Over de veelzijdige beperktheid van Mario Vargas Llosa

Na de bekendmaking dat de Spaanse auteur van Peruaanse origine Mario Vargas Llosa op zijn vierenzeventig de Nobelprijs voor de Literatuur had behaald, werd zijn werk in de pers de hemel ingeprezen. Guy Verhofstadt, een groot bewonderaar van hem en zijn ideologisch vrijheidsbegrip, deed daar ijverig aan mee. Walter Lotens maakt bij het werk van Mario Vargas Llosa en zijn houding tegenover de inheemse beweging in Latijns-Amerika enkele kanttekeningen.

Ik verneem via de radio dat Mario Vargas Llosa de Nobelprijs voor Literatuur heeft gekregen voor “zijn cartografie van de machtsstructuren en zijn scherpe beelden van verzet, revolutie en verlies”, zoals de secretaris van de Nobelprijs-jury bekend maakte in het Zweeds, Engels en Spaans. Dat bericht laat mij niet koud en ik loop dadelijk even langs mijn boekenrekken. Mario Vargas Llosa is daarin prominent aanwezig. Ik tel meer dan vijfentwintig titels. Van geen enkele andere Latijns-Amerikaanse schrijvers heb ik zoveel werken in huis, zelfs niet van Gabriel García Márquez. Na al die boeken te hebben gelezen, ben ik Vargas Llosa nog helemaal niet beu, al moet ik toegeven dat ik een haat-liefde verhouding heb met hem. Dat is het resultaat van ingrijpende leeservaringen met de kapot gelezen Meulenhoff-ruggen. Naast literaire hoogstandjes als ‘De stad en de honden’, ‘Het groene huis’, ‘Gesprek in de kathedraal’ en ‘Het feest van de bok’ staan er ook naar mijn gevoel miskleunen tussen zoals recente werken als “Het paradijs om de hoek”, “Het ongrijpbare meisje” en “Dagboek Irak” waarin hij zich pal achter de Irak-oorlog van George Bush en de Amerikaanse haviken plaatst. “In de politiek,” zegt de recente Nobelprijswinnaar, “kan je niet altijd de uitmuntendheid nastreven. Dat kan enkel in de literatuur”. Die uitspraak maakt Vargas Llosa naar mijn leesgevoel zelf niet waar. Daarvoor is zijn uitgebreid oeuvre vanuit literaire maatstaven bekeken te ongelijkmatig. Laat ik eerst enkele van zijn sterke kanten belichten. Vargas Llosa is een meester in het opbouwen van een spanningslijn die op een cruciaal moment afgebroken wordt en in een andere verhaallijn overgaat. In ‘Het feest van de bok’ hanteert hij zoals in ‘Het groene huis’,’Gesprek in de kathedraal’ en ‘De oorlog van het eind van de wereld’ een schijnbaar ingewikkelde verhaalstijl waardoor de aandachtige lezer slechts met mondjesmaat doordringt in de verschillende lagen van het boek. Om het innerlijk labyrint van zijn personages te beschrijven met al hun tegenstrijdigheden en paradoxaal gedrag, ontwerpt hij als literair alchemist een labyrint met vele in- en uitgangen, waar ruimte zat is voor irrationeel gedrag.

