Oproep tot een radicaal antiracistische, multiculturele politiek in Vlaanderen!

· 1 juni 2006 Like

Omdat de laatste twintig jaar het extreemrechtse gedachtegoed niet alleen toegenomen is maar ook van gedaante is gewisseld, omdat het maatschappelijk klimaat rond het thema “migratie” steeds scherper en grimmiger is geworden, omdat het Vlaams Blok het ene electoraal succes na het andere boekt, en slechts weinige partijen een alternatief (kunnen of willen) bieden, willen wij met dit manifest een aantal krijtlijnen uittekenen die volgens ons cruciaal zijn voor een effectief antiracistische en radicaal pluralistische politiek.

Niet (enkel) het Vlaams Blok vormt het probleem, wel de toenemende algehele verrechtsing die zich hoe langer hoe duidelijker aftekent. Om de juiste oplossingen te zoeken is het belangrijk om te begrijpen waarom het Vlaams Blok zo’n brede voedingsbodem vindt, over alle klassen heen, en over alle confessionele en politieke oriëntaties heen (links/rechts). De electorale successen van het Vlaams Blok zijn immers niet de oorzaak van de toenemende verrechtsing in Vlaanderen, maar wel het symptoom van een algemenere overtuiging waarop de Vlaamse identiteit berust en die alle partijlijnen doorkruist: de algemeen gedeelde mythe van een cultureel specifiek, homogeen en superieur Vlaanderen.

Vlaams-nationalisme, islamofobie en racisme

De Vlaamse Beweging heeft het onderscheid tussen Vlamingen en Franstaligen altijd een eerder culturele dan raciale invulling gegeven: Franstaligen werd het recht toegezegd om in Vlaanderen te wonen, op voorwaarde dat ze zich het Nederlands eigen maakten. Sinds het begin van de jaren ’80 zien we een internationale tendens dat racisme hoe langer hoe meer op noties van cultuur en religie steunt, dan op noties van “ras”. Ook het Vlaams Blok benadrukt nu dat het minder begaan is met “raciale” dan wel met culturele verschillen. Dit nieuw racisme vertaalt zich op drie manieren: het idee van absolute onverenigbaarheid van culturele verschillen, de culturele superioriteit van de Vlaamse cultuur en ten slotte de ontkenning van de eigen (institutionele en ideologische) diversiteit.

  1. Het vertoog van culturele onverenigbaarheid is zo algemeen verspreid en niet langer exclusief beperkt tot exegeten van Nieuw Rechts, waaruit ook het Vlaams Blok de mosterd haalt. Dat vertoog benadrukt nu vooral de onverenigbaarheid tussen een Joods-Christelijke (Europese) en Islamitische traditie die niet Europees zou zijn, tegen de eeuwenlange aanwezigheid van Moslims in Europa (in de Balkan, de Russische Federatie…) in en ondanks het feit dat een groot deel van het zogenaamde Klassieke Europese gedachtegoed via de Islam geïntroduceerd werd tot de Europese intellectuele traditie.Om nog maar te zwijgen over de intellectuele kennis die rechtstreeks schatplichtig is aan Moslimtradities. In Vlaanderen wordt het idee van culturele onverenigbaarheid bovendien versterkt door de erfenis van communautaire twisten. Zo loopt er een rechte lijn van “Franse ratten rol uw matten” naar “aanpassen of opkrassen”. De idee dat in Vlaanderen alleen Vlamingen thuis zijn en dat “vreemdelingen” die zich er komen vestigen zich volledig moeten assimileren of verhuizen wordt nu uitgedragen door mensen ter rechter- én ter linkerzijde.
  2. Dit ideaal van een cultureel homogeen Vlaanderen wordt bovendien hoe langer hoe meer verdedigd op grond van de zogenaamde superioriteit van de Vlaamse cultuur. De erfenis van het Verlichtingsdenken en haar universele aanspraken speelt Vlaanderen parten. Maar de apologeten van dat zogenaamd superieur Verlichtingsdenken vergeten gemakshalve dat Verlichtingsfilosofen de macht van mannen over vrouwen eerder wilden versterken dan ontkrachten en dat ze geen graten zagen in de slavenhandel van Afrikanen. Ze negeren ook het argument dat de Holocaust geen aberratie is van het Verlichtingsdenken maar een doordenken van een aantal van zijn argumenten tot de uiterste conclusies. Het Verlichtingsdenken was al even cultureel specifiek als andere intellectuele tradities in Europa en elders dat zijn en moet in eerste instantie beschouwd worden als het product van een specifieke historische periode.
    Op onterechte wijze wordt bovendien een tegenstelling ingebouwd tussen het universalistisch (superieur) gedachtegoed en een cultuurrelativistische benadering. Wie kanttekeningen bij dit superioriteitsdiscours durft te plaatsen wordt in het verdomhoekje van de ‘cultuurrelativisten’ geplaatst. Pluralisme is echter iets anders dan cultuurrelativisme. Terwijl cultuurrelativisme de nadruk legt op de primordialiteit en onveranderlijkheid van cultuur, zweert universalisme bij de onaantastbaarheid van het individu. Maar beiden gaan voorbij aan het feit dat het individu zowel cultuur maakt als erdoor gemaakt wordt – een inzicht dat centraal staat in het pluralistisch gedachtegoed.
    De invloed van dit superieur universalistisch gedachtegoed wordt zeer duidelijk als het over de emancipatie van de vrouw gaat. Her en der wordt er plots gehamerd op het belang van vrouwenemancipatie, bij voorkeur door zij die verder geen greintje betrokkenheid bij de concrete strijd voor vrouwenrechten en tegen seksisme ten toon spreiden. Een dergelijke instrumentalistering van vrouwenemancipatie is allesbehalve nieuw: vrouwenemancipatie werd maar al te graag ingezet voor de “beschavingsmissies” van de West-Europese koloniale politiek. Vrouwenemancipatie wordt bovendien binnen het nieuwe racisme als een grond voor het onderscheid tussen “allochtoon” en “autochtoon” gebruikt. “Allochtone” vrouwen worden afgeschilderd als “slachtoffers” van hun cultuur en religie (tais-toi et sois soumise) – een slachtofferstatus die een racistische assimilatiepolitiek zou moeten legitimeren. “Autochtone” vrouwen worden afgeschilderd als het toonbeeld van (voltooide) emancipatie (tais-toi et sois emancipée) – ze worden verwacht de dienstmeid te spelen van de vermeende superioriteit van de westerse beschaving. En door dit onderscheid niet in vraag te stellen, speelt een deel van de witte vrouwenbeweging effectief het ‘botsing der beschavingen’ spel mee.
  3. Het in standhouden van de mythe van het cultureel homogene Vlaanderen van weleer, waar alleen Vlamingen (lees: Nederlandstaligen) woonden, veronderstelt ten slotte een complete ontkenning van de institutionele en ideologische diversiteit van Vlaanderen die zich vertaald heeft in de verzuiling. Op nationaal vlak bakende de taalgrens twee taalgemeenschappen af; op regionaal vlak bestonden er gelijkaardige grenzen die mensen groepeerden rond religieuze en ideologische zuilen. Deze ideologische diversiteit wordt vandaag niet alleen verhuld om de mythe van een homogeen Vlaanderen te voeden en het “integratievertoog” te spijzen, men grijpt zelfs terug naar een Frans laïciteit waarin religie uit de openbare sfeer geweerd wordt. Dat beginsel staat echter haaks op het Belgische neutraliteitsbeginsel, waarin godsdienstvrijheid en een pluralistische organisatie van religieuze en confessionele verschillen centraal staat. Veel van de huidige verwijzingen naar een Frans model van laicité laten zich dan ook al te gemakkelijk als anti-islam uitspraken ontmaskeren. Alsof het historische confessionele en religieuze pluralisme van weleer “bevroren” moet worden, en er geen “andere” religieuze traditie meer bij zou kunnen. Een dergelijk uitgangspunt gaat uiteraard voorbij aan het sociologische feit dat de Islam ondertussen eveneens onlosmakelijk deel geworden is van onze samenleving en cultureel erfgoed. Anders gezegd, er is de afgelopen decennia genoeg “geïntegreerd”, en het is dringend tijd om de achterstand van de “autochtone” bevolking en de dominante cultuur om het beeld aan te passen aan de nieuwe pluralistische realiteit van de Belgische samenleving.

Een effectief anti-racisme offensief staat of valt met het serieus aanpakken en ontmaskeren van deze illusoire mythes waarop de Vlaamse identiteit gebaseerd is.

De achilleshiel(en) van het progressief front

Wij menen dat het tij gekeerd kan worden. Maar dit betekent dat progressief Vlaanderen zich dringend dient te bezinnen over een aantal van haar kaders en strategieën die niet effectief of zelfs contraproductief werken.

  1. Niet (enkel) het Vlaams Blok is het probleem, maar de algehele verrechtsing. Het Vlaams Blok is een symptoom, en niet de oorzaak, van de toenemende verrechtsing. Het zich blindstaren op het Vlaams Blok als enig probleem is niet alleen inefficiënt, het werkt de toenemende verrechtsing verder in de hand doordat de illusie wordt gehandhaafd dat alle andere partijen hiervan vrijgesteld zouden zijn. Progressief Vlaanderen heeft zich nu te lang achter een focus op het Vlaams Blok kunnen verschuilen om racisme op de arbeidsmarkt, in de huisvesting en het onderwijs niet serieus te nemen, en vooral ook om het (alledaags) racisme in eigen rangen onbesproken te laten.
  2. Zonder de noodzaak te ontkennen van een radicale herverdeling van economische middelen en de strijd tegen het kapitalisme, stellen we vast dat binnen links de focus op klasse al te vaak aangewend wordt om kwesties van cultuur en identiteit op een stiefmoederlijke wijze te behandelen. Al te vaak worden cultuur en identiteit als “afgeleide” kwesties gezien binnen een kader waar klasse op een deterministische wijze centraal staat. Analysekaders die zweren bij het wegnemen van “de voedingsbodem” voor het racisme door economische herverdeling als dé magische formule te beschouwen, gaan voorbij aan de relatieve autonomie en het belang van cultuur en religie, en zijn bijgevolg ontoereikend.
  3. Tegelijkertijd, en paradoxaal genoeg, grijpt links geregeld terug op “cultuur” in de diagnose van de “grootstedenproblematiek”. Waar links zich blindstaart op concepten zoals ‘klassen’ en economische herverdeling om oplossingen aan te bieden, durft ze zich wel bezondigen aan een culturalistisch discours om de grootstedenproblematiek te analyseren (cf. probleem met de islam, niet probleem van/met jongeren uit laaggeschoolde/arme omgeving die in een zwak gestructureerde systemen worden gesocialiseerd). Ineens moet cultuur dienen als een ‘deus ex machina’ in een verklaringsschema, als een paraplu-term voor wat misschien niet te verklaren is, maar wel op te lossen, met de oude vertrouwde economisch deterministische schema’s. Maar een dergelijk begrip stelt cultuur en religie als statisch, essentialistisch en a-historisch voor. Bovendien, ironisch genoeg, zijn dergelijke linkse vertogen over cultuur en religie vaak nauwelijks te onderscheiden van de rechtse en extreem-rechtse cultuurnoties. Een radicaal anti-racistische visie daarentegen vertrekt van dynamische opvattingen van cultuur en religie, waarbij deze voortdurend geherdefinieerd worden in de context van veranderende omstandigheden, en bijgevolg ook als inzet of basis van politieke strijd aangewend worden.
  4. Hierbij willen we ook het krampachtige verzet binnen verschillende hoeken van links tegen religieus geïnspireerde mobilisaties problematiseren. De politieke strijd die bijvoorbeeld naar de islam refereert wordt doorgaans geduid in termen van een “terugplooiing”, een “conservatieve reactie” of een “teruggreep naar de traditie”. Daarmee samenhangend is het idee dat religie, in contrast tot andere ideologieën, “in wezen” onderdrukkend zou zijn. Die houding, die vooral een erfenis is van de antiklerikale strijd, is zo sterk aanwezig binnen het linkse front, dat weinigen zich kunnen voorstellen dat religie voor sommige bevolkingsgroepen emanciperend kan werken. Hiermee wordt dus bij voorbaat de mogelijkheid uitgesloten dat een politieke strijd voor burgerschap zich op een andere manier ontwikkeld dan de reeds beproefde methodes. Meer nog, hiermee wordt “vergeten” dat een deel van de sociale strijd in Vlaanderen, zowel in een historisch perspectief als ook de dag van vandaag, religieus geïnspireerd is.
  5. We observeren dat progressief Vlaanderen evenzeer meedoet aan de instrumentalisering van vrouwenemancipatie in het kader van debatten over ‘integratie’ of ‘de multiculturele samenleving’, om vervolgens snel de kwesties van seksisme en vrouwenrechten in de schuif te steken als het over de eigen organisaties, bewegingen of groepen gaat. We observeren eveneens dat de gekozen onwetendheid over en solidariteit met de vrouwenbeweging vaak tot een ironische herhaling van de geschiedenis leidt. Laten we bijvoorbeeld niet vergeten dat het meest systematische verzet tegen het vrouwenstemrecht uit linkse en “progressieve” hoek kwam, en wel in naam van “het religieuze gevaar” dat deze democratische uitbreiding van burgerrechten zou meebrengen.

Eerste prioriteit: een globale en coherente visie uitwerken over de multiculturele samenleving!

Een amalgaam van noties van tolerantie en verdraagzaamheid, een notie van cultuur als een “afgeleide” zaak van economische kwesties, een essentialistische notie van cultuur die de gaten in het analysekader kan opvangen en een rabiaat anti-religieuze of antiklerikale houding, kan nauwelijks doorgaan als een daadwerkelijke “visie” op een multiculturele samenleving.

We menen dat dit een cruciaal element is in links’ onvermogen om de strijd aan te binden tegen het racisme: het ontbreken van een degelijke politieke en theoretisch onderbouwde visie op de multiculturele samenleving. We roepen dan ook het progressief front in Vlaanderen hoogdringend werk te maken van een grondige, verregaande, radicale reflectie van de zogenoemde punten en een coherente, samenhangende en globale visie en strategie uit te werken om effectief werk te maken van een anti-racistische en multiculturele samenleving.

Sarah Bracke, Bambi Ceuppens, Nadia Fadil, Meryem Kanmaz en Karel Arnaut

(Werkgroep Theologie en Maatschappij (WTM),Boomsesteenweg 269 2020 Antwerpen 03/216.92.83; gsm : 0476/755.851)

(Uitpers, nr. 76, 7de jg, juni 2006)

WTM informatie