Over tribaal identiteitsdenken

In zijn nieuwste boek The Madness of Crowds: Gender, Race and Identity stelt Douglas Murray vragen bij het kruisvaartachtig streven om mensen op te delen in identitaire groepen en iedere culturele uiting te herleiden tot een klassenstrijd. In essentie is dit fenomeen, dat vooral na de dood van George Floyd en de protesten tegen politiegeweld en racisme veel media-aandacht kreeg, oude wijn in nieuwe zakken. Het klassieke Marxistische schema van onderdrukkers versus onderdrukten vertaalt zich vandaag in een ‘anything goes’ concurrentie tussen rassen en standen. Met verstrekkende gevolgen want iedereen wordt in vakjes gestoken en kan alleen nog voor zijn of haar groep spreken. Het individu verdwijnt en buiten een tribaal identiteitsdenken is er geen waarheid waardoor het publieke debat als waarheidsvinding een zinloze betrachting geworden is.

Murray behandelt in vier hoofdstukken de belangrijkste identitaire groepen (hij noemt ze ‘landmijnen’): gay, women, race, trans; van elkaar gescheiden door drie interludii: de Marxistische fundamenten, de impact van tech en vergeving. Op basis van talloze gesprekken en mits talrijke voorbeelden staat de auteur stil bij de excessen en uitwassen van het stammendenken in Engeland en de Verenigde Staten, waar ondertussen ook de sokkel van onze Grootste Belg wankelt. Het standbeeld van Pater Damiaan in het Capitool te Washington is volgens Alexandria Ocasio-Cortez, de coming lady van de Democraten, een toonbeeld van “kolonialisme en blanke overheersing”.

Politisering van identiteit

Douglas Murray is de oprichter van Centre for Social Cohesion en de adjunct-directeur van de Henry Jackson Society, een trans-Atlantische denktank voor buitenlands beleid in London. Hij schrijft voor het Britse politieke weekblad The Spectator en is prominent Brits lid van de Intellectual Dark Web, een informele groep van commentatoren die openlijk de heiligverklaring van benadeelde rassen, gender en sexuele-identiteiten veroordeelt. Volgens de auteur worden mensen gek gemaakt door de nieuwe religie van ‘social justice’ die vanuit Amerikaanse universiteiten op de wereld wordt geprojecteerd en zich als een virus in onze samenleving heeft verspreid. Door middel van abstracte antropologische concepten zoals ‘identity politics’, ‘wokeness’ en ‘intersectionality’ trachten activisten hun denken over structureel onrecht in de samenleving vorm te geven maar tegelijkertijd worden deze glibberige begrippen omgesmolten tot strijdwapens in het publieke debat.

De centrale these in het boek is het ziekelijk misbruik van identiteitskwesties in functie van een bredere agenda: de witte patriarchale cultuur onderdrukt minderheden. Murray noemt deze gekte ‘politisering van identiteit’. Hij is zelf gay en in een boek dat onder andere gaat over gender is dat niet onbelangrijk. Murray kent de complexiteit van de homoseksuele ervaring en ondervindt hoe gays worden gebruikt als moraalridders die steeds moeten aantonen hoe tolerant zij wel zijn. Het begrippelijk onderscheid tussen ‘gay’ and ‘queer’ maakt dit duidelijk. Net zoals een gay wordt een queer sexueel aangetrokken tot de eigen sexe maar queer-zijn impliceert ook een politieke agenda: identiteit kan een voorwendsel zijn om heteronormativiteit of het westerse kapitalisme af te wijzen.

Het argument van politisering geldt ook voor andere categorieën. Zo beperkt het huidige feminisme zich niet tot vrouwenrechten maar wil zij tegelijkertijd het patriarchaat ter discussie stellen. Murray merkt op dat oorspronkelijke minderheidsgroepen op een andere manier voor gelijke rechten opkomen dan de huidige postmoderne activisten. Wanneer een minderheid wil opkomen voor meer rechten is het in eerste instantie belangrijk een maatschappelijk draagvlak op te bouwen. Zo ijverde de homobeweging niet meteen voor het homohuwelijk, adoptie of ouderschap maar startte zij met basisrechten om niet meteen terecht te komen bij vervolging van homofobie of ‘queering’ (afwijzing) van heterosexualiteit. Dit is niet het geval bij de classificatie women waarin zich een dominante totalitaire stroom heeft genesteld die de politieke correctheid een veel extremere invulling geeft dan voordien. Terwijl het stilzwijgen over de positie van de vrouw in de Islam oorverdovend is, worden blanke mannen meer dan ooit gedemoniseerd of wordt misogynie gezien als iets dat ingebed is in ‘white supremacy’. Vrijwel alles wordt symbolisch en aan interpretatie onderworpen. Zelfs rechtstaand tegen een boom plassen is een teken van toxiciteit, niet voor de boom maar wel omwille van de fallokratische bijbetekenis en de belediging aan het adres van vrouwen die dat niet kunnen.

