffaires definitief toe te dekken, bouwde zijn reputatie van stoere leider op rond de verdediging van wat restte van het koloniale rijk. Tijdens het recente drama in Moskou herinnerden ook westerse media aan de terreuraanslagen van september 1999 op appartementsgebouwen in Russische steden, met in totaal rond 300 doden. Er bestaan echter torenhoge twijfels aan de officiële versie (die van Poetin) dat de aanslagen het werk waren van Tsjetsjeense opstandelingen. Er zijn integendeel talrijke aanwijzingen dat die aanslagen integendeel het werk waren van de Russische geheime dienst FSB, tot enkele weken daarvoor geleid door Poetin. (Zie talrijke bijdragen daarover in Uitpers).

Krijgsheren

Meteen komen we hier aan de beschuldiging van terrorisme aan het adres van de Tsjetsjeense opstandelingen. Sommige Tsjetsjeense bewegingen hebben inderdaad meer het karakter van een roversbende die er vooral op uit is door smokkel (verdovende middelen, mensen, auto’s…), afpersing, ontvoeringen en dergelijke grof geld binnen te halen. De Tsjetsjeense maffia is geen fabeltje, maar die maffiagroepen zitten niet alleen in Tsjetsjenië. Integendeel, ze zitten overwegend in Moskou, Russische en Duitse steden, maar ook in Antwerpen en Brussel. Toen Jeltsin eind 1994 troepen naar Tsjetsjenië stuurde, zei hij onder meer dat het was om de maffia te bestrijden. In diezelfde week nam een Tsjetsjeense maffiabende vlabij het Kremlin de controle over een hotel over.

Sommige Tsjetsjeense groepen maken handig misbruik van de politieke context om zich te verrijken. Die situatie heeft veel te maken met het feit dat de clanstructuren van de Tsjetsjeense samenleving ondanks zeven decennia Sovjetbewind nauwelijks aangetast waren; die clans bleken in 1991 nog springlevend. Het Tsjetsjeens verzet weerspiegelt in zijn interne verhoudingen nog altijd die clanstructuren, elke grote clan tracht zijn er gewicht zoveel mogelijk te laten doorwegen.

Maar in de clans is de rol van de "ouderenraden" getaand, vooral door de oorlog zijn jonge militanten de hoofdrol gaan spelen. Er zijn in de jaren 1990 enkele jongere krijgsheren opgestaan die buiten of boven die clanstructuren opereren, De meeste van die groepen zijn autentieke onafhankelijksstrijders, andere groepen worden gemanipuleerd. Dat is bij voorbeeld het geval voor de groep van Sjamyl Basajev (die in 1995 de gijzeling in het ziekenhuis van Boedjennovsk organiseerde) en die van wijlen Chattab. Deze laatste, een Saudi, organiseerde vooral jongeren uit de talrijke Tsjetsjeense diaspora in het Midden Oosten. Die groep werkt zeer nauw samen met Basajev wiens propagandachef, Movladi Oedoegov, in Qatar verblijft. Deze Oedoegov was vijf jaar geleden een van de tegenkandidaten van Maschadov bij de Tsjetsjeense presidentsverkiezingen, maar hij kwam toen veel te kort.

Terwijl hij nu door islamistische milieus uit de Golf wordt gefinancierd, kreeg deze Oedogov in 1997 zijn geld van de beruchte "zakenman" Boris Berezosvky. Die man was toen nog zeer machtig in het Kremlin waar de familie Jeltsin en haar omgeving van zijn gulheid genoten. Berezovsky had in de herfst van 1996 een sleutelrol gespeeld in het bereiken van een akkoord tussen Moskou en Maschadov om een einde te maken aan de oorlog. Het akkoord behelsde onder meer een verdeling van de royalties voor olietransporten.

Diezelfde Berezosvky blijft erg nauw betrokken bij de kwestie Tsjetsjenië. In de zomer van 1999 had hij in een van zijn Franse villa’s een ontmoeting met Basajev en wellicht ook Chattab. Die twee krijgsheren organiseerden kort daarop de bijzonder bizarre Tsjetsjeense inval in Dagestan, een republiek van de Russische Federatie. Die inval sloeg nergens op, de veronderstelling dat dit moest leiden tot een islamitische republiek Dagestan hield geen steek, en de krijgsverrichtingen waren volgens de bewoners uit de streek vooral schijngevechten. Maar ze leverden Poetin wel een bijkomend voorwendsel om op 1 oktober weer troepen naar Tsjetsjenië te sturen. Het andere voorwendsel waren de aanslagen op de appartementsgebouwen die aan "Tsjetsjeense terroristen" werden toegeschreven en waarvan Berezovsky nu zelf beweert dat de FSB ze pleegde.

Berezovsky heeft nog altijd talrijke "vrienden" onder de Tsjetsjenen en dat niet alleen onder de islamisten. Een van zijn oude kennissen is Achmad Zakajev, minister van Cultuur in de regering van Maschadov. Na de aanslagen van 11 september waren er contacten tussen Zakajev en een vertegenwoordiger van Poetin, onder meer in Liechtenstein waar ook een vertegenwoordiger was van Zbigniew Brzezinski, ooit veiligheidsadviseur van Jimmy Carter toen die VS-president was. Brzezinski is de jongste jaren erg actief in de regio rond de Kaukasus, deze keer als "adviseur" van Amerikaanse oliemaatschappijen. In Moskou onderhoudt Ivan Rybkin, ooit de luitenant van Berezovsky in de Russische Veiligheidsraad, contact met Tsjetsjeense vertegenwoordigers in Moskou. Het lijkt erop dat Berezovsky via zijn medewerkers (en zijn vele geld) met uiteenlopende Tsjetsjeense groepen contacten onderhoudt, wat hij zeker niet doet uit zuivere belangstelling voor de Tsjetsjeense kwestie. Het is onder meer een middel om de verloren invloed (hij leeft in feitelijke ballingschap) in Moskou te herstellen.

