Peter Franssen en Mathias Bröckers over 11 september 2001:<br>Pertinente vragen over een aangekondigde aanslag.

"11 september. Waarom de kapers vrij spel kregen" van Peter Franssen (in samenwerking met Pol De Vos)(1) is de voorbije weken zo wat door alle recensenten van de Vlaamse pers neergesabeld. Franssen werkt in loondienst voor de Partij van de Arbeid en behoort dus als marxist-leninist a priori tot de categorie van de "Laatsten der Mohikanen", die op complottheorieën broeden.

Ook in Duitsland verscheen naar aanleiding van de eerste verjaardag van de aanslagen op de WTC-torens en het Pentagon een merkwaardig boek: "Verschwörungen, Verschwörungstheorien und die Geheimnisse des 11.9."(2). Daarin wordt 11 september eveneens geduid als een aangekondigde terreuractie, waarvan de Amerikaanse inlichtingendiensten en regering perfect op de hoogte waren. Auteur Mathias Bröckers is een wetenschapsjournalist en was jarenlang "Chef Cultuur" van het Berlijnse onafhankelijke, linkse dagblad "Tageszeitung". Op het ogenblik dat de stofwolken van de WTC-torens in New York nog niet helemaal zijn opgetrokken, voelde Bröckers dat enig wantrouwen ten opzichte van het Witte Huis en de merkwaardig unanieme berichtgeving in de media aangewezen was. Bröckers ging op zoek naar meer en begon aan een lange surftocht op het internet en kreeg ijzingwekkende berichten onder ogen. Hij bracht zijn informatie bijeen in een Online Magazine (Telepolis), dat maandenlang het bezoek kreeg van miljoenen nieuwsgierigen. Al dat materiaal heeft hij nu gebundeld in een boek, dat door de Duitse kritiek – op enkele uitzonderingen na – genadeloos werd afgemaakt.

VS ontvingen talloze waarschuwingen

Auteurs als Bröckers, en dichter bij huis Franssen, stellen pertinente vragen bij de talloze ongerijmdheden, die na 11 september aan het licht kwamen. Schijnbaar is dat een voldoende reden om publiekelijk aan de schandpaal te worden genageld. Waarbij de vraag rijst: "wat is er mis met complottheorieën en is een kritische houding ten opzichte van het beleid van de Verenigde Staten überhaupt nog geoorloofd?"

Het antwoord van Mathias Bröckers op deze vraag is alvast duidelijk: "Zonder plausibele complottheorieën kan niemand onze hoogst ingewikkelde, complexe en conspiratieve wereld nog begrijpen." Merkwaardig is in elk geval dat Franssen en Bröckers, onafhankelijk van elkaar, via lectuur van geschreven en internetbronnen op nagenoeg dezelfde vreemde feiten stoten. De Amerikaanse inlichtingendiensten werden voor 11 september vanuit uiteenlopende hoek getipt dat er aanslagen op til waren. Een maand voordat de vliegtuigen zich in de Twin Towers en het Pentagon boorden, had de Russische president, Vladimir Poetin, zijn inlichtingendiensten de opdracht gegeven "met hoogdringendheid" de Amerikaanse regering te waarschuwen dat 25 terroristen opgeleid werden om vliegtuigen te kapen, die ze tijdens zelfmoordacties te pletter moesten doen vliegen tegen regeringsgebouwen. In een interview met de Amerikaanse zender NBC, op 15 september 2001, verklaarde Poetin: "Ik was stomverbaasd over de reactie van Washington. Ze haalden hun schouders op en zegden: "Wat wilt u dat we eraan doen? We kunnen niets doen want de Taliban willen Bin Laden niet uitleveren". Niet alleen Moskou hing aan de alarmbel. Ook de Egyptische, Israëlische, Franse en Duitse inlichtingendiensten. De Duitse BND stuurde in juni 2001 een zeer duidelijke boodschap: "Terroristen uit het Midden-Oosten zijn van plan passagiersvliegtuigen te kapen om daarmee belangrijke symbolen van de Verenigde Staten aan te vallen".

