Oorlog in Mogadishu: van lokaal conflict tot internationaal front

Lange tijd was de situatie in Somalië een non-item voor de internationale nieuwsagentschappen. Tot in maart van dit jaar de eerste berichten verschenen over het bestaan en de activiteiten van een zogenaamde “Coalitie voor de Vrede en de Bestrijding van het Terrorisme” (CVBT).

De CVBT heette een samenwerkingsverband te zijn van leiders van clanmilities – ook wel “krijgsheren” genoemd – die zich verzetten tegen de groeiende politieke en militaire invloed van de islamistische “Unie van Islamitische Rechtbanken” (UIR) in Mogadishu. De vorming van dit nieuwe front in de Somalische oorlog maakt duidelijk hoe de betrokkenheid van internationale spelers een steeds duidelijker weerslag krijgt op het verloop van het conflict én op de vooruitzichten om dat conflict binnen afzienbare tijd te kunnen oplossen. Op het conflict tussen Somalische politieke concurrenten die elkaar sinds 1991 de politieke, militaire en economische macht betwistten op basis van ‘clan’, hebben zich gaandeweg regionale conflicten en zelfs de verbeelde mondiaal-ideologische tegenstelling van de “botsende beschavingen” geënt. Naarmate deze Somalische oorlog verder internationaliseert, wordt de kans op vrede kleiner en de situatie voor de Somaliërs zelf met de dag onzekerder.

“Restore Hope”

Na de val van het militaire regime van Siyyad Barre in 1991 werd de Somalische hoofdstad Mogadishu en de rest van het land onder de voet gelopen door clanmilities van divers pluimage. De geïmplodeerde staat was in 1992 het toneel voor de eerste gewapende internationale ‘humanitaire interventie’ in de geschiedenis, operatie “Restore Hope”, waaraan ook Belgische militairen deelnamen. Vrij snel bleek dat “Restore Hope” – onder leiding van de Verenigde Staten met mandaat van de Verenigde Naties – de hooggespannen verwachtingen niet kon inlossen. Integendeel, de interventiemacht droop af en de weg lag weer open voor allerlei clanmilities en krijgsheren die elkaar de controle betwistten over havens, luchthavens, wegen en andere economisch lucratieve infrastructuur. Ook milities met een islamistische inslag namen deel aan de strijd. Hun militaire of politieke invloed was minder groot dan de clanmilities, omdat ze de ruggensteun nodig hadden van de politieke leiding van een lokale clan. Maar net zoals de ‘seculiere’ krijgsheren verdienden de islamistische milities ook aan hun eigen checkpoints waar voorbijgangers tol betaalden.

Speelbal

Nadat de Verenigde Naties zich grotendeels uit Somalië hadden teruggetrokken, probeerden een aantal landen uit de regio de rivaliteiten in Somalië voor hun eigen belangen in te zetten. Ethiopië zag voordelen in een zwak centraal gezag, dat zich niet zou mengen met de interne politiek van de etnische Somalische minderheid in de Ogaden-regio in het oosten van Ethiopië. Als dat gezag bovendien een anti-islamistisch profiel zou hebben, zou het een partner kunnen zijn in de gezamenlijke strijd tegen islamistische groeperingen in de beide landen. Egypte en Soedan waren dan weer voorstander van een sterk, centraal bestuurd Somalië, een Arabisch broederland dat een tegengewicht zou vormen tegen Ethiopië als regionale macht. Op die manier hoefde Soedan niet te vrezen voor Ethiopische inmenging in haar intern conflict tussen het Islamitische Noorden en het Christelijke Zuiden. Egypte zou sterker staan wat betreft haar aanspraken op (en controle over) het water van de Nijl.

De verschillende vredesconferenties over Somalië die sinds 1996 werden georganiseerd met het oog op de vorming van een nationale Somalische regering, waren een speelbal in deze regionale rivaliteit. Steeds werd dezelfde cyclus herhaald: één van regionale betrokkenen organiseerde een vredesconferentie met een aantal krijgsheren waar een Somalisch overgangsbestuur uit voortkwam. In dat overgangsbestuur lag het zwaartepunt steevast bij een beperkt aantal krijgsheren en politici die trouwe bondgenoten waren van de externe patroon. De externe patroon voorzag ‘zijn’ krijgsheren van financiële middelen en militaire hulp. Als reactie vormden de krijgsheren die niet mochten meedoen een pragmatische oppositiecoalitie, militair en politiek gesteund door de concurrerende externe patroon. Het resultaat was telkens dat het overgangsbestuur er niet in slaagde een betekenisvolle controle te krijgen over het grondgebied en de voorgestelde vrede dus dode letter bleef. De laatste regering onder Arabische patronage, de ‘Transitional National Government’ (TNG), werd gevormd in 2000 in Djibouti. Tegen deze regering verzamelde zich een coalitie van krijgsheren gesteund door Ethiopië, wat in 2004 leidde tot de vorming van een nieuwe regering die zich de ‘Transitional Federal Government’ (TFG) noemt. Eén van de redenen waarom Ethiopië de TFG factie steunde was hun nadrukkelijk geafficheerd anti-islamisme.

Vrome zakenmannen

De Somalische islamisten waren een bijzonder diverse populatie. Sinds hun ontstaan in de jaren 1970 bestonden er islamistische bewegingen in verschillende vormen en kleuren. Veel verder dan een principiële eensgezindheid over de invoering van de shari’a kwamen ze niet, wegens grote onderlinge onenigheid over een concreet politiek programma en de manier waarop dat programma kon worden uitgevoerd. Gewapende, militair actieve groeperingen waren een kleine minderheid. De meerderheid van de islamisten was actief in de liefdadigheidssector, het onderwijs of deed in zaken. Deze nieuwe generatie ‘vrome’ zakenmannen lag in midden de jaren 1990 aan de basis van het oprichten van zogenaamde ‘islamitische rechtbanken’ in het chaotische en rechteloze Mogadishu. De bedoeling van deze rechtbanken was om de kleine criminaliteit te beteugelen en om een veilige omgeving te scheppen voor winkeltjes en kleine ondernemingen. Om de vonnissen af te dwingen hielden deze rechtbanken er een eigen gewapende militie op na.

De reikwijdte van deze initiatieven was heel lokaal: deze rechtbanken bestonden slechts in een paar wijken van de stad. De jurisdictie van de islamitische rechtbanken beperkte zich tot het gebied van telkens één welbepaalde subclan van de Hawiye, de clan-familie die Mogadishu en omgeving controleert. Ze konden ook niet bestaan zonder het akkoord van de lokale politieke leiders van deze subclans. Gaandeweg begonnen rechtbanken die verspreid lagen in de verschillende stadsdelen wel samen te werken en ontstond er een overkoepelende organisatie. De islamistische zakenlui die oorspronkelijk aan de basis lagen van de rechtbanken verwierven zo ook politiek gewicht. Ze speelden onder meer een belangrijke rol bij de totstandkoming van de TNG in Djibouti in 2000. Deze zakenlui profiteerden ook de steun voor de TNG uit Arabische landen: op die manier ontstond er een amalgaam van verstrengelde belangen waarbij zowel clan, islamisme als businessnetwerken relevant waren.

Radicalisering

Ondertussen was de TNG langzaam van het politieke toneel verdwenen en uiteindelijk vervangen door de TFG, gesteund door Ethiopië. De TFG zelf bestond eens te meer uit een plethora van Somalische politici en krijgsheren. President Yusuf van de TFG was een notoir anti-islamist die kon bogen op een aantal succesvolle militaire acties (met steun van Ethiopië) tegen islamistische milities in zijn eigen clangebied in Noord-Oost Somalië aan het begin van de jaren 1990. In zijn regering hadden ook een aantal krijgsheren uit Mogadishu een plaatsje gekregen. Toch kon ook deze regering de hoofdstad politiek noch militair onder controle krijgen. Yusuf pleitte daarom voor een interventie van de Afrikaanse Unie om Mogadishu te pacificeren. De krijgsheren in Mogadishu waren daar absoluut niet voor te vinden en zagen de inmenging van de TFG niet zitten. Deze krijgsheren kregen vanaf het wegvallen van de door de islamisten gesteunde TNG bovendien af te rekenen met nog een nieuwe speler op het politieke veld.

Een aantal islamitische rechtbanken radicaliseerde en wilde naast hun taak van law and order ook een ruimer politiek programma nastreven voor de Somalische staat. Om deze concurrent te neutraliseren pasten de ‘seculiere’ krijgsheren in Mogadishu met een in Somalië beproefd concept toe: zij beschuldigden de overkoepelende organisatie van islamitische rechtbanken ervan onderdak en bescherming te bieden aan islamistische terroristen uit het buitenland. De strategie werkte: rond 2003-2004 richtte de regering Bush zijn oog op de rechtbanken en maakte de straten van Mogadishu tot een nieuw slagveld in haar wereldwijde “oorlog tegen terrorisme”. De Verenigde Staten gingen zonder meer over tot het betalen van de ‘seculiere’ krijgsheren om door de VS verdachte individuen op te sporen en uit te leveren aan de Amerikaanse geheime diensten.

De Bush-administratie bedacht de krijgsheren met een nieuwe eretitel – anti-terrorism warlords – en voorzag ze van geld en wapens. De anti-terrorism warlords verenigden zich in wat men zou kunnen beschouwen als een lucratieve samenwerkende vennootschap, de Coalitie voor de Vrede en de Bestrijding van het Terrorisme (CVBT). Door de militaire en financiële injecties voelde de CVBT zich zeker van zijn zaak en ging begin 2006 een gewapend conflict aan met de milities van de Unie van Islamitische Rechtbanken (UIR). Waren aanvankelijk lang niet alle islamitische rechtbanken politiek geradicaliseerd, het conflict met de CVBT droeg bij aan het groeiende overwicht van de hardliners binnen de organisatie. Die hardliners werden financieel gesteund door individuen van buitenaf, vermoedelijk uit de Golfstaten. De gevechten in Mogadishu tussen CVBT en UIR kostten in mei 2006 het leven aan honderden burgers en maakten voor nog veel meer van hen het leven nog moeilijker dan het al was.

Buitenlandse betrokkenheid

President Yusuf van de TFG, die zich in afwachting van zijn intocht in Mogadishu voorlopig in Baidoa had gevestigd, was natuurlijk niet tevreden met deze gang van zaken. Hij hekelde met klem de Amerikaanse interventie: volgens hem was zijn eigen regering de enige legitieme instantie om de islamisten aan te pakken. Niet de krijgsheren in Mogadishu moesten worden bewapend en gefinancierd, maar zijn TFG. Meteen lanceerde Yusuf opnieuw het voorstel om buitenlandse troepen in te zetten. Er werd zelfs geopperd op het wapenembargo tegen Somalië tijdelijk op te heffen om de ‘regeringstroepen’ van de TFG beter te kunnen bewapenen, een voorstel dat natuurlijk werd gesteund door Ethiopië; en klaarblijkelijk (volgens De Morgen dd. 16/06/06) ook door EU-commissaris Louis Michel.

Als Ethiopische troepen Somalië zouden binnenvallen– wat in het verleden nog is gebeurd – om de TFG te ondersteunen, zou dit vrijwel zeker leiden tot een gewapende confrontatie met de militie van de UIR. Het valt te vrezen dat radicale elementen binnen de UIR deze kans dan zullen grijpen om gematigde islamisten binnen hun rangen te marginaliseren en een “internationale jihad” uit te roepen tegen de “christelijke veroveraars”. Op die manier zou de oorlog uiteindelijk escaleren en gaat de self fulfilling prophecy van de botsende beschavingen weer in vervulling. De regio stort zich dan in een nog uitzichtlozere spiraal van geweld, vergelijkbaar met de situatie in Irak. Het is duidelijk dat dit ten allen prijze moet worden vermeden.

Conclusie

De situatie in Somalië is bijzonder explosief en er moet snel worden gehandeld. Wapens leveren aan één van de strijdende partijen is alvast niet de aangewezen weg. Beter lijkt het om de situatie te bevriezen en – hoe moeilijk het ook lijkt – de strijdende partijen weer (desnoods gedwongen) samen te brengen om te praten over machtsdeling. Lukt dit niet, dan hebben de Verenigde Staten (deels door hun eigen toedoen) er in ieder geval weer een onoverzichtelijk front bij. Maar veel erger nog, krijgt de noodlijdende bevolking er weer een schep ellende bovenop.

(Uitpers, nr. 77, 7de jg., juli-augustus 2006)

Dr. Marleen Renders is verbonden aan de vakgroep Publiek recht (niet-Westers recht) van de Universiteit Gent. In het kader van haar doctoraatsonderzoek over de Somalische kwestie verbleef zij gedurende langere tijd ter plaatse.

Dit artikel verschijnt eveneens in Vrede juli-augustus 2006 nr.380

Visited 11 Times, 2 Visits today

Tags :