Terreur

Het was vóór het begin van de meest recente Tsjetsjeense oorlog dus allerminst evident dat de terroristen aan Tsjetsjeense kant zaten. Tijdens die oorlog is het wel duidelijk welke kant de grootste terreur uitoefent. Daarvoor volstaat het bij voorbeeld de rapporten na te slaan van Human Rights Watch (HRW) of van enkele zeldzame Russische groepen die de oorlog kritisch bekijken: Memorial en Soldatenmoeders. Toen ze nog een dissidente van het Sovjetregime was, kreeg Jelena Bonner, weduwe van Andrei Sacharov, zeer veel westerse aandacht. Nu predikt ze in de woestijn met haar aanklachten tegen de Russische oorlog in Tsjetsjenië. Poetin heeft de Russische media immers grotendeels monddood gemaakt. Sommige van die media wakkeren, samen met een deel van de Russisch-Orthodoxe kerk, het racisme tegen de’tsjernoi’ (zwarten, wat staat voor Kaukasiërs) aan. Na het theaterdrama wordt dat alleen maar erger. De regering neemt daar officieel wel afstand van, maar gebruikt dat racisme zijdelings toch maar om haar oorlog in Tsjetsjenië te rechtvaardigen.

In die oorlog zijn aan Russische kant alle middelen geoorloofd. Poetin beloofde drie jaar geleden een snelle militaire oplossing van de oorlog, de rebellen zouden snel onderworpen zijn. Op 11 september 2001 was dat nog altijd niet gebeurd, maar Poetin trok toen snel de kaart Bush, hij werd een trouwe bondgenoot in de strijd tegen het internationaal terrorisme. De oorlog die hij in Tsjetsjenië voert, maakt daar deel van uit. Bush, Chirac en Blair lieten er bij hun bezoeken aan Moskou geen twijfel aan bestaan dat Poetin in die oorlog volledig op hen kan rekenen. Tijdens het recente drama in het Moskouse theater kreeg hij ook steun van Gerhard Schröder voor zijn strijd tegen het terrorisme. Geen enkele westerse leider raakte de kern van de kwestie aan, namelijk dat Rusland in Tsjetsjenië een bijzonder vuile oorlog voert. Weliswaar zonder veel resultaat, want zelfs volgens de Russische minister van Binnenlandse Zaken, Boris Gryzlov, zit Moskou daar in een militaire impasse.

Ondanks de enorme wreedheden die dagelijks plaatshebben. De Russische ‘zatsjitkas’, zuiveringsoperaties bestaan uit willekeurige arrestaties, iedere Tsjetsjeense man tussen 14 en 60 jaar is verdacht, minstens een potentiële terrorist. Er zijn massa’s bewijzen van verdwijningen, executies, verkrachtingen, maar dat leidt tot geen enkele veroordeling. Het kamp van Tsjernokosovo, waar opgepakte Tsjetsjenen worden gescreend, is berucht door de massale folteringen.

Ook in Moskou lieten de Russische speciale eenheden in Moskou zich van hun terroristische kant zien: zij gebruikten chemische wapens, niet in een oorlog met een vreemde mogendheid, maar tegen eigen mensen. Stel u maar voor hoe het er in Tsjetsjenië aan toegaat.

Barbaars

Met hun barbaarse wreedheden drijven Poetin en zijn generaals elke dag opnieuw jonge Tsjetsjenen in de armen van extreme groepen, waaronder de islamisten die vooral vanuit Saudi-Arabië veel geld krijgen. De groep rond Maschadov heeft jarenlang gepoogd om door een combinatie van militaire druk en politieke contacten resultaat te boeken. Maar na al die jaren kunnen de gematigden geen resultaat voorleggen. Het ergste is, aldus Tsjetsjeense bronnen, dat ook de buitenwereld doof blijft.

De enige sanctie waaraan Rusland totnogtoe werd onderworpen, kwam van de (symbolische) Raad van Europa die Ruslands stemrecht een half jaar opschortte maar zich haastte om dat weer ongedaan te maken. Die Raad had Rusland begin 1996 als lid aanvaard op een ogenblik dat Jeltsin massaal Tsjetsjeense dorpen liet bombarderen, het was gewoon een geschenk aan Jeltsin bij de start van een moeilijke campagne voor de presidentsverkiezingen.

Moskou is bereid tot de dialoog om een politieke oplossing na te streven, luidde het eerder dit jaar. Wat Moskou onder dialoog verstaat, kregen we op 26 oktober 2002 in Moskou zelf te zien.

De westerse steun aan Poetins vuile oorlog is natuurlijk koren op de molen van krijgsheren allerhande die Maschadov trachten te ondermijnen. Die heeft vorige zomer trouwens enkele belangrijke toegevingen moeten doen door kopstukken van die groepen in zijn bestuur op te nemen. Dan horen we westerse leiders waarschuwen voor een Taliban-bewind in Tsjetsjenië. Maar intussen doen Poetin en die leiders er alles aan om de wanhopige Tsjetsjenen in die richting te duwen.

(Uitpers, nr. 35, 4de jg., november 2002)

Print Friendly, PDF & Email
Visited 20 times, 1 visit(s) today
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

Zie ook

×