Persvrijheid in Algerije: schiet niet op de karikaturist

Als men Reporters Sans Frontières mag geloven kent Algerije een behoorlijk vrije pers. Is dit wel zo of is het gewoon zoals het politieke bestuur van het land, dat onlangs door Bush en co als de meest democratische staat van de moslimwereld bestempeld werd?

Algerije is een ambigue land waar de complexiteit in het buitenland meestal niet ten volle verstaan wordt. Fenomenen zoals El-Para, de zgn Ben Laden van de Sahara, Abrika, de zgn. Ché van Kabylië – ook “Jezus” bijgenaamd, zijn niet wat ze lijken. Hetzelfde geldt voor de pers. Ze is vrij maar dan toch weer niet. In hetzelfde interview kreeg ik te horen dat er misbruiken waren van de pers, een gebrek aan deontologie en dat er tegelijkertijd een zwaard van Damocles hing boven de redacties in de vorm van processen wegens laster ten aanzien van de staat.

Goed begonnen…

Algerije kent in 1989, lang voor de neoconservatieve retoriek, zijn eerste democratiseringsgolf sinds “de erfzonde”(1) van 1962. Het experiment zal tot januari 1992 aanhouden. Erger dan de electorale overwinningen van het FIS (Front Islamique du Salut) was de islamistische aanhang binnen de lagere rangen van het leger. De machtsstrijd zal beslecht worden door degene die de controle verwerft over de DRS (Direction du Renseignement et de la Sécurité) een inlichtingendienst die tevens een politieke politie is, en de structuur van de in 1987 ter ziele gegaan Sécurité Militaire erft(2).

Terwijl de partijstaat in de strijd tegen het oprukkende fundamentalisme een nieuwe legitimatie verwerft en het politieke proces stillegt, blijft de pers een zekere vrijheid behouden. Hoewel de veiligheidspolitiek dezelfde is voor zowel de fundamentalistische groeperingen als voor de pers: infiltratie, zij het met minder zware gevolgen voor de pers.

De staat heeft uiteraard zijn kranten, infiltreert de overige om haar invloed over de presentatie van de slachtingen in de jaren negentig te verzekeren: de slachtingen zijn het werk van fundamentalisten, zelfs al vinden deze moorden plaats in de nabijheid van militaire kazernes, zijn er infiltranten die meedoen en gewoon operaties van de militairen zelf (die er momenteel een amnestie voor aan het bewerkstelligen zijn).

Nochtans zijn er journalisten die beide kanten, militaire overheid en fundamentalisten, aanklagen.

Baya Gacemi, gewezen journaliste voor L’Express en huidige hoofdredactrice van L’Epoque een satirische krant opgericht door journalisten, die drie maanden geleden het licht zag.

Destijds had de overheid ook een bondgenoot nodig. Er bestond toen ook een soort consensus, de journalisten waren het min of meer eens over dezelfde zaken, de vijand was degene die iedere dag opnieuw doodde, zelfs degenen die enigszins ‘afweken’ en beweerden dat de overheid alles organiseerde, globaal genomen was iedereen het eens over het feit dat het geweld moest ophouden.”

In het elan van de politieke liberalisering hadden allerlei kranten het daglicht gezien met een toenemende vraag als gevolg. Zo stichtte de populairste karikaturist, Ayoub (zelfs vele van de 28% analfabeten kennen hem), een satirische krant en hadden zelfs oppositiepartijen zoals het FFS (Front des Forces Socialistes) hun eigen krant. Naast de alomtegenwoordige infiltratie van de DRS(nog altijd van kracht trouwens) vond de overheid al snel andere manieren om controle uit te oefenen over de pers, via de financiering van de kranten. De lage verkoopprijzen van kranten laten niet toe de boel draaiende te houden, de sponsors intimideren is een andere manier om een krant onder druk te zetten. Vele kranten moesten om die redenen de boeken sluiten.