Eigen politiediensten slaan alarm

Ook uit eigen gelederen kwamen er ernstige verwittigingen. Op 10 juli 2001 zond FBI-officier, Kenneth Williams, uit Phoenix (Arizona), een rapport naar het hoofdkwartier van het FBI (de Amerikaanse federale recherche). Daarin schreef hij dat er in zijn district ongewoon veel Arabieren een vliegopleiding volgden en stelde hij de vraag: zou het kunnen dat dit deel uitmaakt van een plan van Osama Bin Laden om vliegtuigen te kapen? Williams stelde voor ook op nationaal vlak na te gaan of er nog meer Arabieren lessen aan het volgen waren om een Boeing te leren besturen. Hij kreeg hiervoor de steun van zijn supervisor, Bill Kurtz, die voordien actief was in de Bin Laden-eenheid van de anti-terroristische afdeling van het FBI. Het hoofdkwartier van het FBI floot Williams en Kuntz terug: er waren onvoldoende redenen en aanwijzingen om de zaak verder te onderzoeken.

En er komen nog meer alarmerende berichten van "binnenuit". Op 17 augustus 2001 arresteerde de immigratiedienst van de staat Minnesota de Franse Marokkaan, Zacarias Moussaoui. De man volgde vlieglessen aan de Pan Am International Flight Academy in de buurt van Minneapolis. De instructeurs van deze vliegschool vonden het vreemd dat Moussaoui niet alleen de 6.300 dollar inschrijvingsgeld cash op tafel legde, maar alleen belangstelling scheen te hebben voor de manier waarop je een Boeing in de lucht bestuurt. Opstijgen en landen interesseerden hem niet. Het plaatselijke FBI ondervroeg de man en vond dat nader onderzoek aangewezen was. Ook nu weer weigerde het hoofdkwartier de plaatselijke speurders groen licht te geven, "bij gebrek aan bewijzen". Op 26 augustus 2001 meldde de Franse inlichtingendiensten aan de Amerikanen dat Moussaoui banden had met het netwerk van Osama Bin Laden. Pas na 11 september zal de Franse Marokkaan worden gearresteerd. Waarom traden de Amerikaanse veiligheidsdiensten dan niet op? Op het hoogste niveau in de VSA waren er echter wel mensen die de waarschuwingen ernstig namen. Zo besliste minister van Justitie, John Ashcroft, in augustus 2001 geen lijnvluchten meer te gebruiken voor zijn verplaatsingen. Te gevaarlijk zo vond hij.

Vrijgeleide voor Atta en Bin Laden?

Ook Mohammad Atta, de vermoedelijke leider van het terreurcommando van 11 september en volgens Amerikaanse bronnen de man die het eerste vliegtuig tegen de WTC-torens deed te pletter storten, werd geen strobreed in de weg gelegd. Tot twee maal toe (in juni 2000 en in april 2001) had hij in Praag een ontmoeting met de Iraakse diplomaat, Ahmad al-Ani. De Tsjechische geheime diensten kwamen er achter dat het duo een bomaanslag besprak tegen de in Praag gevestigde CIA-zender Radio Free Europe. De Irakees werd uitgewezen. Atta kon rustig naar de Verenigde Staten afreizen, waar hij niet eens vervolgd werd. Op 26 april 2001 hield sheriff Josh Strambaugh van Broward County (Florida) een onvoorzichtige chauffeur tegen. Het was Mohammed Atta. Hij bleek niet te beschikken over een geldig rijbewijs. Attta moest zich binnen de dertig dagen op het politiekantoor melden om er zijn rijbewijs voor te leggen. Dat deed hij niet en zo kwam hij op 27 mei in de computer terecht als op te sporen individu. Op 5 juli 2001 deed agent Scott Gregory van Palm Beach County een te snel rijdende Atta stoppen. Bij nader onderzoek stelde de agent vast dat de naam Atta niet in de computer voorkwam op de lijst van op te sporen en te arresteren personen. Na 11 september kende het Amerikaanse politieapparaat de naam Atta dan plots weer wel: in de rokende puinen van de WTC-torens, waar van de meer dan 3.000 slachtoffers alleen nog maar wat stof overbleef, vonden de speurders het nagenoeg ongeschonden paspoort van Atta, Het document had temperaturen van meer dan 1200 graden doorstaan…

Franssen en Bröckers wijzen ook op de talloze mogelijkheden, waarover de Amerikaanse inlichtingendiensten beschikten om in het al Qaeda netwerk te infiltreren en Osama Bin Laden te arresteren. Op 31 oktober 2001 lazen Franssen en Bröckers in de Parijse krant Le Figaro het verhaal van journaliste Alexandra Richard. Ze schreef hoe Bin Laden van 4 tot 14 juli 2001 voor een chronische nierinfectie werd verzorgd in het Amerikaanse ziekenhuis van Dubai. De meest gezochte terrorist ter wereld werd er behandeld door de uroloog Teery Callaway en kreeg er ook bezoek van de chef van de CIA in Dubai. Op 14 juli vertrok Bin Laden er met zijn privé vliegtuig. Niemand sloeg hem in de boeien…