De politisering van identiteit leidt ertoe dat gays beschuldigd worden “no longer gay” te zijn. Gevestigde feministen zoals Germaine Greer zijn niet langer feminist omdat zij het bona fides karakter van transvrouwen in vraag stelt. Volgens Congreslid Ayanna Pressley, een collega van Alexandria Ocasio-Cortez “hebben we geen bruine gezichten meer nodig die geen bruine stem willen zijn. We hebben geen zwarte gezichten meer nodig die geen zwarte stem willen zijn.” Elke bewering van individualiteit wordt enerzijds geïnterpreteerd als een aanval op de groep en anderzijds als een potentiële onderdrukking. Daarom kan het hiphop-idool Kanye West niet meer ‘zwart’ zijn omdat hij op Trump stemt en is Andrew Sullivan, een bekende publicist, onlangs weggedeugd bij New York Magazine wegens “links, maar kritisch op de cancel culture en daarom niet links genoeg”.

Voor Murray is de terechte emancipatiestrijd ontaardt in een keurslijfdenken en een cancel culture. Wie als seksist, homofoob, racist of transfoob gebrandmerkt wordt, riskeert niet alleen reputatieschade maar ook broodroof. Op 7 juli jl. verscheen op de website van Harper’s Magazine een open brief van 153 Engelstalige schrijvers en intellectuelen, waaronder Noam Chomsky en Salman Rushdie om hiertegen te protesteren. De ondertekenaars uitten hun bezorgdheid over de cultuurstrijd van linkse activisten die het anti-racisme debat gebruiken als een hefboom om andersdenkenden sociaal te elimineren. In theorie heeft iedereen de vrijheid om een afwijkend standpunt te vertolken; het recht op vrijheid van meningsuiting is evenwel weerloos tegen het activisme van de social justice warriors die, op zowel individuele als georganiseerde wijze al dan niet via sociale media hun strijd voeren met identiteit als wapen (‘weaponization’).

Terwijl alsmaar het woord ‘inclusief’ gebruikt wordt, is uitsluiting in deze cultuur de regel. De Black Lives Matter-beweging leidde er wereldwijd toe dat het debat over structureel racisme werd aangezwengeld. Waardoor instituties zich genoodzaakt voelen hun steun te betuigen. Wie geen inhoud aan vage statements kan koppelen belandt genadeloos aan de schandpaal. Intimidatie werkt en opmerkelijk: het establishment en de media gaan mee in de afrekencultuur, uit schrik of uit opportunisme, of beide. Bedrijven willen naar buiten uit demonstreren hoezeer ze wel mee zijn met de nieuwe socio-politieke trend en aarzelen niet om met veel vertoon een werknemer te ontslaan op simpel aangeven van een ‘woke’. De HR-directeur van Adidas moest opstappen toen eerdere uitspraken van racisme boven water kwamen. In Big Tech-bedrijven zoals Google en Facebook worden identitaire kwesties door diversiteitsmedewerkers gebruikt om mensen met een verkeerde (politieke) mening over identiteit te straffen. Er verschijnen handboeken over legaal flirten. Mannen en vrouwen delen dezelfde werkvloer maar niemand weet nog echt goed hoe men kan vermijden om van grensoverschrijdend gedrag beschuldigd te worden.

Geleidelijk aan is er een nieuwe mantra ontstaan die aan belang schijnt te winnen. Dat gay-zijn wel eens beter zou kunnen zijn dan hetero. Zwart-zijn gaat niet alleen over gelijkheid maar ook over een beetje beter zijn dan wit. Het voorbeeld bij de vrouwen is Christine Lagarde, het hoofd van de Europese Centrale Bank. Zij stelde dat de financiële crisis bij Lehman Brothers niet had plaatsgevonden wanneer het Lehman Sisters waren geweest. Alsof vrouwen absoluut gelijk zijn aan mannen en tegelijkertijd ook een beetje beter. Denk ook aan het (wellicht satirisch) gebruik van de hashtags #MenAreTrash en #KillAllMen waardoor de notie ‘man’ wordt geproblematiseerd.

