Over ‘essentiële economie’ en een wateroorlog

La guerra del agua

Cochabamba, 4 februari 2000. De bevolking van Cochabamba kwam op straat. ‘Het water is van ons, carajo!’ riepen zij verontwaardigd. Zo brak de wateroorlog uit. Wat was er aan de hand? De derde grootste stad van Bolivia met een kleine miljoen inwoners zat door haar ligging al jaren met een waterbevoorradingsprobleem. Het gemeentelijke SEMAPA (Servicio Municipal de Agua Potable y Alcantarillado) slaagde er niet in om aan de behoefte te voorzien en, mede onder druk van de Wereldbank, ging de Boliviaanse regering in 1999 over tot privatisering van het bedrijf. Een nieuw bedrijf Aguas del Tunari nam de watervoorziening over. Achter de façade van die mysterieuze nieuwe onderneming ging echter een multinational schuil: het Amerikaanse Bechtel Enterprises uit San Francisco, dat zich via haar dochteronderneming International Waters Limited (IWL) in de waterbusiness had geworpen. In dat contract stond dat Aguas del Tunari gedurende veertig jaar de nieuwe waterleverancier zou worden en dat zij voor haar diensten een jaarlijkse winst van gemiddeld 16 procent mocht verhalen op de gezinnen uit de stad. Een meer dan lucratief project dus. Zeg maar om aandeelhouders te laten watertanden. De waterfactuur van de consumenten ging ineens drastisch omhoog – soms met 300 procent! – en leidde tot een felle reactie van de Cochabambinos.
Deze campagne tilde de Cochabamba case op tot hét voorbeeld van hoe er succesvol kon opgetreden worden tegen multinationals. Op google vind je nu meer dan 127000 webpagina’s waarin Bechtel gelinkt wordt aan de Cochabambarevolte. Cochabamba werd in een klap het symbool voor andere gevechten om waterdistributie onder publieke controle te houden, van Atlanta tot Stockton en van Uruguay tot India.

Foundational economy

Aan dat verhaal moest ik denken toen ik als deelnemer op de laatste Paul-Verbraekenlezing luisterde naar Sarah De Boeck die onder de voluntaristische, aansporende titel ‘Laten we ons massaal bemoeien met economie’ een pleidooi hield voor wat zij de ‘essentiële economie’ noemt. (1) Sarah De Boeck is directeur van het departement Territoriale Kennis van Perspective, het Brussels gewestelijk planningsbureau. Ze is doctor in de interdisciplinaire wetenschappen (stedelijke planning, economische geografie en stedelijke economische ontwikkeling) en lid van het Foundational Economy Collective.
Laat je niet misleiden door die ronkende titels want Sarah De Boeck is, zoals de vijftien vorige sprekers, uit het goede Paul Verbraeken-hout gesneden: een kritische en geëngageerde intellectueel die niet vanuit een academische ivoren toren opereert. Alleen de titel van haar lezing spreekt al boekdelen. Het is een goed onderbouwt pleidooi van een onderzoeker én tevens burger van Molenbeek om het stedelijk economisch beleid te heroriënteren, met een belangrijke rol voor openbare aanbestedingen en grondbeleid.
Waar staat die ‘essentiële economie’ voor? Het is De Boecks vertaling van het concept dat in het Engels foundational economy wordt genoemd en dat inzet op het leveren van basisvoorzieningen zoals elektriciteit, water of rioleringen, en over huisvesting, transport, retail bankieren, voedselvoorziening, gezondheidszorg en onderwijs. En dat voor iedereen. ‘Eigenlijk zijn het de sectoren waarvan tijdens de eerste lockdown bij wet werd vastgelegd dat er nog economische activiteit mocht plaatsvinden,’ zegt ze in een interview met Wim Vermeersch van Sampol. (2) Voor haar onderzoek bracht ze de grootte van de essentiële economie in kaart voor Europese steden als Londen en Brussel. Ze maakt, zoals uit haar onderzoek blijkt, meer dan 40% van de totale Brusselse economie uit.
Het beknopte, maar zeer helder geformuleerde essay van De Boeck dat gebaseerd is op haar academisch onderzoek, valt uiteen in drie delen die telkens openen met een Kantiaans geformuleerde vraagstelling. ‘Hoe zijn we hier beland?’ is een korte analyse van het huidig economisch systeem met neoliberale grondslagen en in het tweede hoofdstukje ‘Hoe kunnen we anders denken?’ en zeker in het derde ‘Wat kunnen we anders doen?’ gaat zij op zoek naar alternatieven die ons dichter bij die ‘essentiële economie’ brengen.

Stedelijke werking

Volgens De Boeck kan een stedelijke overheid daarin een belangrijke rol spelen. Dat is ook het niveau waarop zij de focus legt in haar zoektocht naar alternatieve voorstellen.
Waarom dat zware accent op een stedelijke werking? ‘In de eerste plaats om de basisvoorzieningen en -diensten voor de bewoners te garanderen en in de tweede plaats omdat de essentiële economie een grote return-on-investment heeft voor het gebied waarin ze plaatsvindt. Zo voorziet ze proportioneel meer jobs voor mensen die kort geschoold zijn dan andere sectoren. Ze stelt ook meer mensen tewerk die gedomicilieerd zijn in het territorium waar de essentiële economie zich afspeelt. De mensen betalen dan belastingen in de regio waar ze werken, wat de gemeentelijke en gewestelijke budgetten versterkt.’
Voor Brussel ziet dat plaatje er niet zo fraai uit. Zij schrijft: ‘Elke avond rijdt het geld dat in Brussel wordt geproduceerd letterlijk de stad uit. En ook de winsten van multinationals worden afgeroomd naar de aandeelhouders.’
Volgens De Boeck houden steden zich vaak bezig met zaken waar ze geen controle over hebben. Of dat ze investeren in zaken met weinig return on investment voor het territorium, of waar die return gewoon uit het territorium lekt. ‘Het garanderen van basisvoorzieningen kan de ruggengraat worden van stedelijk economisch beleid, en daarbij spelen openbare aanbestedingen en grondbeleid een belangrijke rol.’ Zij geeft enkele voorbeelden hoe dat concreet zou kunnen: ‘Mijn voorstel is om in grondbestemmingsplannen ook minimale oppervlaktes te garanderen voor essentiële functies die in een financiële logica het onderspit delven, zoals productie. In goed gelegen bouwblokken, langs een verkeersas of een kanaal, kan je minimale oppervlaktes voorzien voor productie en krijg je een soort van microzonering. Door basisvoorzieningen meer lokaal te produceren, kan de overheid bijdragen aan een meer rechtvaardige wereld én kan ze ingrijpen op hoe wij consumeren.’ Volgens De Boeck is er ook niets dat ons belet om een publiek aannemersbedrijf op te richten. Met zo’n voorstel zal de Confederatie Bouw niet kunnen lachen, maar zo’n publiek aannemersbedrijf kan overheidsgebouwen herstellen of onderhouden, gemeentescholen bouwen, enzovoort. Dit alles met ecologische bouwmaterialen.’ Als buitenlands voorbeeld verwijst zij naar Wales. ‘Dat is een regio die weinig exportactiviteit en een beperkte financiële markt kennen, maar waar de basisdiensten en -goederen wel aanwezig zijn en waar een sterke overheidsondersteuning bestaat in sociale en betaalbare huisvesting. Vraag daar de mensen of ze weg willen uit hun zogezegd ‘achtergestelde’ buurt en ze worden boos. Terecht.’

Remunicipalisering

Steden kunnen de economische motors zijn van een land, maar De Boeck laat zich bij die vaststelling niet verblinden door wat zij stadsgoeroes noemt (‘ware triomfalisten die het leven in de stad toejuichen’). De nieuwe stedelijke economische denkers en hun vaste (neoliberale) recepten van deregulering, belastingkorting, stedelijke ondernemingszones, het bouwen van wolkenkrabbers, investeringen in high tech sectoren dragen niet haar voorkeur weg. De Boeck zet zich eerder op de lijn van een David Harvey die kritiek heeft op die beweging die de stad als een entrepreneur ziet die streeft naar groei in plaats van naar het managen van ongelijkheid. De leefruimte is ook inzet van de sociale strijd, schrijft David Harvey in zijn ‘Rebel cities’ en dat was eveneens het uitgangspunt van de Franse socioloog en de dissidente marxist Henri Lefebvre in ‘Le droit à la ville’. Het nieuwe Spaanse municipalisme vertrekt ook, zoals in de werken van Lefebvre en Harvey van de eis van ‘recht op de stad’ voor zij die er wonen. In Barcelona en andere Spaanse steden lokte de bankencrisis van 2007, waardoor mensen hun leningen niet meer konden afbetalen, felle reacties uit die zich vertaalden in Plataformas de Afectos por la Hipoteca (PAH). Het recht op wonen en de toegang tot water en andere nutsvoorzieningen kwamen in het gedrang. La guerra del agua gaat in een andere context onverminderd voort.
Ook in de nieuwere remunicipalistische beweging speelt water als inzet in de strijd voor de herovering van de commons een zeer belangrijke rol. ‘Remunicipaliseren’ is een belangrijk antwoord op de neoliberale privatiseringsgolf die de basisvoorzieningen die een overheid moet garanderen ‘uitgekleed’ heeft. Remember Cochabamba.
In coronatijden komt dit alles nog des te pijnlijker tot uiting. Enkele voorbeelden? Montpellier hermunicipaliseerde de drinkwatervoorziening in 2016 en maakte daarbij gebruik van de ervaringen in Grenoble, Parijs en Nice. Het resultaat van deze beslissing was dat de prijs van het water met tien procent verlaagd werd, en dat had meer kunnen zijn, als na de hermunicipalisering niet was gebleken dat de infrastructuur er zo slecht aan toe was. Ook Italië is een mooi voorbeeld want al in 2011 werd een historisch referendum gehouden waarbij 99 procent van de 27 miljoen kiezers stemden voor de afschaffing van de plicht tot privatisering en van de mogelijkheid om winst te maken op water. De Napolitaanse priester en hoogleraar Alex Zanotelli was de spilfiguur in de strijd om Acqua Pubblica en burgemeester Luigi De Magistris benoemde hoogleraar Alberto Lucarelli, die de notie ‘gemeenschapsgoederen’ mee hielp verankeren in het Italiaans Burgerlijk Wetboek, tot wethouder van beni comuni, van gemeenschapsgoederen dus.
Sinds vijftien jaar hebben al meer dan 180 steden in de wereld een remunicipaliseringsbeweging doorgevoerd in de watersector. De Transnational Institute-onderzoekers Satoko Kishimoto en Olivier Petitjean onderzochten daarvoor 235 cases in 37 landen waarbij meer dan 100 miljoen mensen betrokken zijn. (3)
Het onderzoek van Sara De Boeck past in een tegenbeweging-verhaal dat op dit ogenblik verschillende namen draagt – circulaire economie, degrowth movement, municipalisme, commons en commoning, de peer to peer-ideeën van Michel Bauwens, coöperatief ondernemen, de donuteconomie van Kate Raworth, de economie van het genoeg, de solidariteitseconomie, de deel- en collaboratieve economie , enz., enz. – maar die alle hetzelfde antwoord zullen geven op de vraag waarmee Sarah De Boeck haar interview met Sampol eindigt: ‘Waarvoor dient economie? Voor het goede leven, toch.’

(1)Paul Verbraeken was een ongebonden kritische denker zoals we er in Vlaanderen nooit veel hebben gehad. In de geest van Paul Verbraeken wordt elk jaar het woord verleend aan een eminent spreker die zich niet door het systeem laat inpalmen en zich verzet tegen het heersende neoliberale discours. De Paul Verbraekenlezingen komen tot stand met de steun van Charta 91, het Masereelfonds, het Wereldculturencentrum Zuiderpershuis en een schare sympathisanten. De lezingen ervan worden uitgegeven door de VUBPRESS.
(2)Wim Vermeersch, Laten we ons massaal bemoeien met economie, Sampol van maart 2021
(3)Water remunicipalisation zie www.tni.org

Laten we ons massaal bemoeien met economie, een pleidooi voor de essentiële economie, Paul Verbraekenlezing 2021
Sarah De Boeck
VUBPRESS, Brussel
2021
90 blz.
9789461171047
(Visited 183 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).