De Amerikaanse inlichtingendiensten waren perfect in staat te infiltreren in het al Qaeda-netwerk. Net zoals het Talibanregime was het netwerk van Osama Bin Laden nauw verweven met de Pakistaanse geheime dienst ISI van generaal Mahmud Ahmad, die op zijn beurt kind aan huis was in Washington en in de CIA-centrale in Langley. De Indiase inlichtingendiensten hadden in juli 2001 de Amerikanen op de hoogte gebracht dat generaal Ahmad 100.000 dollar had overgemaakt aan Mohammed Atta. Dat belette de Pakistaanse generaal helemaal niet om van 4 tot 15 september 2001 een officieel werkbezoek af te leggen aan de Verenigde Staten. Op 9 september – de dag waarop in Afghanistan krijgsheer Ahmed Shah Massoed van de Noordelijke Alliantie werd vermoord door leden van al Qaeda, die nauwe banden met de ISI onderhielden – zat generaal Mahmud Ahmad van de ISI in een bespreking met George Tenet, de baas van de CIA, en met officieren van het Pentagon. En op de fatale datum 11 september ontbeet de Pakistaanse generaal om 8 uur 30 met senator Bob Graham en congresafgevaardigde Porter Goss, respectievelijk voorzitter van de Senaats- en Kamercommissie, die toezicht moeten houden op de inlichtingendiensten. Om 8 uur 46 vloog het eerste vliegtuig tegen de noordelijke toren van het WTC-gebouw in New York. Graham en Goss, twee persoonlijke vrienden van CIA-baas Tenet, werden bij hun ontbijttafel weggeroepen.

Is dit wel mogelijk?

Franssen beschrijft ook hoe traag de FAA (Federal Aviation Administration of de burgerlijke luchtvaartautoriteit) en de NORAD (North Amrican Aerospace Defense Command, het militair commando dat instaat voor de veiligheid in het Noord-Amerikaanse luchtruim) op 11 september in actie kwamen en geen van de terroristenvliegtuigen konden onderscheppen, wat anders in een handomdraai gebeurd is. Ook dit verhaal heeft een hoog Kafkagehalte.

Bij zo’n torenhoge stapel ongerijmdheden rijst uiteraard slechts één vraag: is het Amerikaanse politieke, politionele en militaire establishment echt zo pervers dat het meer dan 3000 eigen burgers de dood laat injagen en belangrijke symbolen als de WTC-torens en het Pentagon tot walmend puin laat herleiden?

Beide auteurs wijzen op precedenten uit de moderne Amerikaanse geschiedenis. Mathias Bröckers: "Toen op 7 december 1941 vliegtuigen vanuit een heldere hemel Pearl Harbour aanvielen, was Amerika ontzet over zo veel Japanse listigheid. Vandaag zeggen historici dat president Roosevelt vooraf op de hoogte was van de aanval en hem zelf geprovoceerd heeft. Roosevelt wilde aan de Tweede Wereldoorlog deelnemen, maar 88% van de Amerikaanse bevolking was daar tegen, tot Pearl Harbour."

Peter Franssen: "Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn het militaire denken en de structuren van het Amerikaanse leger en de inlichtingendiensten aangepast aan het gebruik van terreur." De auteur brengt een aantal voorbeelden in herinnering. In 1961 – onder het bewind van John F. Kennedy – werd in de VS de operatie Mangoose uitgewerkt. De chef van de stafchefs in de VSA, generaal Lyman Lemnitzer, en luchtmachtgeneraal Edward Landsdale (een specialist in contraterreur) lieten bij de uitwerking ervan hun verbeelding de vrije loop. Ze overwogen onder meer: een luchtaanval op de Amerikaanse basis Guantanamo in Cuba (waarbij veel Amerikaanse militairen om het leven zouden zijn gekomen); het torpederen van boten met vluchtelingen uit Cuba; het neerhalen van Dominicaanse burgervliegtuigen of Amerikaanse toestellen op weg naar Jamaica of Trinidad-Tobago en zelfs het doen ontploffen van de ruimteraket van astronaut John Glenn. Zulke incidenten konden dan in de schoenen van Fidel Castro worden geschoven, waarop niets nog een grootscheepse militaire invasie tegen Cuba in de weg zou staan. In 1966 publiceerde de generale staf in de VS het "US Army Handbook of Counterinsurgency Guidelines". Daarin stond letterlijk het gebruik van terreur beschreven met als waarschuwing: "Het tactisch gebruik van terrorisme mag niet verward worden met uitroeiing. Selectieve terreur mag gebruikt worden tegen de burgerbevolking, maar geen massaterreur. Dat wil zeggen: volkerenmoord is geen alternatief." En dat zullen de Vietnamezen kort daarop geweten hebben. De CIA lanceerde in dit land de Operatie Phoenix, dat met terreur de bevolking moest intimideren en het Vietnamese verzet moest uitschakelen. Tussen 1968 en 1972 kostte deze terreurcampagne aan 26.369 Vietnamezen het leven. 33.350 mensen werden opgesloten (het merendeel gefolterd). De cijfers zijn afkomstig van William Colby, de chef van de CIA, die de operatie leidde. In de jaren ’60, ’70 en ’80 sloeg de Amerikaanse contraterreur zowat overal toe in Latijns-Amerika, met openlijke steun aan moorddadige militaire regimes in Chili, Argentinië, Bolivia en Uruguay. In de jaren ’80 was Washington de drijvende kracht achter de contra’s, die in Nicaragua de Sandinisten bestreden. In Guatemala en El Salvador hielpen de VS bij de onderdrukking van de linkse guerrilla. Balans: 200.000 doden in Guatemala, 75.000 in El Salvador en 50.000 in Nicaragua. Dichter bij huis was de CIA actief betrokken bij een golf van terreur in Italië. Daarbij kwamen honderden onschuldige burgers om het leven. In 1974 werd de Italicus, de trein tussen Bologna en Firenze, opgeblazen: 12 doden. In 1980 vielen er 85 doden bij een bomaanslag op het station van Bologna. Beide spectaculaire aanslagen werden gepleegd en gefinancierd door leden van de geheime loge P2. Op 2 juli 1990 verklaarde Richard Brennecke, een gewezen CIA-agent, in een interview met de Italiaanse staatstelevisie RAI dat de VS-inlichtingendienst de P2 had gefinancierd (met gemiddeld 1 miljoen dollar per maand).

De winnaars van 11 september

De Amerikaanse buitenlandse politiek telt twee heel bijzondere ideologen in zijn rangen: Zbigniew Brzezinski (de voormalige veiligheidsadviseur van de democratische president Jimmy Carter) en Henry Kissinger (voormalig republikeins minister van Buitenlandse Zaken). Beide heren zijn al lang met pensioen en bekleden geen officiële functies meer. Maar zij sturen met de regelmaat van een klok hun adviezen de wereld in. Op de avond van 11 september had Kissinger al een opiniestuk klaar voor de Washington Post: "Wij moeten de terroristen met wortel en tak uitroeien. Alle terroristische organisaties en alle regeringen die hierbij betrokken zijn moeten een zeer hoge prijs betalen". In 1997 had Zbigniew Brzezinski een opmerkelijke analyse afgeleverd over de doelstellingen van het Amerikaanse buitenlandse beleid onder de titel "The Grand Chessboard: the American Primacy and its Geostrategic Imperatives". De democraat Brzezinski schreef toen: "De Verenigde Staten zijn in eigen land te democratisch om in het buitenland autocratisch te kunnen zijn. Dat beperkt het gebruik van hun macht, in het bijzonder van het vermogen militair te intimideren. Een vrije democratie heeft in het verleden nog nooit een internationale suprematie weten te bereiken".

En 11 september zorgt voor de grote ommekeer. In een klimaat van opgeklopt patriottisme, militarisme en oproepen van de president tot wraakacties, geraken snel twee oorlogszuchtige doctrines ingeburgerd in de VS. "De eerste is het preventief toeslaan", schrijft Peter Franssen en hij citeert Bush: "Als we wachten met toeslaan tot de dreiging werkelijk wordt uitgevoerd, hebben we te lang gewacht. We moeten het slagveld naar de vijand brengen, zijn plannen voor zijn en de dreiging wegnemen voor de vijand haar kan uitvoeren. De enige weg naar veiligheid is actie en deze natie zal actie ondernemen." Op 14 september 2001 kreeg George Bush carte blanche van de Senaat (98 tegen nul stemmen) en het Huis van Afgevaardigden (420 stemmen tegen één) om tot militaire actie over te gaan. In de resolutie stond: "Het is de president toegestaan alle machtsmiddelen te gebruiken tegen naties, organisaties en personen die volgens hem de terroristische aanslagen van 11 september gepland, toegestaan, uitgevoerd of erbij geholpen hebben of deze organisaties en personen onderdak hebben verschaft".