Murray spreekt over een gevaarlijke overcorrectie wanneer de social justice warriors geen gelijkheid nastreven, maar het ‘beter’ willen en daardoor mensen, kleuren en rassen tegenover elkaar uitspelen. Stelselmatig gaat hij in zijn boek op zoek naar de wortels van dit cultureel vandalisme. Hij kant zich tegen de uitwissing van het verleden en wijst op een historisch inzicht dat meestal niet verder reikt dan gisteren. Hierdoor vertoont het activisme trekken met wat in Orwells 1984 beschreven staat: polariserende beeldenstorm, (straat)namenjacht en newsspeak. Verder wijst hij op de combinatie van blinde overtuigingen en pro-actieve luiheid. De ‘dekolonisatoren van de geest’ gaan immers alleen nog na of iemand de populaire ‘zuivere’ boodschap brengt. Tenslotte hebben ideologische aanspraken op basis van ideeën zoals identiteitspolitiek en intersectionaliteit weinig intellectuele diepgang, ze zijn zelfs aantoonbaar verkeerd. Zij werken niet en ze zijn contradictorisch.

Om dit laatste argument kracht bij te zetten maakt Murray in zijn analyse een onderscheid tussen identiteit als ‘hardware’ en ‘software’. Ras, sexualiteit en gender zijn ofwel hardware,  d.i. aangeboren (nature) ofwel software, d.i. aangeleerd (nurture). Hedendaagse intersectionalisten zoals Judith Butler (1954), de invloedrijke ideoloog van de genderbeweging, weigeren over mannelijk of vrouwelijk te spreken. Er is slechts gender en gender is een performance. Het is geen vast gegeven, evenmin de uitdrukking van iets, maar slechts de uitdrukking zelf. Zoals taal performatief kan zijn en een (zichzelf bevestigende) actie kan omvatten – ‘Ik verklaar u man en vrouw’ -, zo is gender performatief. Mensen hebben of zijn niet zozeer een bepaald gender, maar ‘doen’. Omdat gender gedeconstrueerd is, ontbreekt elk biologisch referentiepunt. Gender is bijgevolg niet essentialistisch. Dat wil zeggen dat geen enkele eigenschap inherent mannelijk of vrouwelijk is. Mannen kunnen evengoed een job in de zorgsector hebben en vrouwen aan het hoofd staan van een multinational.

Vreemd is nu dat aanspraken op rechten worden verdedigd alsof ze hardware-kwesties zijn, iets natuurlijks dat je niet kan veranderen. Als je medeleven wil krijgen omtrent je gender dan argumenteer je gewoon dat je hardware bent. Stel dat je ‘gay’ bent en wil ingaan tegen het lifestyle-choice argument dan zeg je dat je zo geboren bent. Idem voor ‘transpeople’, ook zij zijn zo geboren. Transgenders hebben naar eigen zeggen niets gemeen met software hoewel dit door biologisch georiënteerde wetenschappers wordt tegengesproken. Nu is hierover nog maar weinig gekend. Onwetendheid en het feit dat er meer dan 70 verschillende gendertypes bestaan, zorgt voor maatschappelijke verwarring.

Interessant in dit verband is het standpunt van VS-presidentskandidaat Joe Biden over “transgenders in de gevangenis”. Voor Biden komt het toe aan de gevangene om te bepalen welk gender men heeft en niet aan de gevangenisdirectie. Murray herinnert dan aan Karen White, geboren in 1966 als Stephen Terence Wood. Hij werd enige jaren geleden schuldig bevonden aan allerlei kleine misdrijven plus seksuele misdrijven en pedofilie. Toen hij veroordeeld werd en naar de gevangenis moest, beweerde hij dat hij eigenlijk een vrouw was en in een vrouwengevangenis moest geplaatst worden. Dat gebeurde ook. Daar misbruikte ‘Karen’ opnieuw vier vrouwen.

Murray wijst op ongerijmdheden in dit excessieve progressieve denken over gender. Beweren dat je als transgender of gay geboren bent is begrijpelijk maar het pobleem is dat dit niet samengaat met de stelling dat vrouw-zijn een sociale constructie is. Iemand kan niet tegelijkertijd sociaal constructivist én biologisch essentialist zijn. Intersectionalisten beweren dat gender een sociaal construct is. Maar als het over transgenders gaat, luidt de mantra “ik werd in het verkeerde lichaam geboren”. Daar is de biologie ineens wel van belang. Volgens Murray proberen we van hardware software te maken en van software hardware. Maar hardware en software kan je niet met elkaar verwisselen. Doet men het toch dan botst men op interne contradicties die destructief zijn.

White privilege

Twintig jaar geleden liet Philip Roth zich in zijn roman The Human Stain inspireren door een gebeurtenis in het leven van zijn vriend Melvin Tumin, een professor sociologie aan de universiteit van Princeton. In een zaak over raciaal taalgebruik tegen twee Afro-Amerikaanse studenten werd Tumin slachtoffer van een heksenjacht maar uiteindelijk onschuldig bevonden.

De voorbije decennia werden op dit vlak hoognodige maatschappelijke correcties geëist, en die kwamen er ook. Maar voor Murray is de slinger te ver doorgeslagen, om te beginnen aan onze universiteiten. Alle ‘landmijnen’ hebben hun studies: queer studies, black studies… en we kunnen zeker argumenten vinden om te besluiten dat deze onderzoeksdomeinen zin hebben. Het gaat het echter verkeerd wanneer er gesproken wordt over ‘white studies’, een studierichting die louter gebaseerd is op de problematisering van een groep. Dat betekent dat dit onderzoeksveld er niet is op gericht om bepaalde historische figuren te bestuderen, maar wel om hen van hun voetstuk te halen, enkel omwille van het feit dat zij niet de juiste huidskleur bezitten. Veel wetenschappelijke methodiek komt hier niet bij kijken. Zo kan iemand pretenderen dat de Duitse filosoof Immanuel Kant het ‘N-woord’ gebruikte zonder de noodzaak te voelen om Kant’s oeuvre te lezen. Als men vervolgens vraagt waarom de westerse canon moet vernietigd worden, is het omwille van haar symbolische betekenis: ‘mannelijk’, ‘wit’ en ‘patriarchaal’.

De laatste tien jaar heeft het academisch intersectionalisme aan belang gewonnen. En dat danken we ondermeer aan de Argentijn Ernesto Laclau (1935 – 2014) en de Belgische Chantal Mouffe (geboren 1943). In een tekst uit 1981 over ‘klassenstrijd’ vroegen zij zich af of men nog wel kon rekenen op de steun van de naoorlogse arbeidersbeweging waar links altijd haar stemmen uit geput had. Omdat de werkende klasse welvarend was geworden en uitbuiting een marginaal fenomeen, zochten Laclau en Mouffe naar nieuwe politieke actoren: “vrouwen, nationale, raciale en seksuele minderheden, antikernenergie- en anti-institutionele bewegingen die een antikapitalistisch karakter hebben.”

Hun kritiek op zowat alles verharde in de jaren ’90 tot een vorm van activisme die we vandaag kennen als social justice. Zij begonnen nieuwe spookvijanden te creëren die niet langer worden bepaald in termen van Marxistische uitbuiting maar door de uitoefening van een Foucaultiaanse macht. In hun analyse stond de waarheid in functie van macht waarbij die macht wordt gebruikt tegen identitaire groepen.  Hun vooronderstelling: als alles een machtsdynamiek is zonder ‘neutrale’, ‘feitelijke’ of ‘objectieve’ waarheid tussen de diverse groepen, dan kunnen minderheden perfect ingeschakeld worden voor de disruptie van de witte, patriarchale, cis, kleurenblinde, heteronormative kapitalist.

De essentie van dit alles zit vervat in de idee van (white) ‘privilege’. White privilege is een concept dat ervan uitgaat dat mensen met een blanke (ook wel: ‘witte’; Engels: white) huidskleur door deze huidskleur een betere maatschappelijke startpositie hebben en over privileges (voorrechten), en dus macht, beschikken die leden van andere etnische groepen ontberen. Een problematisch kenmerk van het privilege-spel is dat je het niet kan winnen want alle macht is zero-sum: je hebt macht over de anderen of zij hebben macht over jou. Er is geen gemeenschappelijke winst noch is er voouitgang. Alle macht is verworven dankzij het verlies van een andere groep. Daarom willen de social justice warriors de wereld niet louter interpreteren maar haar ook veranderen. Het is een revolutionaire imperatief die verklaart waarom sommige critici deze theorie een vorm van neo-Marxisme noemen. De ‘neo’ komt van de verandering van focus op materialisme en klassenstrijd naar verschillende groepen van identiteiten die constant met elkaar overhoop liggen.

In dit wereldbeeld heb je als individu geen onafhankelijk bestaan buiten de machtsdynamiek. Daarom moeten blanke mensen, wanneer zij in contact komen met een gekleurde medemens steeds bij zichzelf nagaan op welke trede van de onderdrukkingshiërarchie zij zich bevinden. Maar wie kan er exact zeggen waar men staat in de hiërarchie? Bovendien heeft identiteit niets te maken met juist of fout. Men kan met elke minderheid praten over wat juist of fout is. De huidskleur, het geslacht of de geaardheid doet niet terzake, stelt Murray, en hij vraagt zich af waarom wij onze tijd verliezen met te staren door deze tot zero sum gereduceerde lens. Jonge idealisten, met weinig voeling voor context en geschiedenis, kan je voor dit spel nog warm krijgen. Uitgerekend voor hen, de elite van morgen, is dit boek is geschreven. En voor ons om een meer redelijke inzicht te krijgen in de situatie waarin we ons bevinden want, zoals gezegd, een zero sum game kan niet gewonnen worden. Indien er geen waarheid is en de winst van de ene groep per definitie ten koste gaat van de andere groep dan zal alle interactie in de publieke sfeer herleid wordt tot: “hoe kan ik mijn tegenstander ontmaskeren als homofoob, transfoob, racist of seksist?”. We komen dan terecht in een Hobbesiaanse wereld waar kleuren en culturen elkaar beconcurreren om de schaarse maatschappelijke aandacht.

Pluralisme

Murray pleit voor een non-zero-sum pluralisme waarbij evolutie beter is dan revolutie, waarbij de empirische waarheid aan de zijde staat van de echte onderdrukten en waarbij vooruitgang in een liberale democratie mogelijk is indien zij ontspringt uit een levendig, geïnformeerd debat dat niet opgedrongen of gecensureerd wordt door ideologieën. Werkelijk pluralisme veronderstelt het recht op anders-denken en anders-zijn, en dus op individualisme en non-conformisme, binnen alle culturen en gemeenschappen. Dat vereist dat men de eigen cultuur, moraal en waarheid tot op zekere hoogte weet te relativeren maar ook niet oikofobisch verwerpt.

Het feit dat blanken überhaupt gevoelig zijn voor het white privilege discours en bereid zijn zichzelf weg te cijferen vanuit een schuldgevoel en een morele plicht om rekening te houden met anderen – met andere woorden bereid zijn om ‘hun privileges te checken’ – heeft een religieuze basis. Niet alleen is het schuldgevoel van bijvoorbeeld knielende politieagenten of politici strijdig met iedere levenslust – het is geopolitiek ook gevaarlijk, nu we zien hoe assertief niet-westerse machten, zoals China of Turkije, zich manifesteren op het wereldtoneel. Wanneer deze zelfwegcijfering niet vanuit rationele argumenten ontstaat, is onze achilleshiel gekend: een  slavenmoraal gevoed door een cultureel-religieuze achtergrond die nota bene zelf wordt uitgegomd. Het Christendom is volgens woke-activisten immers blank imperialisme. Murray wenst dat er een ‘Europees ontwaken’ plaatsvindt en dat dit blanke schuldgevoel voor eeuwig begraven wordt. En dat onze nakomelingen uit de geschiedenisboeken zullen leren dat toegeven aan het blanke schuldgevoel de Europese beschaving tot de rand van de afgrond bracht.

Een bijkomend antwoord zoekt Murray in het filosofisch essay van Hannah Arendt: Problem of action in the world. Wij kunnen geen enkele handeling ongedaan maken noch is er voorzienigheid omtrent de gevolgen ervan. Maar online kan alles, op elk moment en op elke plaats kan onze identiteit aangevallen of vernietigd worden. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat mensen bewust zijn van de fragiliteit van hun handelen en spreken want deze zijn risicovoller dan ooit. Dit maakt ons angstig, tenzij we een mechanisme hebben zoals vergeving. We maken allemaal fouten in ons leven maar in plaats van ons ervoor te schamen kunnen we dit gebruiken als een leermoment. In de vergeving geven we elkaar het voordeel van de twijfel; een Christelijke gedachte die hoop biedt.

Madness of Crowds: Gender, Race and Identity
Douglas Murray
Bloomsburg
2019
288