Pinochet: Amerika en de bevordering van democratie

Dertig jaar geleden, op 11 september 1973, hielp de Amerikaanse regering in Chili de democratisch verkozen president ten val brengen en onder generaal Augusto Pinochet Ugarte een ijzeren dictatuur installeren. Dat schrikbewind duurde zeventien jaar, vermoordde duizenden mensen, arresteerde of verbande honderdduizenden, en zadelde Chili op met een grote sociale kloof en politieke angst.

Terugblikken op die gebeurtenissen is nuttig, nu ons – na de leugens over een Iraakse dreiging met wapens voor massavernietiging – wordt voorgehouden dat Amerikanen en Britten Irak zijn binnengevallen om "een dictator te verjagen" en "democratie te bevorderen".

"Hij mag dan een schurk zijn, hij is ONZE schurk", antwoordde een hoge Amerikaanse regeringsfunctionaris in 1939 op kritiek dat het Witte Huis het officiële tapijt had uitgerold voor Anastasio Somoza Garcia, de dictator die met zijn familie Nicaragua tot 1979 in een ijzeren greep zou houden. Met "onze" bedoelde de functionaris dat Somoza de belangen van de grote Amerikaanse banken en bedrijven in zijn land en de regio liet primeren. In het jargon heette het dat Somoza voor "stabiliteit" zorgde. Hoeveel moorden, martelingen, ontvoeringen en onderdrukking het vereiste om dat soort "stabiliteit" te verdedigen tegen de verarmde massa, werd zedig onder het tapijt geveegd.

"Dictatuur" of "democratie" kwam daar weinig bij kijken. Wat telde was de volgzaamheid tegenover Washington, de rest was versiering. En dat geldt nog altijd, ondanks alle retoriek over "bevorderen van democratie", "mensenrechten" en "humanitaire interventies" – getuige de Amerikaanse houding tegenover bijvoorbeeld dictaturen in Saudi-Arabië en Pakistan (zolang die garant staan voor Amerikaanse belangen en dus "onze" schurken zijn). En was Saddam Hoessein niet jarenlang "onze" schurk die moest gesteund en bewapend worden tegen Iran?

In 1970 werd in Chili de socialist Salvador Allende verkozen tot president. De Chileense rechterzijde en de Verenigde Staten waren door het kiesresultaat verrast. In Washington gaf het ministerie van Buitenlandse Zaken de Amerikaanse ambassadeur in Santiago, Edward Korry, meteen "de maximale bevoegdheid om al het mogelijke te doen om te beletten dat Allende zou aantreden, zonder zover te gaan als in de Dominicaanse Republiek" (waar in 1965 20.000 VS-marines waren binnengevallen om rechts aan de macht te houden). Amerikaanse bedrijven als ITT, dat een grote rol zou spelen in de nakende coup, steunden de beginnende complotten tegen Allende. Maar die was democratisch verkozen, en de samenzweerders konden aanvankelijk geen steun vinden bij de Chileense bevolking.

Allende wilde sectoren nationaliseren die in grote mate in buitenlandse handen waren, maar voor Chili een cruciale rol speelden. Die nationalisaties moesten meer rijkdommen in het land houden en de regering meer zeggenschap geven over de eigen economie. De lokale Chileense industriëlen stonden buiten die plannen. Niettemin vreesden ze dat hun macht zou worden aangetast als de overheid door de nationalisaties meer economische armslag kreeg. Op de lange termijn zagen ze een bedreiging voor hun belangen als klasse, en ze sloten zich aan bij de campagne om Allende ten val te brengen.

In de Amerikaanse regering vonden die kringen een uitermate machtige bondgenoot. Washington was gekant tegen elke socialistische regering, verkozen of niet, omdat het verwachtte dat die het status quo zou wijzigen en dus gezien moest worden als een bedreiging voor de positie van Amerikaanse belangen in Chili en de regio.

Hoe voordelig het status quo voor Amerikaanse multinationals was, bleek onder meer uit het verzet van de mijngiganten Anaconda en Kennecott tegen de geplande nationalisatie. Allende had hen aangeboden de volledige boekwaarde te betalen, min de winsten boven een aanvaarde winstmarge van 12 procent die ze de voorbije 15 jaar naar huis hadden gestuurd – door zo’n berekening kwamen beide mijnreuzen voor miljoenen dollars in de schuld te staan bij Chili.

