Opstandig Volk. Neergang en terugkeer van losse havenarbeid

In 2003 en in 2006 blokkeerde het Eurpees Parlement tweemaal een poging van de Europese Commissie om de havenarbeid te “liberaliseren”, d.w.z. om geschoolde havenarbeiders te vervangen. Dit om de winstmarges van de rederijen te verhogen en daarvoor de loon- en arbeidsvoorwaarden naar beneden te halen ten koste van onder meer de veiligheid. Het is een zaak die vooral in de Antwerpse haven voor heel wat beroering zorgde.

Ook de Nederlandse havenarbeiders hebben hun problemen. Over hen schreef Hans Boot, redactielid van Solidariteit. Webzine voor een strijdbare vakbeweging, een omvangrijk proefschrift. Zijn collega’s van Solidariteit interviewden hem ter gelegenheid van de verdediging van zijn proefschrift “Opstandig volk. Neergang en terugkeer van losse havenarbeid”(1). Een dikke pil die zowel een kroniek als een analyse is, met aandacht voor het NAS*, de EVC en de moderne vakbeweging, met noten, tabellen, foto’s en anekdotes.

Vooraf aan de vragen die we stellen, eerst een indruk van de inhoud van het boek aan de hand van de achterflap.

“Eind negentiende eeuw eisten havenarbeiders de zekerheid van de vaste en de vrijheid van de losse arbeid. Vandaag hebben ze alle reden deze eis opnieuw te stellen. Want, stond de twintigste eeuw lange tijd in het teken van de terugdringing van de losse havenarbeid, de neoliberale flexibiliteit van de laatste 25 jaar heeft daaraan een einde gemaakt. Een proces dat de vakbeweging meer begeleidde dan bestreed.

De losse arbeid die plichten zonder rechten bood, was een antwoord op de onregelmatige goederenstroom in het havenbedrijf en de fluctuaties in de aantallen benodigde arbeiders. Om die pieken en dalen te reguleren – en de sociale rust te bewaken! – kwamen de gezamenlijke ondernemers in de Amsterdamse haven al in 1917 tot een havenpool die op bestelling arbeiders leverde. Op het kruispunt van de vaste en losse arbeid vormden ze minstens de helft van het totale arbeidersbestand.”

Het onderzoek richt zich op een verklaring van de neergang en terugkeer van de losse havenarbeid in directe relatie met de opeenvolgende Amsterdamse pools en soms de grote broer in Rotterdam. Met een blik ‘van onderen’ en veel niet eerder gebruikte bronnen worden daarbij de vakbonden op de voet gevolgd.

“Een geschiedenis vanaf de arbeidsenquête in 1890 die eindigde in een juridisch gevecht van een groep in 1998 ontslagen poolarbeiders met bestuurders van FNV Bondgenoten in de rol van werkgever. De gerechtelijke procedures duren voort tot in 2011.

De aard van de havenarbeid, gecombineerd met de strategische positie van de havens, kweekte een sociaal klimaat van solidariteit en strijdbaarheid. Voor de niet aan een specifiek bedrijf gebonden poolarbeiders gold dat in het bijzonder. Ze waren thuis in de haven en door hun brede ervaringen en opgedane contacten een vitale schakel in acties en stakingen. Een opstandig volk.”

Havenpool

Waarom heb je je zoveel werk op de hals gehaald, waarom deze aandacht voor de havenpool en de haven?

Het was geen vooropgezet plan, van het één kwam het ander. Via Solidariteit had ik zowel in Rotterdam als Amsterdam contacten met havenarbeiders, in de redactie en redactieraad en tijdens de vakbondscafés. In het bijzonder met poolarbeiders, toen de SHB: Stichting Samenwerkende Havenbedrijven. Ik was onder de indruk van hun kennis van het havenbedrijf, hun strijdbaarheid en consequente vakbondskritiek. En niet te vergeten hun aangename directheid en heerlijk gebrek aan onderdanigheid.

