OVSE als geostrategisch schaakbord

Een jaar is België voorzitter geweest van de organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. De aandachtige televisiekijker moet er zeker iets van opgevangen hebben: onze minister Karel De Gucht heeft bemiddeld bij de vrijlating van vier Russen en hun overbrenging uit Tblisi, Georgië, naar Moskou. Misschien hebt u toch ook wel in een interview een of ander verwijzing omtrent het OVSE voorzitterschap kunnen lezen in een van de kranten.

Met slechts een klein beetje overdrijven is wat hierboven geschetst staat het beeld dat overblijft van twaalf maanden voorzitterschap van deze organisatie. Inderdaad, de OVSE is bijzonder onbekend, en dus ook onbemind. De OVSE is heel misschien nog een beetje gekend bij het publiek door activiteiten in voormalig Joegoslavië, en monitoring van verkiezingen. In de voorbereidende teksten voor de Spa-congressen in april dit jaar was er niet eens sprake van de OVSE, en dat terwijl België er het voorzitterschap van waarnam. Dat spreekt boekdelen. Voor België was het eigenlijk ook niet meer dan een opstap, een voorbereiding op het grote werk, met name het (tijdelijk) lidmaatschap van de VN Veiligheidsraad vanaf januari 2007. Het was Louis Michel die dit stappenplan had uitgedokterd, maar voor zichzelf had hij nog een ander ijzer in het vuur dat hij kennelijk verkoos te smeden: de functie van Europees Commissaris.

Tijdens het Belgisch voorzitterschap is er niet veel in beweging kunnen gebracht worden. Let wel, de verantwoordelijkheid hiervoor kan zeker niet zomaar op de voorzitter afgewenteld worden. Het is vooral een vaststelling. De OVSE blaakte niet van dynamisme en daadkracht; niet voor de periode De Gucht, en na hem ook niet. Spanje neemt het over van België, maar ook Madrid zal met dezelfde moeilijkheden en problemen te maken krijgen. De fundamentele breuklijn die er heerst tussen de Westerse (of op het Westen gerichte) regimes en Rusland was er al langer, en is er nog steeds. Dit is zeker op enkele concrete dossiers gestoeld: Georgië, Abchazië, Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië om slechts deze te noemen. Maar de tweespalt draait toch voornamelijk rond geostrategische tegenstellingen.

West-Europese politici hebben een punt als ze stellen dat in verschillende lidstaten van de OVSE de parlementaire democratie niet even sterk is geïnstitutionaliseerd. De strubbelingen rond het mogelijk toekomstige OVSE voorzitterschap van Kazachstan zijn volledig op dit terrein te situeren. Anderzijds moet men wel vaststellen dat Kazachtstan door menigeen wordt gerespecteerd wegens de grote petroleumvoorraden van het land.

Ik vertel u niets nieuws als ik hier schrijf dat na de Koude Oorlog de Westerse invloed in Centraal-Europa sterk is toegenomen. Heel wat voormalige leden – de Baltische staten en een aantal Midden-Europese landen – van onze koude-oorlogsvijand, het intussen opgeheven Warschaupact, zijn nu lid van de NAVO, of van de EU die in 2007 er nog Roemenië en Bulgarije bij krijgt. Oekraïne kreeg een door het Westen gesponsorde oranjerevolutie, maar door de instabiele toestand die er uit voortvloeide is de openlijke gretigheid naar NAVO en EU wat getemperd. Georgië situeert zich openlijk in het Westerse kamp. Reken daarbij nog het isolement van de Slavische broeders van Rusland, met name Servië, en u hebt al een aardig deel van het beeld bijeengebracht.

Moskou leeft met de indruk dat het aan politieke invloed in heeft moeten boeten bij zijn rechtstreekse buren en voormalige partners. Daarbij komt dat volgens haar die ruimte niet wordt ingenomen door zelfstandige staten, maar door regimes die openlijk zijn gelieerd aan het Westen. Een inzicht dat niet helpt bijdragen tot de allervlotste politieke samenwerking.

Het wij-zij-denken speelt nog altijd zijn rol in de OVSE. De Wit-Russische heerser keert zich openlijk van het Westen af en leunt zeer nauw tegen Moskou aan. Zijn systeem wordt door de VS en de EU sterk bekritiseerd. Maar kennelijk zal ook hij de marktlogica van de grote Russische energieonderneming moeten ondergaan en hogere prijzen voor de gasleveringen betalen. Het Westen kijkt met argwaan naar deze ontwikkelingen. De manier waarop er racistisch gereageerd wordt door de Russische overheid tegenover Tsjetsjeense of Kaukasische, en recent ook Georgische burgers in Rusland zelf, is een terechte doorn in het oog van menig West-Europese democraat. Het optreden van het Russisch leger in Tsjetsjenië en van de veiligheidstroepen bij speciale operaties tegen het terrorisme roepen heel wat vragen op. De aanvallen tegen bepaalde media, de onopgeloste moorden op journalisten of politieke tegenstanders, evenals de totale inperking van de ruimte voor ngo-werking in Rusland wordt op de korrel genomen. Dat laatste is natuurlijk een voorzorg van het Poetin-regime omdat men precies in Georgië en Oekraïne heeft kunnen vaststellen dat deze ngo’s – zwaar financieel gesteund door de Westerse ‘democratieverspreiders’ – de motor vormden van het verzet.

Dat Rusland wat zenuwachtig wordt van het oprukken van het Westen, bleek uit het gasdossier met Oekraïne. Gazprom besloot om op korte termijn de gunsttarieven voor Oekraïne – mogen we zeggen de subsidies aan Kiev – stop te zetten en via een korte tussenfase over te gaan tot het aanrekenen van marktprijzen. Een gelijkaardige houding wordt nu, december 2006, tegen Georgië aangenomen, maar tot verrassing van velen ook tegen Wit-Rusland. In Westerse kringen heet dat steevast: Rusland is geen betrouwbare partner want het zet zijn grondstoffen in als politiek wapen.

Maar wat bijzonder veel pijn doet in het Westen is het feit dat de groeiende Russische economie niet meer zo toegankelijk is voor het Westers kapitaal als in de periode onmiddellijk na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, zeg maar de periode Jeltsin. Poetin is op zoek de staatsmacht te gebruiken om in de belangrijke economische sectoren supergrote ondernemingen te ontwikkelen, en tegelijkertijd de overheidsrol te vergroten en te verankeren. Hij bindt daarmee de strijd aan tegen Russische oligarchen (Berezovski heeft al jaren asiel in Londen, en de baas van Lukoil zit in de gevangenis), maar meer en meer ook met de buitenlandse multinationals in de eerste plaats de grote petroleum majors. Bij nieuwe gasontginningen in de Barentszee werden de pregeselecteerde groten opzij geschoven door de beslissing alleen met de Russische maatschappij Gazprom de zaak aan te pakken, of in een ander dossier, Sachalin II, werd Shell onder druk gezet om een stap terug te zetten.

De zaak krijgt er nog een dimensie bij als we de interesse zien van West-Europa voor de gasleveringen uit Rusland. De bevoorrading in energiegrondstoffen is een cruciaal beleidspunt voor elke economie. In de huidige ontwikkelingen van de neoliberale globalisering is deze noodzaak nog versterkt. Rusland is graag bereid om het gas te leveren, West-Europa is graag bereid om ook vanuit Rusland bevoorraad te worden. Maar hier speelt de trend naar verstaatsing van de Russische oliesector zijn rol: het Westen zou graag delen in (de winsten van de) exploitatie. Wellicht zal dat echter niet kunnen als de Russische partner niet kan delen in (de winsten van) de distributie in het West-Europa.

Uiteraard is dat een onderwerp dat tot het OVSE-terrein behoort: de verspreiding van de vrije markt is immers sedert 1991 opgenomen in de basisverklaring van wat toen nog de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking heette.

De geschetste tegenstellingen zijn de oorzaak van de impasse in de OVSE. Tegen deze achtergrond kan je het dossier Abchazië of Moldavië niet geïsoleerd tot een oplossing brengen. Met een voorzitterstermijn van met moeite twaalf maanden is het al helemaal niet mogelijk

De OVSE zou een sterkere organisatie moeten kunnen worden, beter uitgerust dan de NAVO, omdat het een breder veiligheidsconcept hanteert, en omdat het bij uitstek een civiel, politiek orgaan is. Mijns inziens, echter, zouden bepaalde stellingen van uit het ‘einde van de geschiedenis’-denken moeten worden aangepast. De vrije markt en ongelimiteerde kansen voor buitenlands kapitaal mag en kan geen voorwaarde zijn voor een veiligheid en samenwerking onder staten. Respect voor eenieders instellingen, voor eenieders niveau van economische ontwikkeling is een must. Zorg voor democratie bij alle samenwerkende leden is absoluut nodig, maar democratie is iets anders dan het organiseren van de parlementaire vertegenwoordiging in functie van de vrije markt.

(Uitpers, nr. 82, 8ste jg., januari 2007)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 45 Times, 2 Visits today

Tags :

zie ook