De crisisjaren

Ondertussen deelden de journalisten in het leed van de burgeroorlog; tussen 1993 en 1996 werden 57 journalisten vermoord, om “de storende elementen te verwijderen, de terroristen te diaboliseren en de pers te intimideren”(3), toch hebben de meeste overlevenden die vooral in het land gebleven zijn een subtielere beschrijving: Karikaturist Hicham(4):

Nu met de terugblik zeg ik mij dat het eigelijk niet enkel de journalisten waren die vermoord werden. De mensen die ’s ochtends naar hun werk gingen wisten niet of ze ’s avonds nog zouden kunnen terugkomen. Het waren dus niet alleen de journalisten die beroepswijze geviseerd werden. Het gelijkt enigszins op hetgeen nu plaatsvindt in Irak, helaas.”.

Toch zullen deze omstandigheden de nieuwe generatie niet afschrikken voor het beroep,

Baya: “In Europa is het een beroep als een ander, maar hier in Algerije moet men het echt wel willen, vooral in de jaren 1993-1998 waar de druk van het terrorisme sterk was. Raar genoeg is het tijdens die periode dat men een sterke toename gekend heeft van nieuwe rekruten, in het bijzonder vrouwen, meisjes die uit de universiteit kwamen en die journaliste wilden worden

De onveiligheid leidde tot ambigue situaties, tussen vrijheid en veiligheid in ruil voor controle. Zo werden alle krantenredacties voor hun eigen veiligheid ondergebracht in een pershuis dat niets meer was dan een niet meer gebruikte militaire kazerne in het centrum van de hoofdstad. Zelfs het ondertussen met uitsterven bedreigde communistische Alger Républicain is er nog altijd gevestigd. Ook buiten het werk zou de overheid instaan voor de veiligheid van de media: radio, geschreven pers en tv journalisten/presentatoren werden gehuisvest in Sidi Frej een toeristische enclave 15km buiten Algiers waar de Fransen in 1830 voor het eerst voet op Algerijnse bodem zetten. Ondanks de pacificatie van het conflict blijft de situatie dezelfde tot op vandaag.

Naast infiltratie, financieringsdruk, sponsering van overheidsbedrijven via een speciale raad, beschikt de overheid nog over een andere troef. Een troef die ze op politiek vlak reeds uitgespeeld heeft. Onder het mom van een meerpartijenstelsel(5) spelen verschillende partijen een representatieve rol, maar slechts in schijn. Zo is er bvb. het islamitische MSP dat de restanten van de gematigde fundamentalisten, verloren schapen moest terugbrengen, of het RCD dat doel heeft de Kabylische opstandelingen te verdelen en de invloed van het FFS te doen tanen. Het regime financiert via deze partijen kranten die onder een onafhankelijke vlag de koers en het beleid van het regime beamen.

Zo is er de Dépêche de Kabylie, waarvan het eerste nummer de 13de juni 2001 verscheen net één jaar na de “gebeurtenissen” van de Kabylische lente. In feite ontstond het ten gevolge van Saïd Sadi’s RCD (Rassemblement Culturel et Démocratique) dat een coalitiepartner is van het FLN (Front de Libération Nationale)(6) en de Kabylische beweging verdeelt. Zelf beschouwen ze het als ” we hebben een krant willen stichten waarin alle stemmen zich zouden kunnen uitdrukken”(7). Niet verwonderlijk dat de krant zeer gematigd rapporteerde over de wetswijzigingen die het regime doorvoerde om verkiezingen vanuit het niets te toveren en enkel toepasbaar op één regio, Kabylië. Deze regio was/is in handen van het FFS. Het enige doel zijn de “Wilaya” (-provincie)raden en stadsraden (APC’s) in handen te krijgen via verkiezingen van bovenaf.

De tactiek van de overheid ten aanzien van de pers toont ook hier gelijkenissen met degene die ze in de burgeroorlog tegen het FIS gebruikte, infiltreren, verdeeldheid scheppen en discrediteren. In deze context moet men de “excessen”, misbruiken van de Algerijnse pers beschouwen.

Hic’: “de persvrijheid kende een zeer goede start maar in een tweede fase kwam ze niet, ze miste de vorming van een eigen deontologie opgebouwd vanuit een vorm van zelfkritiek“.

Najeeb (redacteur bij L’Epoque) “Er zijn toch excessen geweest, laster en uitschelden, in deze pers in naam van de persvrijheid. Daarentegen denk ik niet dat men met repressie dit in de juiste banen kan terugbrengen. Ze moet zichzelf doen terugkeren naar haar ware roeping, met name informeren. Eén van de fouten die de pers gemaakt heeft is dat ze zich in de plaats stelde van de politieke partijen, haar eigen vertoog over-politiseerde.”

De pen is sterker dan het zwaard, en het proces sterker dan de pen…

Vreemd genoeg waren het niet die excessen die vervolgd werden met het nieuwe wapen die het regime gebruikt tegen de persvrijheid: processen. Een proces kan uitmonden in fikse boetes (onlangs legislatief verhoogd) en zelfs opsluiting, vaak hebben ze tot doel onder druk te zetten en kunnen ze daardoor verschillende jaren aanslepen, vooral wanneer de aanklacht ongegrond is. Het proces tegen Djamel Noune omwille van een tekening over de nationale televisie van 7 augustus 2002 werd op 20 juli 2005 alweer verdaagd. De boetes kunnen daarbij ook de redacties treffen en scheppen daardoor een klimaat van zelfcensuur.

Hic’ : “Ik heb zeven klachten van het ministerie van Defensie en één van het presidentschap, idem voor Dilem SAS, ik denk dat hij er een 24-tal heeft. En in feite is het zo, de eerste aanklacht is men verrast, de tweede klacht is men enigszins bang, tegen de derde weet men dat het deel uitmaakt van het beroep, men begint zich zelfs af te vragen waar ze blijven als het acht maanden rustig is. Raar genoeg zijn die klachten die ik voor die acht tekeningen binnensleepte, ik verwachte klachten maar niet voor die tekeningen. Ze waren “soft” er was niets scheldend of “laster”-igs aan. Het is juist al het subjectieve van die zaken. Men eindigt dan voor een echter waar men zijn tekeningen moet verdedigen. Het is erg theatraal en kafkaiaans, er is in feite niets dat meer expliciet is dan een tekening, en daar zit men dan een tekening uit te leggen.

Djamel Noune is wel een uitzondering omdat het bij hem een instelling (nationale televisie ENTV) is die er een hele zaak van gemaakt heeft tegen hem terwijl zijn tekening niet eens scheldend was, en hijzelf zegt dat het niet eens zijn scherpste was. Idem bij mijn tekeningen, niet eens goeie die ik snel-snel gemaakt had omdat ik daarna een afspraakje had en naar het strand ging. Maar bon het tekent wel de “décallage” tussen het rechtssysteem en de pers.

Ik weet nog de dag dat ik voor moest komen voor mijn derde of vierde tekening: eerst vroeg hij mij “bent u degene die deze tekening gemaakt heeft?”Ja, mijn handtekening staat eronder, “hebt u die onder druk gemaakt” Neen niemand heeft mij verplicht. Dat zijn de vaste procedurele vragen. Daarna begon het proces pas. De rechter zegt “het ministerie van landsverdediging klaagt u aan wegens laster omdat u dit en dat zegt in de ‘luchtbel’ van de tekening”. Op dat ogenblik staat de aanklagende partij recht om te zeggen “Neen meneer de rechter het is niet daarvoor maar omwille van de titel”. De rechter was compleet “à côté de la plaque” (er compleet naast zitten). Het was belachelijk omdat de titel niet van mij is maar een algemeen nieuwsfeit waarop ik da een “joke” op maak. Hij was dus niet van mij, ik lag dubbel van het lachen, maar bon men kan er niets aan doen.”

De overheid heeft zich voorzien van wetsbepalingen (144abis) en recente amendementen om makkelijker laster te kunnen bestraffen met hogere boetes (in de buitenlandse pers gekend onder de naam “Dilem-amendementen naar de naam van de Franstalige karikaturist Dilem). Chroniqueur SAS en de redactie van de krant waar hij werkt Le Matin, kregen een boete van 12.000 euro (het minimumloon in Algerije bedraagt 100 euro)

Baya : “Ik denk dat deze wetten een aantasting van de persvrijheid zijn. Met de persvrijheid heb je altijd hetzelfde probleem: men gaat ze nooit frontaal aanvallen, geen enkel regime zou de fout begaan om te zeggen “Bon we stoppen alles, geen vrije pers meer”, ze gaan beetje bij beetje knagen aan stukjes en vrijheden totdat deze volledig beperkt worden. Soms wordt men het zelf niet gewaar en bevindt men zich in een zeer nauwe doodskist. Deze nieuwe amendementen en alles wat er volgde, al de processen het maakt deel uit van de intimidaties en aantastingen van de vrijheid van expressie. De dreiging van het rechtsapparaat beperkt de mensen in hun vrijheid van uitdrukking.”

En dan is er nog het geval Benchicou. Gerespecteerde hoofdredacteur van Le Matin en auteur van het boek “Bouteflika une imposture” (Bouteflika een bedrog). Hij werd echter veroordeeld wegens een “frauduleuze zaak rond kasbons”, dit in een land waar staatscorruptie een dagelijkse bezigheid is. Binnen een goede maand viert hij zijn 500ste dag achter de tralies. De 25ste juli stapten zijn advocaten naar de pers om bekend te maken dat het dossier dat ze overgebracht hadden naar het opperste gerechtshof, de 24Ste oktober 2004, schijnbaar verloren was geraakt in het netwerk van het kafkaiaanse Algerijnse rechtstelsel.

In Algiers vind je in de straat die tussen Audin en het pershuis loopt een monument “place de la liberté de la presse”. Aan de overkant van de straat plakt een affiche voor de vrijlating van Benchicou en andere journalisten.


Plein van de Persvrijheid in Algiers. (Foto: Luk Lurk)


Bevrijd Bouchicou en de anderen die gevangen zitten (foto Luk Lurk)

Besluit

Het beeld ziet er dan toch niet zo goed uit. Is het vandaag misschien slechter dan tijdens de burgeroorlog?

Baya: “Het is nu inderdaad slechter want toen de crisis erger was, was het voor journalisten makkelijker om vrij te werken dan vandaag. Om diverse redenen, het regime had destijds de pers nodig als geallieerde, dus liet het journalisten begaan terwijl het nu niemand nodig heeft. Het regime heef genoegt aan zichzelf, het is nog net geen absolute macht, maar zo goed als. Het regime denkt dat het niemand nodig heeft uit de civil society, behalve degene die het zelf uitkiest en dus kan en wil de vrije pers niet zijn geallieerde zijn.”

De persvrijheid heeft in Algerije een dubbelgezicht, aan de ene kant lijkt ze vrij en kan men zeggen wat men wil, aan de andere kant is het net het omgekeerde. De toegeving dat men Bouteflika een lelijke (doch geslepen) vos mag noemen compenseert voor de controle van de DRS en de processen. Vele Algerijnen vertelden me met trots dat zij tenminste hun leider konden uitlachen wat niet het geval was voor hun Marokkaanse buren.

Hic, die een Marokkaanse tante heeft en verleden jaar te gast was op een internationale karikaturistententoonstelling ziet het anders: “Ik was er naartoe gegaan met het vooroordeel dat de Marokkanen niet zo vrij waren als wij. In feite is het simpel: er is het paleis en alles wat daarbij hoort, daar mogen ze niet aankomen, daarbuiten mag zo goed als alles. Ik heb hilarische dingen gezien over de corruptie, de flikken etc. Er enkel een rode lijn die je niet mag overschrijden, een beetje zoals hier.”

De vraag hoe vrij de pers is in Algerije kan zich resumeren met een andere even onduidelijke vraag: hoe democratisch is Algerije. Businessmensen van Amerika tot Rusland en zelfs Syrië treffen elkaar in het zuiden samen met Sonatrach en zullen beweren dat Algerije het meest democratische land is van de moslimwereld. In feite betreft het een prachtige omzeiling van een democratie door een controlestaat die de ruimte die haar ontsnapt toch weet te beïnvloeden (cfr. Kabylië). Ondertussen probeert eenieder te overleven, de journalisten die in Sidi Frej wonen en overdag werken met een proces op hun rug, hopen op een betere toekomst onthutst door een blijvende status-quo onder een derde termijn van president Bouteflika. Er zijn plannen voor een journalisten- en media-petitie tegen zijn derde termijn, het moet van ergens komen gezien de rest van de civil society door de overheid lamgelegd of gesaboteerd wordt(8).

(Uitpers, nr. 67, 7de jg., september 2005)

Voetnoten

(1) “Péché originel” van de zomer 1962 term gegeven door José Garçon, waarbij het EMG, Etat Major General” van het ANP (Armée Nationale Populaire) onder leiding van Boumédienne eerst het ALN (Armée de Libération Nationale) opzij schoof en de ware macht bezat achter het burgerlijk bestuur gelegitimeerd door één van de negen historische leiders: Ben Bella. Het FLN (Front de Libération Nationale, Nationaal Bevrijdingsfront, dat van 1954 tot 1962 oorlog voerde tegen Frankrijk) wordt de zelfgelegitimeerde enige partij, van de onafhankelijkheidsstrijd en bijgevolg de natie. De andere “historische leiders” verzetten zich ertegen met onder meer Hocine Ait Ahmed die de FFS (Front des Forces Socialistes, Front van Socialistische Krachten) opricht. Zie ook Labri (Mohammed), Stora (Benjamin) e.a. La Guerre d’Algérie, la fin de l’amnesie. Tome 1 et 2, Chihab ed., Alger, 2004, sp.

(2) Samraoui (Mohammed). Chronique des années de sang. Algérie: comment les ervices secrets ont manipulé les groupes islamistes. Denoël, Paris, 2003, sp.

(3) RSF, Rapport Annuel 2003, de situatie was uiteraard kritisch en de journalisten verenigden zich ter gelegenheid van begrafenissen van hun collega’s, doch ze waren niet de enige gecibleerde beroepsactiviteit. Ook politici, functionarissen en andere beroepen of personen met invloed konden het slachtoffer worden. Een gedramatiseerde versie werpt uiteindelijk vaak meer vruchten af binnen onze ingeslapen hersenen.

(4) Hic’, Hicham karikaturist bij “Le Jeune Indépendant” en “l’Epoque”

(5) RCD, RND, MSP en andere partijen die coalities aangingen met de FLN enkel om onbetekenende politiek te voeren van hetzelfde FLN

(6) Opgericht in 1954 als groepering van diverse strijdende groepen tegen de Fransen in de loop van de onafhankelijkheidsstrijd wist het zich op te werpen tot de enige partij een status die ze na de onafhankelijkheid constitutioneel zou verzilveren

(7) Uit een interview afgenomen met Idir Ben Younes, hoofdredacteur van La Dépêche de Kabylie

(8) met uitzondering van de FFS die de enigen zijn die sinds het verbod op betogen in Algiers een mars gevoerd hebben in de hoofdstad

Print Friendly, PDF & Email
Visited 11 times, 1 visit(s) today
Over Luk Lurk

Zie ook

×