Palestina en Israël gemeten en gewogen

Ludo Abicht. Eén maat en één gewicht. Een kritisch essay over Israël-Palestina. Uitgeverij Pelckmans/Klement, Kapellen/Kampen. 157 blz.

Ludo Abicht wil met zijn nieuw kritisch essay over Israël-Palestina een zo zuiver mogelijke bijdrage leveren in het dikwijls zo emotioneel geladen debat over de tragiek in het Midden-Oosten. Onder kritisch verstaat hij zoveel mogelijk geïnformeerd, genuanceerd en geëngageerd denken, spreken en handelen. Wanneer het aan een van de drie termen ontbreekt dan krijg je fanatisme, aldus Abicht. Het hele boek is opgebouwd rond deze drie begrippen via dewelke hij probeert het conflict te analyseren. Hij neemt ook positie in. Het is een scherpe aanklacht tegen de ‘zeloten’ in beide kampen, aan wie het juist aan nuance of informatie ontbreekt. Hij viseert zionisten die elke kritiek op Israël afdoen als antisemitisme, waardoor het begrip danig uitgehold wordt dat het zijn erge betekenis verliest. Maar hij waarschuwt ook de verdedigers van de Palestijnse zaak die zich zorgen zouden moeten maken over die groep in eigen rangen die het onderscheid tussen antizionisme en antisemitisme uit het oog verliest.

Dat betekent niet dat Abicht ervoor pleit om in steriele neutraliteit te vervallen. Dat is de betekenis van de derde component van het kritisch zijn, omdat we er uiteindelijk na voldoende geïnformeerd te zijn en de argumenten tegenover elkaar zijn afgewogen, niet onderuit kunnen om partij te kiezen (engagement). Dat zou het interessantste deel moeten zijn omdat de lezer na al die informatie en nuance wilt weten welke conclusies er uit worden getrokken. Zo sterk de twee eerste delen uitvallen, zo mager en ontgoochelend is het derde, want Abicht maakt er zich in een paar bladzijden vanaf. Daarover straks meer.

Het eerste deel biedt een goed historisch overzicht, maar dat daarom zeker niet volledig is. Abicht probeert in eerste instantie vooral te informeren over de oorsprong van het latere zionisme. Zijn stelling is dat in de Joodse cultuur het verleden en de herinnering altijd en voortdurend sterk aanwezig zijn. De Thora – het Joodse oude Testament of Hebreeuwse bijbel – en in minder mate de Talmoed – commentaar op de bijbel – vormen belangrijke instrumenten van het Joodse collectieve geheugen. Het sterke (religieuze) bewustzijn van de Joden zorgt voor een aanvaring met het christendom vanaf het ogenblik dat het de officiële godsdienst wordt van het Romeinse Rijk. Van religieus anti-judaïsme komt antisemitisme al zeer vroeg opzetten tijdens de kruistochten met allerlei valse mythes over joden tot zelfs hele pogroms (zie trouwens ook het uitermate interessante boek van de linkse Jood, Maxime Rodinson, de joodse natie in droom en daad, waarin een heel hoofdstuk is gewijd over de wortels van het antisemitisme, maar ook het zionisme). De scheiding tussen kerk en staat vanaf de verlichting maakt de weg vrij voor een sterke emancipatie van de Joden en hun succesrijke deelname aan het artistieke, economische en politieke leven. Maar het is wellicht net dat succes dat, in het zog van het groeiend nationalisme, zorgde voor een sterke heropleving van het antisemitisme. De affaire Dreyfus was de spreekwoordelijke druppel die de joodse intellectuele elite deed besluiten dat slechts een eigen Joodse staat een antwoord kon bieden op het steeds weerkerende antisemitisme. Hoewel Theordor Herzl niet de echte vader is van het zionisme, zorgde hij wel voor de grote doorbraak met zijn bekend boek Der Judenstaat. Geschreven in de volksnationalistische geest van zijn tijd, was het een pleidooi voor de oprichting van een joodse staat. Ook al betekende dat in de praktijk de kolonisatie van een reeds bewoond gebied. Ook in dat opzicht redeneerde Joods-Europese elite niet anders dan de Europese voorstanders van kolonisering. De rest is al meermaals in tal van andere boeken beschreven: het uitbreken van de eerste wereldoorlog en de ondergang van het Ottomaanse rijk, de voortijdige geheime opdeling van het Midden-Oosten tussen Frankrijk en Groot-Brittannië (Sykes-Picot, 1916) en vooral de ‘Balfourverklaring’ (genoemd naar de Britse minister van Buitenlandse Zaken) waarin voor het eerst sprake is van een Joods Nationaal Tehuis. De Zionisten zaten niet stil: gronden werden opgekocht en vanaf 1920 kwam de joodse emigratie naar het ‘beloofde land’ sterk opgang. Daar ontstond de zionistische paradox die tot vandaag zou doorwerken: het seculiere en volksnationalistische zionisme bediende zich van religieussymbolische elementen en mythes om voldoende Joden warm te maken om de reis naar het ‘beloofde land’ in te zetten (later zorgden nazisme en Jodenvervolging uiteraard voor een extra-argument). De vermenging tussen volksnationalisme en religie komt ook na het ontstaan van Israël regelmatig terug. Zo bijvoorbeeld bij de ‘wet op terugkeer’. Deze wet uit 1950 slaat niet op de 750.000 Palestijnse vluchtelingen van de Nakba (‘catastrofe’, het ontstaan van de staat Israël en de uitdrijving/vlucht van de oorspronkelijk Palestijnse bevolking uit de dorpen), maar wel op de ‘terugkeer’ van de Joden naar Israël. Volgens de religieuze joodse wetgeving (Halacha) is men Jood wanneer de moeder Jood is of als bekeerling. Deze wet spreekt tegelijk een veto uit op de terugkeer van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking naar hun land, hoewel de VN het recht op terugkeer in resolutie 194 heeft afgekondigd. Er zijn Palestijnen (20 procent van de bevolking) achtergebleven, maar zij lijden onder tal van discriminaties: ze kunnen o.a. geen extra grond verwerven en omwille van enkel-voor-joden-wetten niet meegenieten van allerlei fondsen. In 1975 concludeerde de VN dan ook dat de zionistische ideologie racistisch was. Abicht vindt het evenwel geen slechte zaak dat deze stelling in 1991 werd herroepen, omdat er geen onderscheid werd gemaakt tussen de zionistische politiek tegen de Paldstijnen en het oorspronkelijke zionisme. Wie er de geschriften op na leest van prominente zionisten (Ben Goerion, Herzl zelf) kan volgens mij niet anders concluderen dat er weinig verschil is tussen de voorstanders van Apartheid (Zuid-Afrika) en de Zionisten. Bovendien doet deze discussie weinig ter zake. De VN-resolutie was vooral bedoeld als politiek instrument om de racistische praktijken (afzonderlijke landwetten, de financiële voordelen voor Joodse kolonisten, discriminaties van Palestijnen en vandaag de bouw van de Apartheidsmuur en Apartheidswegen in de westelijke Jordaanoever) aan te klagen. Het is typerend voor Abichts boek dat hij weinig aandacht heeft voor dit racistisch karakter van de staat Israël. Die onderbelichting, maakt dan ook dat hij in zijn keuzes voor een oplossing (zie verder) meteen met een handicap worstelt.

Abicht behandelt vervolgens het verzet van de lokale Palestijnse bevolking, dat al van eind 19e eeuw begon toen de Palestijnen protesteerden tegen de eerste immigratiegolf van zionistische pioniers. In 1919 spreekt de Palestijnse Nationale Raad zich al uit voor Palestijnse onafhankelijkheid wat botst op de Britse belofte aan de Joden en de Zionistische ambities. De strijd om territorium wordt steeds heviger. Eind de jaren dertig komen de Palestijnen in opstand. De Britten besluiten, zonder rekening te houden met de verzuchtingen van de oorspronkelijke bewoners, het gebied dan maar in twee te delen, met oorlog tot gevolg.

Israël was in tegenstelling tot de Arabische buurlanden militair veel sterker uitgebouwd en bewees zijn slagkracht niet alleen in de oorlog van 1947-1949 maar ook in de zesdaagse oorlog van 1967. Abicht prikt hier de in Israëlische geschiedenis gepropageerde mythe van de Arabische overmacht en het heroïsche Joodse verzet door (hij verwijst naar het interessante onderzoek van de nieuwe historici in Israël). In 1967 krijgt Israël het hele grondgebied in handen en koloniseert in weerwil van de in een resolutie uitgeschreven internationale eis tot terugtrekking (VR 242) de veroverde gebieden. Abicht ziet hier een opmerkelijke westerse (en vooral Amerikaanse) welwillendheid ten aanzien van Israël en wijst op de enorme economische, diplomatieke en militaire steun vanuit de VS. Die is volgens hem te danken aan de geostrategische positie van Israël, de invloed van Joodse lobbies zoals AIPAC en het verbond van de ‘Moral Majority (conservatieve babtistische kringen).

Daarop gaat Abicht wat onvoorzichtig aan het speculeren. Hij laat deels uitschijnen dat de kolonisatie vooral het werk is van extremistische zionisten, een kleine minderheid gedragen door groeperingen als Goesj Emoniem. Verderop, in het tweede hoofdstuk, maakt hij melding van het Israëlische aanbod in 1969 tot een onafhankelijke staat in Gaza en de Westelijke Jordaanoever, wat echter door de PLO verworpen werd omdat toen nog de staat Israël als historische onrechtvaardigheid in zijn geheel werd afgewezen. Vraag die Abicht hier had moeten stellen is of de Israëlische voorstellen wel ‘eerlijk’ of ook dat bovendien toen al de vluchtelingenkwestie werd genegeerd – voor de Palestijnen, zoals Abicht elders zelf stelt, een essentieel onderdeel voor een duurzame vrede. Klopt het in dat verhaal dan ook dat radicale kolonisten wel zo geïsoleerd stonden. Op het ogenblik van de zogenaamde ‘voorstellen’ begon men immers aan de uitvoering van plannen de Palestijnse het gebieden te koloniseren. Abicht spreekt bijvoorbeeld niet over het Allon-plan (1967) dat in de annexatie voorzag van meer dan de helft van het grondgebied van de westelijke Jordaanoever en de volledige Gaza. Later zouden zowel de Arbeiders- als Likoedpartij hun kaarten publiceren die allemaal uitgingen van annexaties van grote delen van de Palestijnse gebieden. Vooral Sharons definitieve voorstel van 1992 was niet meer of minder een eilandenconstructie die heel wat overeenkomsten vertoonde met de latere A-gebieden uit Oslo. De Israëliërs zijn zich zeer goed bewust dat ze met onaanvaardbare plannen op tafel kwamen en dus per definitie een (bewuste?) mislukking in de onderhandelingen inbouwen. Het is in elk geval een vragen oproepend gegeven dat in vol Oslo-proces de ‘duiven’-regering Rabin-Peres voor de grootste kolonisering tot dan heeft gezorgd.

Abicht geeft nochtans een grondige en gedetailleerde bespreking van Oslo (alleen al voor de principeverklaring vult hij pag 100 tot 114) met waardevolle en goed gefundeerde commentaar die dikwijls zeer hard is voor Israël. Verder wijst hij terecht op de grote zwakte van Oslo, namelijk het feit dat alle heikele knelpunten (vluchtelingen, Jeruzalem,…) naar latere, onbepaalde, datum werden verschoven. Het lichtpuntje ziet hij uiteindelijk in het derde hoofdstuk dat zo mager is uitgevallen en erop neerkomt dat de laatste onderhandelingen (in Taba januari 2001, net voor de verkiezingen die Barak deden vallen) een gemiste kans waren, omdat ze zeer ‘verregaand’ waren ondermeer omwille van een voorstel tot aanpak van de vluchtelingenkwestie. Maar wat was het mandaat van de onderhandelaars daar toen nog? In hoeverre was Taba, dat inderdaad van Israëlische zijde het meest verregaandst was, nog ernstig te nemen, zo vlak voor de verkiezingen die tot de voorspelde val van Barak leidden. Weinig ernstig, maar het is wel mooi meegenomen om te tonen dat het mislukken van de onderhandelingen niet op rekening van de Israëli’s moet worden geschreven. Bovendien zegt Abicht zelf, eerder in het boek, over de volgens hem nochtans gerechtvaardigde vluchtelingeneisen, dat er "hoogstens nog over de terugkeer van een minieme fractie van de vluchtelingen kan worden gepraat." (pag 119)

In het laatste hoofdstuk dat ‘geëngageerd’ wordt getiteld toont Abicht zich jammer genoeg bijzonder weinig creatief en boven dien deterministisch in zijn voorstellen voor een uitweg uit de impasse. Eigenlijk beperkt hij zijn keuze tot voortbouwen op wat er mogelijk leek in Taba. Taba en andere Road maps, zullen gedoemd blijven om te mislukken omdat al tientallen jaren een belangrijke voorwaarde niet is vervuld. Het afstappen van de ‘zuivere joodse’ staat en het racistische karakter dat wel degelijk in de zionistische politiek van vandaag zit ingebakken en een hypotheek legt op de Israëlische samenleving zelf en nu ook een deel van de Palestijnse samenleving in zijn greep lijkt te krijgen. Ook gaat Abicht wat gemakkelijk uit van de veronderstelling dat het zionistische project met de huidige staat Israël af is. Er zijn nochtans genoeg aanwijzingen die tot de conclusie leiden dat er pas vrede zal zijn als de Palestijnse territoria definitief tot Israël zullen behoren en de bevolking er grotendeels verdreven is.

Er valt in elk geval weinig te verwachten van de onlangs door president Bush geopenbaarde Road Map van het fameuze kwartet, want het begeeft zich immers ook al weer op diezelfde doodlopende Osloachtige weg. Doodlopend, omdat de Palestijnse staat daarin een onleefbaar gedrocht wordt dat enkel dient als goedkoop arbeidersreservoir voor Israël (zie daarvoor de analyse van Israëlische antropoloog Jeff Halper, die spreekt over de ‘Matrix of control’ – http://www.merip.org/mer/mer216/216_halper.html).

In zijn scenario’s had Abicht bijvoorbeeld plaats kunnen maken voor andere uitgangspunten. Oslo en de Road Map gaan uit van een tweestaten oplossing. In bepaalde intellectuele kringen groeit langzaam de idee dat een duurzame oplossing slechts kansen maakt als er vertrokken wordt van een gezamenlijke staat voor Joden en Palestijnen. Défacto is dat al zo, alleen heerst de ene groep over de andere en worden de relaties tussen beide bevolkingsgroepen bepaald door de factor macht en discriminatie. Een samenleven van twee volkeren in een staat vergt wel een andere conceptualisering van de staat Israël, dat tot nu als ‘Joodse staat’ (en daarmee de nu al 20 procent Palestijnse Israëli’s ervan negeert) wordt gedefinieerd. Het afstappen van dus van wat niet anders dan een Apartheidssysteem kan worden genoemd, door te accepteren dat Israël/Palestina uiteindelijk aan twee volkeren toebehoort. Dat zou ook een ander licht werpen op een regeling van de vluchtelingenkwestie. Indien de Joden aanvaarden dat Israël een open, moderne multiculturele staat dient te worden is er ook plaats voor de Palestijnse vluchtelingen. Dit kan ook de voedingsbodem van het islamitisch extremisme dat in de vluchtelingenkampen zoveel aanhangers telt, ondergraven. Resultaat: ‘Meer land voor beide volkeren in ruil voor vrede’.

(Uitpers, nr. 43, 4de jg., juni 2003)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).