Het waren de jaren tachtig van de grote herstructurering van de havensector en een serie sociale akkoorden. Honderden arbeidsplaatsen verdwenen, ook bij de SHB, met vertrekregelingen die onder veel protest betaald werden met bijdragen uit het loon en het pensioenfonds. De havenpools stonden al langer onder druk. Eerder, in de jaren zeventig, dreigde de overheidssubsidie aan het ondernemersrisico van de leegloop te stoppen. Een voorziening die vanaf 1945 bestond en expliciet bedoeld was om sociale onrust te voorkomen. In de jaren negentig kwam er een definitief einde aan en vanaf 1999 raakte ik betrokken in de hardnekkige, juridische acties van een aantal ontslagen arbeiders.

Vanaf dat moment was ik verkocht. De havenpool bleek een lange en spectaculaire geschiedenis te hebben die liep van radicale vakbonden en vele stakingen, tot uit het hele land aangevoerde stakingsbrekers. Maar over de Amsterdamse pool was nauwelijks gepubliceerd. Toen ik vervolgens de speurtocht in de archieven begon, was er geen houden meer aan. Helemaal niet, nadat ‘relaties’ authentieke verslagen van de Havenreserve en Havenarbeidsreserve vanaf 1917 aan de papierversnipperaar onttrokken en mij met liefde bezorgden. Zo werd ik ook nog eens schatplichtig.

Wat de haven zelf betreft, ben ik niet zo zeer gegrepen door het avontuurlijke imago van de zeeschepen, het eeuwig deinende water of het reuzenformaat van de kranen. Ik had als jongetje wel een kano. Mij interesseert vooral de sterke neiging van havenarbeiders tot onafhankelijke en strijdbare organisatie en de verbindende rol daarin van de poolarbeiders. Dat was voor de Tweede Wereldoorlog te zien in het NAS, waarin zij meestal de grootste bond vormden en later in de EVC en het OVB. Na de jaren zestig organiseerden ze stakingen buiten de vervoersbond van het NVV of de FNV om en botsten ze als leden met het bondsbeleid dat in hun ogen te veel met de bazen meeging. Ook een groot deel van de jaren negentig, waaraan ik veel aandacht besteed, staat in dat teken. De omstandigheid dat de havens economisch en politiek een cruciale positie innemen, speelt daarin nadrukkelijk mee. De kwetsbaarheid voor verstoringen verklaart tevens de heftigheid van stakingen.

De vraag die verder onderzoek verdient, is de invloed op die organisatie en strijdbaarheid van de ingrijpende veranderingen in de arbeid. Dan gaat het bijvoorbeeld om de industrialisering van het havenwerk naar steeds meer éénmensposities en om de containerisatie van het goederenvervoer. En dat in combinatie met de steeds verdere verplaatsing van het havenbedrijf van de bewoonde wereld. Te vergelijken met het geïsoleerde werk op een boorplatform, maar dan wel met een kapotte container als kantine en de kofferbak van de auto als kleedhok.

Verbulking

Tot die veranderingen behoort de komst van meer bulkgoed ten koste van het stukgoed. Betekent die verschuiving dat de oude constructie van de havenpool min of meer overbodig was geworden en moeilijk overeind te houden?

Nee. Maar laat ik eerst even deze kwestie verduidelijken. Een feit is dat door de gestegen arbeidsproductiviteit onder invloed van de mechanisering het aantal arbeidsplaatsen drastisch is gedaald. Let wel, bij een groeiende goederenoverslag. Neem de periode 1960-1980. Die laat in Amsterdam bij een ruime verdubbeling van de overslag een daling zien van ongeveer 6.000 naar ongeveer 2.000 havenarbeiders, met daarbinnen de SHB van 2.800 naar 850. In 1957 waren dat er bij de SHB nog meer, namelijk: 3.300 en in 1998 nog minder: 315.

Onderdeel van deze ontwikkeling is de verschuiving in de goederenstroom, volgens het beleidsjargon ‘verandering van verschijningsvorm’ geheten. Maar dan gaat het over het aandeel van het stukgoed in de totale overslag. Dat daalt in het Amsterdam Noordzeekanaalgebied over de periode 1980-1995 van 70 naar 40 procent. De ook daarna doorzettende stijging van de overslag is vooral toe te schrijven aan het massagoed en dan met name ‘natte bulk’ als olieproducten. De hoeveelheid stukgoed groeide mee, voor een deel opgeslagen in containers, maar het aandeel in het totaal bleef dalen.

Die containers vervoeren op weg naar ‘s werelds grootste cacaohaven de bonen steeds meer in bulk. Ook al zijn de klassieke balen beslist niet verdwenen, de arbeidsintensiteit nam af. En dat tikte direct door naar de SHB die traditioneel de overslag en opslag van de balen cacaobonen voor haar rekening nam. Fysieke arbeid, vol samenwerking, die een belangrijk deel van de werkgelegenheid bij de SHB en haar opvolgers vormde. Dat deze zogenaamde verbulking ook bij de havenpool arbeidsplaatsen verdreef, is dus te begrijpen.

Maar de overbodigheid of het einde van de pool is een ander verhaal. Het havenwerk bleef, ook de opslag in loodsen, evenals vergelijkbaar werk. De onregelmatigheid van de goederenstroom door bijvoorbeeld seizoenpieken bleef ook en de aankomst van schepen is nog steeds niet perfect voorspelbaar. Een aanzienlijk deel van de poolarbeiders was breed geschoold met een ruime ervaring in verschillende bedrijven en het gebruik van allerlei apparatuur. De teloorgang van de pool was dus niet onvermijdelijk, ondanks bijvoorbeeld de kaalslag bij de grootste afnemer, CTA/Ceres.

Krachtsverhoudingen

Maar hoe zit het dan wel, volgens jou? De havenpool heeft het niet gered, welke verklaring heb jij daarvoor?

Even voor de volledigheid, er is na faillissementen en mislukte overnames nog een overblijfsel in de vorm van een uitzendbedrijf voor de haven, onderdeel van een landelijke onderneming. Zij het met specifieke arbeidsvoorwaarden en ongeveer vijftig mensen.

Nu de vraag. Van belang is vast te stellen dat gedurende de laatste twee decennia de sociaal-economische en ideologische krachtsverhoudingen verschuivingen kennen die ten gunste van de ondernemers uitpakken. Die troffen ook de Amsterdamse poolarbeiders. Ondanks de bikkelharde strijd voor het voortbestaan van de pool die ze tot ongeveer 1997 voerden. Ze staakten, blokkeerden wegen, schorsten de directie en bezetten onder andere het Amsterdams stadhuis, het arbeidsbureau en het gebouw van de Tweede Kamer. Maar even hard is de conclusie dat ze samen met hun Rotterdamse collega’s, waar hetzelfde speelde, geïsoleerd bleven. Ze wisten de uitvoering van de ondernemersplannen te vertragen, maar boekten geen overwinning.

Voor de haven als geheel gold dat de pool als spil van de werkgelegenheid en vele acties aan het slijten was. Zo trad een zichzelf versterkend effect in werking. De afnemende strijdbaarheid verzwakte de kans op steun aan de overlevingsacties van de poolarbeiders. Daar kwam nog eens bij dat jaar na jaar groepen oudere arbeiders afvloeiden, waarmee actie-ervaring en strijdtraditie verloren gingen.

In die krachtsverhoudingen opereerden bonden en ondernemers. Niet als passieve toeschouwers, maar als actieve deelnemers. De ondernemers deden dat onder het motto dat de Scheepvaartvereniging Noord al voerde in de jaren 1941-1944, toen ze in alle oorlogsrust de SHB in de steigers zette die in mei 1945 van start ging. Dat luidde: goedkoper, flexibeler en stabieler.

In die expansieve tijd hadden ze de pool nodig. Ze kregen steun van de overheid en overigens ook tot midden jaren vijftig van de goedkope Dienst Uitvoering Werken, de werkverschaffing die met contracten voor een dag of een week arbeiders beschikbaar stelde. In de jaren negentig verdween de overheidssteun aan de leegloop en wilden ze af van een pool die gereguleerd onder de CAO van de haven viel.

De poolarbeiders knokten in hun bond voor een koers die zich met steun van de gemeente Amsterdam op het behoud van een volwaardige pool richtte. Na vervanging van de plaatselijke bestuurder spiegelde een nieuw bestuurdersduo zich aan de logica van de ondernemers en zette al hun kaarten op het zoveelste afvloeiingsakkoord. Later bleek dat, behalve open einden, passages te bevatten die het ontslag van bijna honderd mensen mogelijk maakte. Dat betekende dat bondsbestuurders, ik kom er nog op terug dat ze inmiddels werkgever zijn, hun leden na enige tijd naar de werkloosheid verwezen. De verschillende rechters die zich vervolgens over die ontslagen moesten uitspreken, vonden het een gammel akkoord. Ze gaven hun goedkeuring aan het ontslag, omdat zo’n unieke coalitie van ondernemers, bond en de tijdelijk medewerkgever arbeidsvoorziening het toch wel heel goed met de arbeiders moest voorhebben.

Goedkoper, flexibeler, stabieler

Waarom hebben dan de ondernemers uiteindelijk de bestaande pool afgeschreven?

Dat ligt opgesloten in het genoemde motto goedkoper, flexibeler en stabieler.

Goedkoper wil zeggen: niet meer voor de arbeidsvoorwaarden die in de havens golden, ook niet de volledige betaling van de leeglooptijd. Ontduiking van die arbeidsvoorwaarden via uitzendbedrijfjes en koppelbazen, vreemde arbeid genoemd, is sinds het bestaan van de SHB voor de arbeiders een permanente bron van ellende en strijd geweest. Daar kwam nog eens bij dat vanaf midden jaren zeventig extra pieken in het werkaanbod opgevangen konden worden door ‘derden’ met aangepaste, dat zijn goedkopere arbeidsvoorwaarden. Dat is daarna doorgegaan, zelfs zo ver dat uitzendbedrijven in de haven hun gang konden gaan. Later volgden zzp’ers en nog steeds koppelbazen. Goedkoper voor de havenbazen waren ook de laag gestelde tarieven, waarmee de directie van de pool ondernemers lokten, maar uiteindelijk inkomsten verspeelden. En dat niet alleen, na 1995 zijn ruim 24 miljoen gulden overgangssteun van de overheid en in 1997 meerdere miljoenen vredesgeld van Rotterdamse ondernemers mysterieus besteed. Gretig, maar stiekem uitgepakte cadeautjes.

Flexibeler wil een wekelijkse beschikbaarheid zeggen van zeven etmalen, waarbij oude toeslagen gedeeltelijk verdwijnen. Dus ook nog eens goedkoper. De toegenomen flexibiliteit werkt nog op een andere manier door, namelijk intern bij de bedrijven. Daar zijn meer mogelijkheden gekomen om het in dienst zijnde personeel op een gewenst moment, in een gewenst aantal en op een gewenste plaats voor werkzaamheden in te zetten. Het gevolg daarvan is dat de bedrijven ‘derden’ inschakelen in pieksituaties en het poolrestant gebruiken in situaties van personeelskrapte. De derdebedrijven werken onder allerlei voorwaarden. Geen contract, een oproepcontract, jaarcontract of een regulier arbeidscontract dat ongunstiger is dan de cao in de havens. Dat is de reden dat ik tot de conclusie van de terugkeer van de losse havenarbeid ben gekomen.

Stabieler betekent voorkomen van arbeidsverstoringen als werkonderbrekingen, stakingen en acties om vreemde arbeid te verhinderen. Vreedzame en minimaal constructieve verhoudingen met de bonden behoren hier toe. De beslissing van FNV Bondgenoten en Vervoersbond CNV om eind 1997 drie van hun bestuurders te belasten met werkgeversverantwoordelijkheid droeg daaraan bij. In die zin dat zij het vuile saneringswerk opknapten in een doorstart met ontslagen. In een daarop volgende slepende, juridische procedure onderscheidden zij zich helaas niet van hun sociale partners. Zonder dat zij daar tegen protesteerden, beschimpte hun advocaat de procederende groep arbeiders, in grote meerderheid leden, regelmatig.

Bond als baas

Hoe uitzonderlijk was het optreden van de vakbeweging in de haven?

Die vraag wijst naar twee kanten. De volle werkgeversverantwoordelijkheid nemen is bij mijn weten uniek, maar wel de uiterste consequentie van de illusie dat de markt werknemersvriendelijk kan functioneren. Aan de andere kant zit het uitzonderlijke erin dat de uiteindelijke instemming met het genoemde ondernemersmotto gebeurt in een sector met een lange strijdtraditie en hoge organisatiegraad. Een voor andere sectoren wenkend perspectief kan dat niet genoemd worden. Hoewel mij geen serieuze evaluatie van die verantwoordelijkheid bekend is, mag gehoopt worden dat hier geldt ‘eens maar nooit weer’.

Dat brengt me tot een algemene conclusie. Bondsgroepen in verschillende sectoren hebben zelden onderling contact om van elkaar te leren en ervaringen uit te wisselen. Juist de bijna obsessie van bondsbestuurders om met ondernemers te overleggen en akkoorden af te sluiten, sluit een sector van de andere af. Hetzelfde geldt voor bedrijven in één sector. De poolarbeiders waren met hun vele acties zeer zichtbaar, stelden collega’s in andere sectoren op de hoogte en slaagden er voortdurend in de aandacht van de media te organiseren, dat leidde zelfs tot een lange televisiedocumentaire. Op de momenten dat ze andere bedrijven en sectoren in hun activiteiten betrokken, kregen ze niet de steun van betrokken bestuurders. Kortom, directe steun aan actievoerende collega’s, een strategie van getoonde solidariteit, is broodnodig voor een vitale vakbeweging.

Verlicht, bibberend en moralistisch

Over ondernemers gesproken. Voor de Tweede Wereldoorlog speelde religie ook in de bedrijfswereld een belangrijke rol, ben je bij de havenbaronnen een evangelisch geïnspireerd emancipatiestreven tegengekomen?

Niet dat ik weet. Ik kan wel wat zeggen over een reder/cargadoor die te boek staat als ‘modern sociaal ondernemer’, Paul Nijgh. Hij speelde een markante rol in de Rotterdamse haven gedurende de jaren 1913 tot 1921, waarin hij voorzitter was van de ondernemersorganisatie Scheepvaartvereniging Zuid. Of hij zijn inspiratie ontleende aan een religie is mij niet bekend.

Hij nam direct na de wapenstilstand in november 1918 het initiatief tot de Loonraad, een paritair overlegorgaan voor de havens om collectieve arbeidsovereenkomsten vast te stellen. Daarmee reageerde hij, ik zoek het even op en citeer uit een vertrouwelijke brief die hij aan de leden van de vereniging stuurde, op “de wereldschokkende gebeurtenissen welke met een verbijsterende snelheid elkander opvolgen”. Kort daarvoor had hij gesproken met twee prominente Rotterdamse bondsbestuurders. Hij verwachtte naar aanleiding van de gebeurtenissen in Duitsland een machtsovername en vertelde de bestuurders de voorkeur aan sociaal-democraten te geven boven de bolsjewieken. De Loonraad moest functioneren zonder enige staatsbemoeienis en ongewenste machtsmiddelen vermijden. Aan beide kanten zou de strijd opgegeven moeten worden, waarbij, opnieuw een citaat “de leiding in handen der werkgevers zal kunnen verblijven”. De raad, waaraan alle bonden deelnamen, sneuvelde snel. De tijden waren veranderd, de urgentie was weg en de collega’s van Nijgh haakten af. Het in 1920 vastgelopen overleg leidde tot de maanden durende grote transportstaking, een uitputtingsslag die verloren werd.

Tijdens die staking liet een andere leidinggevende zich nadrukkelijk zien, de directeur van de voorlopers van de SHB, de Havenreserve en Havenarbeidsreserve, Janus Wessels. Aan het begin van de twintigste eeuw een baanbrekende bondsbestuurder, een voorman van de havenarbeiders tijdens de spoorwegstaking van 1903 die hem wegens opruiing in de gevangenis deed belanden. Na teleurstellende ervaringen tijdens een door Wessels niet gesteunde staking in Rotterdam, nam zijn leven in 1906 een andere wending. Na functies als havencontroleur volgde in 1917 de directeursbenoeming. Hij regeerde met een straffe en straffende hand en gebruikte de Havenarbeidsreserve onder andere in 1920 als stakingsbreker. Hij zag het als zijn taak de arbeidsschuwe reservisten te resocialiseren in een strenge modelorganisatie. Geliefd was hij niet, in 1927 kon hij slechts onder politiebegeleiding postende arbeiders ontwijken en zijn huis bereiken.

Twee opmerkelijke mannen, een verlichte en bibberende havenbaron en een moraalridder die van arbeiders met een losse levensstijl flinke kerels wilde maken. Als zij zich door een emancipatiestreven lieten inspireren, maakten zij duidelijk dat ze zwaar gehinderd werden door hun maatschappelijke positie.

Havenwerksters

De vrouwencomités bij havenstakingen zijn bekend, zijn er ook havenwerksters?

Al in 1869, maar vast ook eerder, waren vrouwen actief betrokken bij de scheepstimmerliedenstaking in Amsterdam en in 1900 bij een staking van ertswerkers in Rotterdam. In het laatste geval gingen ze de ruimen in en trokken bij de weifelende ertswerkers de schop en piekhaak uit de handen. Ze beperkten zich niet tot steun, maar waren, naast hun vaak eigen werk, actief betrokken. Dat gold ook voor de recente jaren van juridische acties, goed voorbereid en geïnformeerd, doorgaan en niet opgeven en steeds bezig met de volgende stap. Zoals ze ook bij de acties in de jaren negentig zeiden: we staan niet achter of naast, maar voor de mannen. Dat is prachtig te zien op een foto die ik heb opgenomen. Als in een speedmars komen vrouwen over de volle breedte van de weg aan de kop van een demonstratie uit de Maastunnel lopen tijdens de staking in 1979.

Over naar de havenwerksters. Direct na enkele wijzigingen in 1991 van de arbeidswetgeving nam de ondernemingsraad van de SHB het initiatief vrouwen aan te trekken voor deelname aan de Havenvakschool. Eind 1992 gingen zij bij de SHB gediplomeerd als stuwer aan de slag. Dat werk was niet eerder in de Nederlandse havens door vrouwen verricht. Ook in andere landen was het niet gebruikelijk, hoewel havens in de Baltische staten, Finland en Zweden een traditie van vrouwenarbeid kennen. De klassiek stoere, mannelijke werksfeer maakte het de vrouwen niet gemakkelijk. Klachten over seksuele intimidatie en als treiterei vrouwen extra ‘in de balen’ laten werken, kregen bij de directie weinig gehoor. Dat veranderde na de bemoeienis van de ondernemingsraad die gesprekken organiseerde met de mannelijke collega’s en toezicht hield op de verdere ontwikkeling. In 2010 werkte nog één van de vrouwen in de Amsterdamse haven. Die ondernemingsraad was overigens meer een actiegroep dan een bij wet geregeld orgaan voor de medezeggenschap en maakte ook de komst van ‘allochtone’ arbeiders mogelijk. Bovendien werd het gebruik van gezondheidsschadelijke ontsmettingsmiddelen bij het vervoer van cacaobonen aan de kaak gesteld.

Ongeschreven geschiedenis

Tot slot bijna een gewetensvraag. Hoe gaat je werk belanden bij de mensen waarover je schrijft?

Eén van mijn drijfveren was de ongeschreven geschiedenis vastleggen. Wat mensen hebben meegemaakt, is een enerverende herinnering waarvan ze me zeiden ‘veel meer dan wat krantenknipsels heb ik niet’, ik wil om het anderen te kunnen vertellen iets vast kunnen houden. Ik hoop dat het gelukt is, voorzien van een nauwelijks bekende voorgeschiedenis en achtergrondinformatie.

Met de mensen in de haven, waarmee ik samenwerkte, heb ik contact onderhouden. Ze verschaften me informatie, waren altijd weer bereid mijn kennis uit te breiden en teksten te lezen. Maar ja, ik heb er meer dan tien jaar met een paar grote onderbrekingen aan gewerkt, dus er hebben al diverse wisselingen van de wacht plaatsgevonden. Zo bestaat de SHB al niet meer sinds 1995. Graag zou ik met hen aan de hand van de resultaten in discussie willen gaan. Ook met anderen uiteraard, binnen en buiten de bond. Daaruit kunnen nieuwe conclusies komen die we kunnen verspreiden.

De afgelopen tijd heb ik ook in tijdschriften mijn bevindingen over deelonderwerpen beschreven. Bijvoorbeeld over de internationale zeelieden- en havenstaking van 1911 en over de strijdbare ondernemingsraad bij de SHB. Bovendien hoop ik dat dit interview mensen aanspreekt, op 16 november zijn ze van harte welkom en graag ga ik op eventuele uitnodigingen in.

(Uitpers nr. 137, 13de jg., december 2011)

 

* Toelichting

NAS – Nationaal Arbeids-Secretariaat, 1893-1940. Een federatieve overkoepeling van vakverenigingen. Aangeduid als onafhankelijk of syndicalistisch en/of revolutionair.

NVV – Nederlands Verbond van Vakverenigingen, 1906-1976. Aangeduid als modern of sociaal-democratisch.

FNV – Federatie Nederlandse Vakbeweging, 1976-. Na fusie met Nederlands Katholiek Vakverbond gezien als de opvolger van het NVV.

EVC – Eenheidsvakcentrale, 1944-1964. Een sterk aan de Communistische Partij van Nederland verbonden landelijke vakcentrale.

OVB – Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties, 1948-. Landelijke koepel van vakbonden, met oorspronkelijk een revolutionair syndicalistische oriëntatie.

CTA – Container Terminal Amsterdam, later Ceres en weer later Amsterdam Container Terminals.

Stukgoed – vracht per stuk, in baal, container, kist, krat of vat.

Bulkgoed – ook wel massagoed; vracht los gestort in scheepsruim, vrachtwagen of treinwagon.

ZZP’er – Zelfstandige zonder personeel.

Noot:

(1) Het proefschrift is 16 november 2011 met succes verdedigd. De handelseditie telt 558 pagina’s, geschreven zonder wetenschappelijk of ander jargon. Uitgegeven door Solidariteit. Door subsidies kon de prijs laag gehouden worden: 20 euro, exclusief verzendkosten. Bestellen: redactie@solidariteit.nl

(Visited 8 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 79 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook