Over de Unvollendete van een prutsende filosoof

Jean Paul Van Bendegem, Over wat ik nog wil schrijven, Garant, Antwerpen-Apeldoorn, 2008, 340 blz. ISBN 978-90-441-2171-1, prijs: 35 euro

De wiskundige, logicus, filosoof, vrijmetselaar en dilettant op vrijwel alle gebieden die des mensen zijn Jean Paul Van Bendegem (°1953) houdt van provoceren. Via de cover van zijn laatste boek Over wat ik nog wil schrijven kijkt de lezer naar een vulva (van het beroemd-beruchte schilderij van Gustave Courbet L’origine du monde) die geaccompagneerd wordt door een wiskundige tekst met als titel Conjectures fausses en théorie des nombres.

Wat is het verband tussen het naakte onderlichaam van een vrouw en een wiskundige tekst? Het antwoord is eenvoudig en daardoor zo verwarrend: alles heeft met alles te maken. Er lijkt simpelweg geen einde te komen aan de verbanden. Daarom ook heeft Van Bendegem geen boek geschreven met een titel die een welbepaald gebied afbakent. Over wat ik nog wil schrijven bestaat uit tien hoofdstukken over zeer uiteenlopende onderwerpen als architectuur, wiskunde, literatuur, stripverhalen, vrijmetselarij, muziek, geloof, humor, erotiek, seks, pornografie en … Sherlock Holmes.

Niets wat des mensen is, is Van Bendegem vreemd. “Het zijn tien nog te schrijven werken die elk een thema belichten en behandelen dat mij nauw aan het hart ligt en waar mijn professionele academische activiteiten geen ruimte voor laten, hoewel ze er fundamenteel door beïnvloed zijn” (p. 16). Eigenlijk zijn het er elf, want hij opent met Mijn rariteitenkabinet, wat hij dan maar zijn nulde boek noemt en waarin zowel zijn vriendin, zijn poes, Lewis Carrol, Sherlock Holmes, Peter Greeneway, Piet Mondriaan als Jacob Van Domselaer (en nog veel meer namen) even opduiken. In de woorden van de schrijver: “Dit boek dat je nu in handen houdt is een uitwerking van het tiende hoofdstuk van een niet-bestaand boek, dat zal handelen over niet-bestaande hoofdstukken, waarvan sommigen in het niet-bestaande tiende hoofdstuk van Mijn Rariteitenkabinet vermeld staan en waarvan sommigen uit de andere eveneens niet-bestaande hoofdstukken komen die wel bedoeld waren als boek, maar waarvan ik het zinniger vond, gezien de inleiding hier, om ze om te vormen van bijna-reële terug naar niet-bestaande boeken.” (p. 31) Hiermee is de badinerende toon van het boek gezet en dat zal Van Bendegem zo’n 350 pagina’s volhouden.

De mens als prutser

Gaat het dan om een luchtig niemendalletje van een academicus die zich met zeer ernstige zaken bezig houdt en zich nu en dan eens moet ontladen, zoals een Ernest Mandel bijvoorbeeld die tussen het schrijven door van zijn Traité en andere politieke werken kilo’s detectives verslond? Neen, want aan de basis van dit alles ligt een zeer ernstig mensbeeld. Voor Van Bendegem is er geen grappiger, ernstiger, zieliger, diepgaander, onnozeler, idioter, genialer beest te bedenken dan de mens. “Wij zijn fantastische prutsers waarvoor ik in volle bewondering sta.” (p. 291). Hij verwijst ergens naar een artikel uit De Morgen waarin staat dat tijdens de ramadan ook de werkdruk afneemt voor de schaars geklede dames rond de Brabantstraat. “Als je dit leest kan je twee dingen doen. Ofwel ben je diep verontwaardigd: wàt, zijn moslims ook al hoerenlopers! Evengoed kan je dit lezen met een diepe warmte voor dat curieuze beest dat deze aarde heeft voortgebracht, met name de mens. Ik vind dit grappig omdat het zo uitgesproken menselijk is.” (p. 302)

Van Bendegem heeft er niets tegen om de mens centraal te plaatsen in het universum, maar dan een mens zoals Maarten t’ Hart hem typeert in Du holde Kunst. Over muziek: “Ongelofelijk toch dat in zo’n bar en doelloos en zinloos heelal, waarin de melkwegstelsels van elkaar wegvluchten, en dat, naar het zich nu laat aanzien, zo’n vijftien miljard jaar geleden uit een volmaakt willekeurige quantumfluctuatie in één reusachtige Big Bang werd geboren, op een achterafplaneetje in de buitenwijken van één van de miljarden melkwegstelsels, een agressieve diersoort ontstond, waarvan vooral de mannelijke leden van de soort elkaar vrijwel onophoudelijk naar het leven staan, maar waarvan een paar hoofdzakelijk ook weer mannelijke leden van die soort, onsterfelijke bijdragen leverden aan een kunst die je verzoent met het bestaan en je soms zelfs het gevoel geeft dat dit heelal met al wat daarin ogenschijnlijk maar zo zin- en doelloos uitdijt, misschien toch nog een weliswaar voor ons verborgen doel of zin of betekenis heeft (p. 291).”

Van die mens houdt Van Bendegem, want het is een mens die bevrijd is van een gigantische last en een onmogelijk te realiseren opdracht. “Een aldus bevrijde mens kan ook weer lachen. Lachen met zichzelf in de eerste plaats, lachen met de wereld, lachen met de ander. Lachen in volle sympathie, maar ook met lichte spot, met oprechte ironie, met smakelijke oneerbiedigheid, zelfs met vrolijk sarcasme en empathisch cynisme.” (p. 292)

Unvollendet

Wat de mens doet is per definitie Unvollendet en toch doet dat niets af aan de kwaliteit van het werk van Franz Schubert. De feilbaarheid en kwetsbaarheid zijn eigen aan de existentiële conditie van de ‘prutsende mens’.

Dat bijzonder mooie uitgangspunt is het kernthema van Over wat ik nog wil schrijven. Van Bendegem is met zoveel bezig, maar zijn beentjes zijn te kort om aan die veelheid vorm te geven. Verdrinken in de veelheid en verloren lopen in de verbanden van de verbanden is het lot van de mens. Laten wij daarom lachen. En dat doet Van Bendegem op bijna elke bladzijde. Hij becommentarieert zichzelf vaak van op een metaniveau en ondergraaft tussen aanhalingstekens zijn eigen ernst, zoals op p. 163 bijvoorbeeld: “Lezer, excuses voor dit soort onmogelijke zinnen, maar zo zit het in mijn hoofd en zo wil ik het eruit laten komen. Ik beloof plechtig dat ik het niet meer zal herhalen.”

Soms melkt hij naar mijn gevoel die relativerende houding wel wat te veel uit en dan wordt het een procédé dat nog amper een flauwe glimlach opwekt. Hij kan het echter niet laten want ook met de laatste zin van het boek hamert hij nog maar eens op datzelfde aambeeld: “Maar eerst die andere boeken schrijven, want, alles bij elkaar genomen, ben ik nog geen iota opgeschoten; Lezer, mijn excuses.” (p. 340) Misschien zou Van Bendegem zijn onvoltooide dingen eens kunnen uitschrijven in columnvorm. Hij heeft er alleszins de scherpe pen voor en dat genre heeft bovendien het voordeel dat het ‘af’ is.

In Over wat ik nog wil schrijven zet een vertegenwoordiger van de academische wereld zich intellectueel compleet in zijn blootje. Je wordt als lezer toegelaten in merkwaardige intellectuele ruimtes die doorgaans ‘wegens werken in uitvoering’ gesloten blijven voor de buitenstander. Pas als er een mooi afgewerkt product klaar is beginnen de persen te draaien.

In een interview met Marnix Verplancke in de Morgen van 2 juli 2008 zegt Van Bendegem: “Als ik naar mijn collega’s kijk, ben ik wel eens jaloers. Er zijn onderzoekers die zich vastpinnen op een heel specifiek domein, in de diepte gaan en ongelooflijke resultaten bovenspitten. Dat kan ik niet. Dingen interesseren me nu eenmaal. Stel dat er een filosofisch kookboek op de markt komt, ik zou het wellicht kopen. Ik zou willen weten of ik er iets mee kan doen.”

Allicht klopt dat voor de meeste van zijn collega’s, maar zeker niet voor zijn leermeester Leo Apostel naar wie hij vaak verwijst, want ook hij worstelde in zijn publicaties voortdurend met de veelheid, ook hij liet alleen een boeiend Unvollendet oeuvre na.

De schone schijn van academische wijsheid hoog houden is niet aan Van Bendegem besteed. Dat siert de auteur en maakt dit boek dat geen boek is toch tot een zeer sympathiek geheel. Dan neem je er ook makkelijker bij dat hij een aantal geschreven teksten opwarmt en in een nieuwe verpakking binnenbrengt. Ik vermoed dat niet alleen de auteur, maar ook de uitgever zich geamuseerd heeft bij het samenstellen van deze toch wel dure uitgave die door zijn zeer vele en ongewone illustraties op een aantrekkelijke visuele manier steeds nieuwe verbanden aangeeft waarnaar de auteur verwijst. Dat maakt tevens dat dit boek dat volgens de auteur geen boek is toch ‘af’ kan worden genoemd.

(Uitpers, nr 105, 10de jg., januari 2009)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=726204&refsource=uitpers

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).