Een bok die Trujillo heet

Dat doet hij uitstekend in ‘Het feest van de bok’ dat in 2000 verscheen. In die ijzersterke roman schetst hij een ontluisterend beeld van de dictatuur van Rafael Trujillo. Tussen 1930 en 1961 domineerde Rafael León Trujillo volledig de Dominicaanse Republiek. Hij kwam aan het bewind tijdens de economische crisis die volgde op de Wallstreet-Krach van 1929. De Amerikanen ondersteunden, behalve op het laatste, het schrikbewind van deze traditionele caudillo. Als president beschouwde hij de staat als zijn persoonlijk eigendom. Nadat hij met fascistische terreurmethoden de staatsmacht in handen had gekregen, gebruikte hij die macht om een economisch imperium op te bouwen. Alle industrieën die hij met overheidssteun opzette, waren het eigendom van hem of zijn familie. Aan het eind van zijn leven had Trujillo tachtig procent van alle Dominicaanse industrie in handen en bezat zijn familie meer dan een kwart van de landbouwgrond. In de Trujillo-ondernemingen werkte 45 procent van de beroepsbevolking; voorts was 15 procent in dienst van de staat, die eveneens volledig door de dictator gecontroleerd werd. De hoofdstad Santo Domingo werd omgebouwd tot Ciudad Trujillo. Talloze standbeelden en monumentale gebouwen vormden het bewijs van Trujillo’s macht. Op 30 mei 1961 werd hij vermoord door ex-medestanders van hem. Dat is het historische decor van het trujillisme dat Mario Vargas Llosa als uitgangspunt neemt voor zijn roman, die – voor een deel – de laatste dag uit het leven van de ‘Baas, de Generalíssimo, de Weldoener, de vader van het Nieuwe Vaderland, Zijne Excellentie Doctor Rafael Leónidas Trujillo’ (p. 12) beschrijft. ‘God en Trujillo: dat is, in het kort, de verklaring voor het overleven van het land en van de huidige welvaart van het Dominicaanse leven,’ snoeft de dictator tegen de marionet-president Joaquín Balaguer op pagina 254.

Trujillo domineert niet alleen het economisch leven, maar is ook voortdurend aanwezig in de hoofden en lichamen van zijn onderdanen. Vrouwelijk schoon is niet veilig voor de vitale zestiger, ook de rijkeluisdochters niet die ‘de bok’ vaak voor een nachtje naar zijn Mahoniehouten Huis in zijn geboortedorp San Cristóbal meenam. Reeds van in het begin van de roman voelt de lezer het: niet alleen het imperium, maar ook de mannelijke potentie van de dictator loopt ten einde. Op alle mogelijke manieren probeert de potentaat zijn toenemende incontinentie te verbergen. “Het moest net gebeurd zijn, de plek was nog vochtig, op dit ogenblik was de gevoelloze blaas leeggelopen. Hij had het niet gemerkt, hij merkte het ook nu niet. Een vlaag van woede steeg in hem op. Hij kon mensen beheersen, drie miljoen Dominicanen op de knieën krijgen, maar hij was niet in staat zijn sluitspier onder controle te krijgen.” (p. 143)

Het feest van de bok

Deze roman speelt zich af op twee tijdstippen in San Domingo: 1996 en 1961. Via drie verhaallijnen overbrugt Vargas Llosa voortdurend die 35 jaar – niet alleen hoofdstuk per hoofdstuk, maar ook soms binnen één passage. In de eerste verhaallijn duikt de 49-jarige Urania Cabral op. Zij is de dochter van Agustín Cabral, de dochter van een belangrijke Trujillo-dignitaris. Als gevolg van een traumatische ervaring (die pas in de laatste bladzijden van het boek beschreven wordt) vertrekt zij op haar veertien, op de vooravond van de moord op Trujillo, naar de Verenigde Staten om te studeren. Zij verbreekt alle contacten met haar familie en wijdt zich volledig aan haar werk als succesvolle advocate van de Wereldbank. Na 35 jaar vliegt zij in een impuls naar Santo Domingo en ontmoet daar haar verlamde vader, die aan de rand van het graf staat. In zijn aanwezigheid beleeft zij terug haar jeugdtrauma’s, nadat zij door haar in ongenade gevallen vader als veertienjarig meisje aan de bok werd ‘aangeboden’. De tweede intrigelijn ontwikkelt zich rond het personage van de bok Trujillo zelf die, aangeklaagd door de Kerk en in de steek gelaten door de USA, zich in allerlei bochten wringt om zich met behulp van de caliés, de inlichtingendienst onder leiding van de sinistere Johnny Abbés García, staande te houden in een omgeving die gonst van de complotten tegen hem. De derde verhaallijn belicht de motieven van de samenzweerders, die Trujillo op de weg naar San Cristóbal opwachten om hem van kant te maken. Ieder van deze ex-Trujillisten heeft goede redenen om de trekker over te halen: een militair moest zijn verloving afbreken en als blijk van trouw de broer van zijn meisje vermoorden, een ander wordt gedreven door zijn katholieke geloofsovertuiging en een derde wil zijn broer wreken die slachtoffer is geworden van de Trujillo-terreur. Na de (aangekondigde) moord op de bok – de roman is amper halfweg – komen de gebeurtenissen in een stroomversnelling en wordt de focus gericht op het lot van de samenzweerders. Ondanks hun geslaagde actie loopt alles mis, omdat de leider van het complot, generaal José René Roman, om onverklaarbare redenen verzuimt om op het gepaste ogenblik de macht in handen te nemen. De overvallers proberen te vluchten, maar een voor een worden zij door de gevreesde caliés opgespoord en aan vreselijke folteringen onderworpen. Parallel hiermee is de lezer getuige van de delicate manoeuvres die de achtergrondfiguur president Balaguer uithaalt om, zonder de Trujillo-familie voor het hoofd te stoten, stilaan het regime in een voor de Verenigde Staten en de Kerk aanvaardbare democratische richting te duwen. Op die manier slaagt Mario Vargas Llosa erin om die labyrintische wereld op te roepen van de laatste dagen van een dictatuur vol intriges, intimidatie, lafheid en opportunisme.

‘Het feest van de bok” is veel meer dan een kroniek van die zwarte jaren in de Dominicaanse Republiek. Daar zorgt het talent van Vargas Llosa wel voor. De veelheid aan anekdotes zijn voor hem slechts een aanleiding om door te dringen tot een niveau waar geen historicus geraakt, namelijk het innerlijke leven van zijn personages. Er is in de allereerste plaats de gekte van Trujillo zelf. Hij wordt neergezet als een banaal iemand, megalomaan, ontdaan van elk moreel besef, voortdurend achterdochtig, maniakaal, beschaamd over het negerbloed in zijn aders (hij poedert zijn gelaat om alle donkere sporen weg te halen). Om zijn onbenulligheid en zijn aftakeling (beginnende incontinentie) te camoufleren treedt hij almaar wreder op. Hij is zo machtsdronken dat hij, blind wordend voor de werkelijkheid, niet kan geloven dat de machtsverhoudingen zich aan het keren zijn. Zoals elke echt grote romancier slaagt Mario Vargas Llosa erin een groot aantal nevenfiguren in al hun particulariteit neer te zetten. Mama Julia, ‘ de sublieme matrone’ en moeder van de Weldoener is het object van een kitscherige, officiële cultus. Urania Cabral is een vat vol tegenstrijdigheden: haar leven wordt nog steeds bepaald en verscheurd door haar vreselijke jeugdherinnering. Johnny Abbés García, de chef van de caliés die alle vuile werk voor het regime opknapt, verschijnt als de vleesgeworden sadist. Senator Chirinos, een dikke dronkenlap die in het boek steevast de Benevelde Constitutionalist wordt genoemd, blijft tot op het laatste ogenblik één van de weinige vertrouwelingen van de dictator. Dan is er nog Ramfis Trujillo, de wrede, geborneerde en vulgaire playboyzoon die door zijn vader tot Legerchef werd gebombardeerd, en Balaguer, de bescheiden schaduwfiguur die zich na de moord op Trujillo van een heel andere kant laat zien: de man die het regime lang zal overleven – hij is op hoge leeftijd gestorven – ontpopte zich tot een gewiekste politicus die op een bijzonder tactische manier een situatie naar zijn hand kon zetten.

Roman à thèse

Ik heb de 450 bladzijden van “Het feest van de bok” bijna in één ruk uitgelezen. Zoals met een aantal van Vargas Llosa’s boeken werd het voor mij een uitzonderlijke leeservaring. Dat is zeer merkwaardig, want ik heb al jaren een aversie tegen de Mario Vargas Llosa die zich vanaf zijn poging om in 1990 Peruaans president te worden (en de duimen moest leggen voor Alberto Fujimori) tot een felle voorstander van het neoliberalisme heeft opgeworpen. In zijn autobiografie ‘De vis in water’ en in zijn essays (‘De cultuur van de vrijheid’ en ‘De taal van de hartstocht’) en krantenartikels in het Spaanse “El País” is hij een weinig genuanceerde pamflettist die op een soms branieachtige wijze het neoliberalisme bezingt. Die houding is ook aanwezig in sommige van zijn voornamelijk recente romans – ik denk dan bijvoorbeeld aan ‘Het paradijs om de hoek’ en ‘Het ongrijpbare meisje’ – waarin hij een these wil bewijzen en de roman slechts als een vehikel gebruikt. Dat leverde geen uitmuntendheid op. Het wordt nu uitkijken naar zijn volgende roman “De droom van de Kelt” die volgende maand uitkomt en die handelt over het Congo van Leopold II. Wordt het weer een boeiend literair werk van de begenadigde romancier die Vargas Llosa ook is of wordt het andermaal een nieuwe saaie roman à thèse?

Vargas Llosa versus inheemse beweging

In de Latijns-Amerikaanse literatuur is er een voortdurende spanning tussen moderniteit en traditie aanwezig. Onder het begrip ‘mestizaje’ (culturele ‘métissage’, smeltkroes) begrijpt niet iedereen hetzelfde. Voor sommige latino-auteurs zoals Mario Vargas Llosa, Alejo Carpentier en Carlos Fuentes betekent het vooral het binnenhalen van de westerse moderniteit en het loskomen uit verlammende tradities. Voor andere zoals José María Arguedas, Juan Rulfo, Augusto Bastos en Guimaraõs Rosa wijst het eerder op het behoud van het eigene, van het inheemse. Mario Vargas Llosa die al jaren in Spanje woont, is een felle voorstander van het modernisme. Hij heeft afstand genomen van zijn geboorteland Peru. In zijn essayistische geschriften is deze neoliberaal niet mals voor de inheemse beweging in zijn land en bij uitbreiding in heel Latijns-Amerika . Hij kijkt met een zeer westerse, modernistische bril naar de inheemse beweging op het continent waar hij vandaan komt. Op een congres in Bogotá van einde 2003 liet hij zich onder andere ontvallen dat de Peruaanse indianenbeweging wordt geleid door “twee of drie kleine broertjes, die in de naam van de collectieve, inheemse, autochtone en ware identiteit – de ware ‘Peruaansheid’ – een campagne hebben gelanceerd die bij nader toezien dwaas en bijna komisch lijkt, maar die een gevoelige snaar raakt, namelijk de ‘geest van de stam’. Die geest van de stam verdwijnt nooit, zelfs in samenlevingen die verder zijn gevorderd op het pad van de beschaving.” Vargas Llosa zei ook nog dat inheemse gemeenschappen zichzelf beschouwen als het mikpunt van onrechtvaardigheid, omdat zij zogezegd het slachtoffer zijn geweest en zijn van “het imperialisme, de blanke, de kolonisatie en bedrijven die hun natuurlijke rijkdommen willen wegnemen.” In de Zuid-Peruaanse stad Arequipa is de bevolking op de been gekomen om twee buitenlandse bedrijven ervan te weerhouden de energiesector over te nemen. De schrijver meent dat dergelijke eisen “niet te verzoenen zijn met beschaving en ontwikkeling, en op de korte of lange termijn leidt zoiets ons tot barbarisme. Wanneer wij willen tot ontwikkeling komen, moeten wij kiezen voor beschaving en moraliteit, en moeten wij resoluut strijden tegen deze uitbarstingen van collectivisme.” Mario Vargas Llosa meent ook dat het nodig is om de groeiende invloed van de indianenorganisaties in Peru, Bolivia en Ecuador aan banden te leggen. Hij stelt dat die bewegingen “een ernstig verstorend element bevatten dat zich richt tot de lagere instincten, de slechtste instincten in iedere mens, zoals wantrouwen tegenover anderen en tegenover iedereen die anders is. En volgens hem is “een fenomeen als de heer Evo Morales in Bolivia het product van een inheemse beweging die is blijven steken in het verleden”.

Inheemse reacties

Leonidas Iza, voorzitter van de Confederatie van Inheemse Nationaliteiten van Ecuador CONAIE, vindt de opmerkingen van Vargas Llosa agressief en beledigend voor de bevolking van heel Latijns-Amerika. Hij pleit voor meer respect voor de diversiteit die de Ecuadoraanse inheemse beweging en andere inheemse groepen in de regio vertegenwoordigen. “Als democratie ook gelijkheid betekent, is dat precies wat wij nastreven: echte democratie,” aldus Iza. De Ecuadoraanse indianen leven volgens voorouderlijke waarden en een gemeenschapsmodel dat gebaseerd is op solidariteit – iets wat vaak botst met het individualisme in de moderne samenleving. Zij kunnen gebruiken als de ‘minga’ – een systeem van gemeenschapswerk, bijvoorbeeld tijdens de oogst of bij het bouwen van huizen of de aanleg van wegen. Ricardo Ulcuango, leider van het indiaanse Parlement van Noord- en Zuid-Amerika en van de Ecuadoraanse Parlementscommissie voor de Aangelegenheden van de indianen en andere etnische groepen, is woest over de uitspraken van de schrijver. “Mijnheer Vargas Llosa lijkt volledig zijn identiteit te hebben verloren. Hij lijkt zelfs de woorden kwijt die hij vroeger zo goed wist te hanteren om de realiteit in Latijns-Amerika te beschrijven, de realiteit van het vele en lange lijden van ons continent,” fulmineert Ulcuango. Hij verwijt de schrijver verder “een select en racistisch wereldbeeld” en stelt voor dat hij zichzelf wat beter informeert, bijvoorbeeld door het lezen van Conventie 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie over de  rechten van inheemse volken. Hij vraagt zich ook af over welke ‘beschaving’ Vargas Llosa het heeft. “Betekent beschaving voor de auteur dat een kleine
groep mensen voordeel kon halen uit het Boliviaanse aardgas in de pre Morales-periode, de privatiseringen in Peru of de Ecuadoraanse olie? Betekent het ook een verpesting van het leefmilieu tot dat volledig uitgeput is of het verkopen van water uit de rivier aan wie daar het meeste voor betaalt?” Humberto Cholango, voorzitter van de Ecuadoraanse Nationale Confederatie van Quecha-volkeren, noemt Vargas Llosa’s mentaliteit “koloniaal”. Door dergelijke standpunten “slagen wij er niet in om te komen tot een meer democratisch, participatief en geïntegreerd Latijns-Amerika dat de diversiteit van elk land erkent.” De voormalige Ecuadoraanse minister van landbouw Luis Macas, een van de stichters van CONAIE, meent dat de uitspraken van de schrijver afkomstig zijn van “iemand die zijn eigen identiteit heeft opgegeven, en daardoor ook zijn geschiedenis en zijn aardrijkskunde.” Voor de inheemse beweging in Latijns-Amerika is er alvast geen Nobelprijs weggelegd voor Mario Vargas Llosa.

(bron: ips news)

(Uitpers nr. 125, 12de jg., november 2010)

Print Friendly, PDF & Email

Visited 188 Times, 1 Visit today

Tags :
Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

zie ook