Economie saboteren

Na de aanvankelijke verwarring over Allende’s verkiezing werden ambassadeur Korry, de CIA, ITT en Henry Kissinger (Nobelprijs Vrede omdat hij moest ophouden met oorlogsvoering in Vietnam; Kissinger was van 1969 ot 1975 hoofd van de Nationale Veiligheidsraad, in 1973 werd hij ook minister van Buitenlandse Zaken) het er snel over eens dat de Chileense economie de achillespees vormde van Allende’s Unidad Popular. De drie volgende jaren, tot de coup van september 1973, zouden ze die economie, in samenwerking met rijke Chileense families, vakkundig saboteren. De onvrede zou groeien, de Chilenen zouden inzien dat socialisme niet werkt, Allende zou verjaagd worden. De VS onderbraken lopende handelskredieten van Chili, en begonnen de bevoorrading van de Chileense industrie af te snijden (die kon geen vitale onderdelen voor machines meer krijgen nadat Washington alle kredieten aan Amerikaanse leveranciers van Chili opschortte en stappen zette om Chili’s relaties met andere westerse leveranciers te verstoren). Wel gingen stromen Amerikaans geld naar de oppositie tegen Allende in Chili. Dat hielp de tegenstanders van de president een bredere beweging van de grond te brengen en een dusdanig gevoel van chaos te scheppen, dat de militairen zouden gedwongen worden om tussenbeide te komen en Allende af te zetten.

Burgers speelden hoofdrol

Maar de Chileense strijdkrachten waren nog niet klaar voor wat de samenzweerders in Washington en Santiago op het oog hadden, een coup tegen een democratisch gekozen regering. Zeker, ze waren sterk "anti-communistisch" en Allende’s christen-democratische voorganger Eduardo Frei had veel officieren naar "anti-subversiecursussen" van Amerikaanse militairen gestuurd. Maar ze waren ook trouw aan de grondwet die respect voor de verkozen burgerregering gelastte en militaire tussenkomst in politiek verbood. Ook waren ze niet afkerig van een nationale economische ontwikkeling die dichtbij de plannen van Allende aanleunde.

De rechtse samenzweerders waren bijna allen burgers. Hun leiders kwamen bijeen in de Maandag-Club, vaak in de kantoren van Hernan Cubillos, ex-marineofficier en topman van de CIA in Chili. Prominente leiders waren de groepen Cruzat-Larrain en Vial (Manuel Cruzat en Javier Vial zouden enorm profiteren van de coup tegen Allende; in 1978 controleerde Cruzat-Larrain 37 van de 250 grootste bedrijven en Vial 25, terwijl de privatisering van de sociale zekerheid hen 70 procent opleverde van de markt). Maar ook de uitgever van de krant El Mercurio, Raul Silva Espejo, behoorde tot de samenzweerders, net als Orlando Saenz, de baas van de Chileense ondernemersvereniging, en Sergio Undurraga. Het waren meestal "Chicago Boys", die het neoliberale dogma hadden geleerd van Friedrich von Hayek en Milton Friedman in Chicago. Na de coup van 1973 zouden ze hun opvattingen over "vrijheid voor de ondernemers", geholpen door het geweld van Pinochet, doorvoeren, en daar in 1980 lof voor oogsten van Cecil Parkinson, de minister van Handel van de Britse conservatieve premier en Pinochet-vriendin Margaret Thatcher. Het Chileense economische "experiment", zei Parkinson, "lijkt zeer sterk op wat we nu in Groot-Brittannië proberen te ontwikkelen".

Het waren die burgers die de staatsgreep ondernamen. Hun probleem was de miltairen mee te krijgen. "De burgers maakten de coup," zei een van de samenzweerders achteraf, "ons probleem was de strijdkrachten ertoe te brengen hem uit te voeren. Het probleem was dat de Chileense strijdkrachten politiek erg achterop waren, geen ander leger in Latijns-Amerika zou Allende drie jaar hebben laten duren, en het vereiste een massabeweging van burgers om de militairen in actie te brengen".

De burgerlijke oppositie begon zich te verenigen, in 1971 sloten de christen-democraten een pact met de rechtse Nationale Partij om Allende te bestrijden. Daardoor stond de president in beide Kamers van het parlement voor een vijandige meerderheid.

Voor God, Familie en Vaderland

Tegelijk begon de krant El Mercurio een campagne tegen de "communist" en Castrovriend" Allende, die "godsdienst, vaderland en familie" in Chili ondermijnde en het land dreigde "uit te leveren aan de Sovjets". Tegen 1972 hadden de plannen vorm gekregen om het land door patronale stakingen stil te leggen, in de hoop dat Allende tot aftreden zou worden gedwongen, of dat de strijdkrachten zouden tussenbeide komen. Het kwam tot stakingen van ondernemers (o.m. vrachtwagen- en voedselbedrijven). Maar meestal verzetten de arbeiders zich tegen de lock-out die hun bazen hen oplegden, ze namen zelf fabrieken, transport- en distributiesystemen in de hand.

De strijdkrachten weigerden tussenbeide te komen en schaarden zich achter de regering. Tot verbijstering van rechts, dat wist dat veel officieren de Unidad Popular haatten. Maar de militairen bleven grondwetsgetrouw, en hoopten dat de parlementsverkiezingen van maart 1973 de toestand zouden ontladen. Maar de verkiezingen veranderden weinig aan de krachtsverhoudingen. De UP van Allende ging er wel op vooruit, van 37 procent naar 43 procent, maar de oppositie behield met 56 procent de meerderheid. Beide partijen hadden gewonnen, maar de toestand zat muurvast.

Vanaf maart 1973 begonnen de rechtse burgerlijke samenzweerders hun plannen voor de economie na een staatsgreep tegen Allende uit te werken. Bijna het hele economische team van de christen-democratische partij was daarbij betrokken: Alvaro Bardon, Andre Sanfuentes, Juan Villarzu en Jose Luis Zabala.

Tegelijk vergrootten de samenzweerders de druk op de strijdkrachten, met bomaanslagen, moorden en een nieuwe reeks stakingen. De krant El Mercurio begon openlijk de voordelen van een militaire machtsovername te bezingen. Uiteindelijk bezweek opperbevelhebber Prats onder die druk, hij nam ontslag. Allende stemde daar met tegenzin mee in, en tekende daarmee feitelijk zijn eigen doodsvonnis.

Pinochet komt op

De nieuwe chef van de strijdkrachten werd Augusto Pinochet. Die kreeg van topgeneraals te horen dat ze hoe dan ook Allende zouden verjagen, of hij nu meedeed of niet. Pinochet besloot mee te doen, en herschreef die episode later met verklaringen dat hij de hoofdrol had gespeeld. Toch bleven de burgerlijke samenzweerders tot in de laatste dagen van Allende’s bewind twijfels behouden over het leger. Een week voor de coup riep de president samenzweerder Orlando Saenz bij zich en waarschuwde hij hem dat Chili een grimmige tijd tegemoet zou gaan onder een militair regime. "Het zal jullie niet moeilijk vallen hem (Pinochet) binnen te brengen", zei Allende volgens Saenz, "maar god, wat zal het jullie kosten om hem eruit (uit het presidentieel paleis) te krijgen".

De coup ging op 11 september 1973 van start in de thuishaven van de marine, Valparaiso. Binnen een etmaal bleek duidelijk dat hij zou slagen. In Santiago bombardeerde de luchtmacht de Moneda, waar Allende zich had verschanst. De president kwam om in de gevechten (of werd vermoord). Generaal Pinochet greep de macht, politieke partijen werden verboden. De christen-democraten, die gehoopt hadden dat de militairen de "linksen" zouden uitschakelen en daarna de macht aan hen zouden overdragen, kwamen bedrogen uit. Aanvankelijk werkten ze nog mee met Pinochet, pas in 1974 verlieten de laatste christen-democratische adviseurs diens regering.

Terreurbewind

Het verzet tegen de staatsgreep werd aangepakt met massa-arrestaties, folteringen, ontvoeringen en moorden. Volgens officiële Chileense rapporten bracht het Pinochet-regime zeker 3.000 mensen om het leven. Maar Amerikaanse officiële bronnen spraken eind 1973 al discreet over ruim 10.000 doden. In 1974 liet het bewind van Pinochet in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires generaal Prats vermoorden, de man die symbool stond voor strijdkrachten die trouw bleven aan verkozen politieke leiders.

Pinochet was voor Washington "onze schurk", omdat hij de belangen van Amerikaanse banken en bedrijven van een "bedreiging" had verlost. De generaal stond borg voor de "nationale veiligheid", lees: de veiligheid van de Chileense heersende klasse en de Amerikaanse bedrijfswereld in Chili. Daardoor werd hij met handschoenen aangepakt toen de wreedheid van zijn regime Washington uiteindelijk tot een reactie dwong. De VS legden hem in 1978 een wapenembargo op, een zachte reprimande die tegemoet moest komen aan de kritiek in de publieke opinie, en die door Pinochet meteen werd aangegrepen om een eigen wapenindustrie op te bouwen. Dat gebeurde met de hulp van onder meer Carlos Cardoen, een Chileen van Belgische komaf die, eerst met instemming, later met afkeuring van Washington, ook Saddam Hoessein zou helpen bewapenen.

Met een platgeterroriseerde linkerzijde en een stevig geïnstalleerd neoliberalisme was de "taak" van Pinochet omstreeks de helft van de jaren ‘80 volbracht. In 1990 verliet hij het toneel, nadat hij straffeloosheid voor zijn misdaden in een grondwet had ingebouwd en ervoor had gezorgd dat de rechts-liberale koers haast niet kon worden omgekeerd. Hij droeg de macht over aan Patricio Aylwin, een christen-democraat die in de periode 1970-1973 zijn staatsgreep mee had voorbereid.

Pinochets "voorbeeld" zou navolging krijgen in Argentinië, waar in 1976 een bloedige dictatuur werd ingevoerd die met nog breder geweld de neoliberale koers zou opleggen en elk verzet daartegen zou doden. De toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Alexander Haig prees de Argentijnse militaire junta voor haar strijd "tegen subversie en communisme". Hij voegde eraan toe dat de Amerikaanse regering "westerse waarden met de Argentijnse leiders deelden". De moordenaars waren duidelijk "onze" moordenaars. Pas nu wordt het mogelijk dat de militaire misdadigers definitief worden berecht.

Nobele inkleding vereist

De terminologie waarmee de Amerikaanse en Chileense samenzweerders hun complot inkleedden was die van "strijd tegen het communisme", verdediging van "de vrije onderneming en de vrije wereld", en behoeding van "God, vaderland en gezin". Die beleden "waarden" staan in schrille tegenstelling met hun daadwerkelijk optreden, dat behoud en uitbreiding van eigen belangen en privilegies beoogde, en daar een bloedige staatsgreep voor over had.

Om die tegenstelling te overbruggen en bij de opinie aanvaardbaar over te komen, is een politieke mythologie, een ideologie, noodzakelijk. Dat is ook het geval bij de Amerikaanse bezetting in Irak, die belangenverdediging beoogt maar dat verhult in nobele woorden over "bevrijding" en "bevordering van democratie".

Het sluit aan bij de aloude mythes van het Amerikaans buitenlands beleid, bestempeld als de "Manifest Destiny", de Manifeste Lotsbestemming, de Taak, die de VS in de wereld zouden hebben. De grote twee punten waarmee Washington zijn buitenlandse interventies altijd ideologisch heeft ingekleed zijn: 1) de mening dat de VS een speciale verantwoordelijkheid hebben om de wereld naar morele vernieuwing te leiden, en 2) de mening dat de belangen van de VS ook die van de mensheid zijn. Die opvattingen vinden hun oorsprong nog in de koloniale tijd, toen de puriteinen zich als het Uitverkoren Volk, en Amerika als het Beloofde Land beschouwden.

Telkens weer hebben Amerikaanse leiders zich gedragen alsof men moet aannemen dat hun belangen samenvallen met die van de mensheid. Amerikanen die zich verzetten tegen de expansionistische of interventionistische politiek die met de "Manifeste Lotsbestemming" wordt verantwoord, werden bij herhaling verketterd als "verraders" of "onbekwamen". En op wereldvlak heeft het Amerikaans buitenlands beleid vaak laten verstaan dat andere landen zich zeker moeten vergissen als ze zich verzetten tegen wat Washington als een juiste politiek beschouwt.

(Uitpers, nr. 45, 5de jg., september 2003)

Visited 5 Times, 1 Visit today

Tags :