De tweede doctrine die – in tegenstelling tot vroeger – nagenoeg kritiekloos wordt geslikt na 11 september is het gebruik van kernwapens. Op 31 december 2001 legde het Pentagon het rapport ‘Nuclear Posture Review’ voor aan het Congres. Daarin werd de inzet van kernwapens als volgt bepleit: "Kernwapens spelen een belangrijke rol bij de verdediging van de Verenigde Staten, hun bondgenoten en vrienden. Ze bieden een geloofwaardige militaire optie. Amerikaanse militaire middelen, inclusief kernwapens, zullen nu gebruikt worden om tegenstanders ervan te weerhouden militaire programma’s of operaties op te zetten die de belangen van de Verenigde Staten of van hun bondgenoten en vrienden kunnen bedreigen". Het autocratisch presidentieel regime, waarover Zbigniew Brzezinski hardop droomde, begint na 11 september stilaan vaste vorm te krijgen.

Iedereen in de pas

Senatoren en kamerleden die een onderzoekscommissie eisten (de Republikeinse senator Mc Cain en zijn Democratische collega Lieberman) of parlementsleden die een antwoord wilden op de vele vragen naar het falen van de politie- en inlichtingendiensten (de democratische fractieleiders in Senaat en Kamer, Tom Daschle en Dick Gephardt) werden door vice-president Dick Cheney prompt in een hoekje geveegd: "Ze ondermijnen de strijd tegen het terrorisme". De toch al strak gestroomlijnde Amerikaanse pers, ging nog meer in de pas lopen. Dat leverde hilarische, maar angstwekkende uitspraken op. Dan Rather, één van de coryfeeën van de zender CBS, zei onomwonden: "George Bush is de president. Hij neemt de beslissingen. Waar hij wil dat ik ben, daar zal ik zijn. Hij moet het mij gewoon maar zeggen".

In de Amerikaanse media werd zonder enige schroom een lans gebroken om foltering van vermeende terroristen toe te laten. "Het Israëlische leger doet dat toch ook," merkte een FBI-officier fijntjes op in een gesprek met de Washington Post. In het gerenommeerde Newsweek schreef Jonathan Alter: "In deze herfst van woede kunnen zelfs de ideeën van een liberaal in de richting van foltering gaan. Foltering kunnen we niet legaliseren, want dat is in tegenspraak met de Amerikaanse waarden. Maar we moeten er wel met een open geest aan denken en we kunnen misschien sommige verdachten overdragen aan onze minder gevoelige bondgenoten die niet terugschrikken voor foltering, ook al is die oplossing hypocriet." De Los Angeles Times liet de bekende advocaat Alain Dershowitz aan het woord: "Het komt niet de politie maar een rechter toe om te beslissen in welke gevallen foltering toelaatbaar is."

Minister van Justitie, John Ashcroft, besliste in november 2001 dat 5000 jonge mensen die de voorbije twee jaar uit het Midden-Oosten en Zuid-Azië zijn geïmmigreerd, verhoord moeten worden. In maart 2002 voegde hij nog eens 3000 "mogelijke verdachten" aan zijn lijstje toe. Tegen eind november zaten 1.147 mensen opgesloten – bijna allemaal Arabieren – zonder enige opgave van reden, zonder dat zij een advocaat mochten raadplegen. President Bush besliste dat "niet-Amerikanen" die verdacht worden van steun aan het terrorisme, voortaan gevonnist zullen worden voor een militaire rechtbank. De zittingen van deze rechtbanken zijn geheim, er is geen beroep mogelijk en de rechters hoeven niet unaniem akkoord te zijn om een verdachte naar de elektrische stoel te sturen. Dat dit een flagrante schending van de Conventie van Genève is, zal de VS-president een zorg zijn. Zoals bekend, heeft Bush weinig affiniteit met internationale rechtsregels of strafrechtelijke hoven.

Zien Franssen en Bröckers spoken? Deze vraag is minder pertinent dan de vele vragen die zij oproepen bij de aanslagen van 11 september. Wellicht worden de antwoorden ooit nog eens opgediept uit de geheime archieven van de FBI en de CIA, tenminste als die voor 11 september 3001 worden geopend…

(Uitpers, nr. 34, 4de jg., oktober 2002)

(1) Peter Franssen (in samenwerking met Pol De Vos), "11 september. Waarom de kapers vrij spel kregen", EPO, Berchem, 2002, 184 blz., 12,50 euro.

(2) Mathias Bröckers, "Verschwörungen, Verschwörungstheorien und die Geheimnisse des 11.9.", Verlag Zweitausendeins, Frankfurt, 2002, 350 blz., 12,75 euro.

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 66 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook