Olie in de Golf

De crisis rond Irak draait natuurlijk rond veel meer dan massavernietigingswapens en de dictatuur van Saddam Hoessein. De inzet is veel groter en overstijgt de kwestie Irak: het gaat over de verdere uitbouw van de enige supermacht tot een machtig imperium dat zich het recht toemeet om terug te grijpen naar de aloude koloniale recepten van militaire en economische controle.

Tijdens de onderhandelingen over het klimaatverdrag in Rio (1992), liet Bush Senior duidelijk verstaan dat er niet onderhandeld kon worden over de ‘American way of life’. De VS verbruiken met amper 3 procent van de wereldbevolking zowat 1/3 van alle grondstoffen. Een dergelijke wanverhouding kan slechts gehandhaafd worden wanneer de periferie (de wereld) er voortdurend aan herinnerd wordt dat ze ten dienste moet staan van het centrum, de VS. De grondstoffen moeten naar dat centrum geïmporteerd worden en dat tegen redelijke prijzen. Indien nodig wordt militaire macht ingezet om de economische doelstellingen te bereiken.

Na de Irakese invasie in Koeweit zei vader Bush al dat “we ons moeten beschermen tegen de zware bedreigingen waaraan de olievelden van Saoedi-Arabië onderhevig zijn, en dus onze Amerikaanse manier van leven, de vrijheid van de Verenigde Staten en hun geallieerden.”(1)

Op 17 mei 2001 presenteerde vice-president Dick Cheney als voorzitter van de National Energy Policy Development Group een rapport. Opdracht van de deze commissie was een antwoord zoeken op het vraagstuk van de steeds hogere energienood van de VS in de komende 25 jaar. Daarbij werd zeer duidelijk geluisterd naar de aanbevelingen van de energielobby en de zeer invloedrijke conservatieve denktanks zoals The Heritage Foundation. Deze organisatie heeft een heuse energiecel en hield enkele jaren geleden een conferentie met de veelzeggende titel, ‘Energietekorten in het energierijke Amerika, Waarom?’. Er werd een blauwdruk voorgesteld die aan duidelijkheid niet te wensen overlaat: alle aandacht moet gaan naar het blijven bevoorraden van de Amerikaanse consument en de "energie-intensieve Amerikaanse economie". De hoge energieconsumptie wordt in conservatieve middens niet als een probleem ervaren, dus moet het gebeuren aan de aanbodzijde.

De Cheney-Commissie volgt volledig deze lijn. In haar scenario groeit de afhankelijkheid van buitenlandse olie van 52 naar 64 procent in 2020. Om daaraan tegemoet te komen wordt gekozen voor een dubbele strategie. Ten eerste het verhogen van de olie-uitvoer uit de Golfstaten. Het rapport vraagt extra diplomatieke inspanningen om bijvoorbeeld op vlak van verbetering van de infrastructuur een verhoogde output mogelijk te maken. Ten tweede is er nood aan een geografische verspreiding van de olie-import. Het rapport heeft het onder meer over de Kaspische regio, Kazakstan, de sub-Sahara (Nigeria en Angola) en Latijns-Amerika (Mexico, Colombia en Venezuela).

Het gaat bijna steeds om onstabiele regio’s. Om die bevoorrading veilig te stellen is het militaire apparaat nodig. Dat verklaart gedeeltelijk de enorme hausse van het Amerikaans defensiebudget, de stevige uitbouw van het militair apparaat en de nieuwe militaire doctrine van een ‘preventieve’ oorlog.

Irak

Irak is dus in de eerste plaats het slachtoffer van die olieprioriteit van het buitenlands Amerikaans beleid. Irak beschikt over de tweede grootste reserves na Saoedi-Arabië. Het gaat om ongeveer tien procent van de wereldreserves. Reserves die noodzakelijk zijn voor de Amerikaanse economie. Fadhil Chalabi, een voormalige olieminister van Irak en nu hoofd van het Centre for Global Energy Studies, een Londense denktank beweert bovendien dat de Irakese reserves zwaar onderschat zijn: "Uiteindelijk kunnen ze zelf die van Saoedi-Arabië overtreffen." Ongetwijfeld is elk land met een economie van betekenis sterk geïnteresseerd in die Irakese rijkdom. Rusland en Frankrijk doen nu al zaakjes met het regime en beschikken dan ook over een eigen agenda.

Voor alle duidelijkheid, het is niet alleen de olie van Irak, waarop geaasd wordt, maar ook die van de andere olielanden. Ariel Cohen, medewerker van The Heritage Foundation, is kind aan huis van de extreemrechtse vleugel van de regering Bush. Hij heeft het Washington-scenario voor post-oorlog-Irak opgesteld: privatiseren van de olie-industrie, opsplitsen in drie onderdelen (noord, midden en zuid), terugtrekken uit de OPEC en de markt overspoelen met olie. Gevolg de prijzen zakken en de capaciteit van de OPEC om de prijzen te bepalen wordt ondergraven. Larry Lindsey, de economische adviseur van president Bush, windt er geen doekjes om: "Wanneer er een verandering van regime is in Irak, dan kan je per dag 3 tot 5 miljoen barrels aan de wereldproductie toevoegen. Een succesvolle uitvoering van de oorlog zou goed zijn voor de economie."(2)

De zwaar door de VS gesteunde voorman van de oppositiegroepering INC (Iraaks Nationaal Congres), Ahmed Chalabi, is de man op wie gerekend wordt om dit scenario mee te helpen uitvoeren. Hij heeft daarvoor al in oktober van 2002, met de steun van de Bush-administratie, gesprekken gevoerd met de grote oliemultinationals, wat landen als Frankrijk, Rusland behoorlijk nerveus heeft gemaakt, zeker na Chalabi’s uitspraak in de Washington Post dat de "Amerikaanse bedrijven een ‘big shot’ zullen krijgen in Iraks olie".

Afghanistan

Enkele maanden na de presentatie van de aanbevelingen van de Groep Cheney werd de oliezorg reeds in een oorlog vertaald, onder het mom van de ‘strijd tegen het terrorisme’. Tot 29 juli 2001 was ex-CIAster (van 1982 tot 1987 actief in de regio) en ondersecretaris voor Zuid-Azië, Christina Rocca, nog namens de VS aan het onderhandelen met de Taliban om tot een overeenkomst te komen tussen de Noordelijke Alliantie en het Taliban-regime. De VS wilde vooral een gunstig politiek klimaat zodat de pijpleiding voor de distributie van de olie uit Centraal-Azië kon worden aangelegd.

De Amerikaanse oliemaatschappij Unocal en het daarmee geassocieerde Saoedische oliebedrijf Delta waren in de Amerikaanse delegaties goed vertegenwoordigd in o.m. de persoon van Robert Oackley (ex-VS-ambassadeur en lobbyist voor Unocal). De vice-voorzitter van Unocal, Chris Taggart, had in 1996 nog laten verstaan dat zijn bedrijf de machtsovername door de Taliban als “zeer positief" ervoer. Een ander hooggeplaatste collega van Taggart, John J. Maresca, verklaarde op 12 februari 1998 voor een Commissie van het Amerikaanse Parlement dat een pijpleiding via Afghanistan “de enige mogelijke” was.

Unocal had inmiddels al, na intense bemiddeling door de Amerikaanse regering, een akkoord gesloten met de Turkmeense president Niazov voor de aanleg van de Afghaanse pijpleiding. Maar met de Taliban was het moeilijk zaken doen. 11 september kwam dan als een ‘geluk bij een ongeluk’. Het regime werd met een bommenregen van de macht verdreven. De bezetting door westerse troepen, maakt het nu mogelijk om het project voor de pijpleiding concreet te maken. Het ziet er naar uit dat de VS ook voor andere onwillige of vijandige naties een militaire aanpak in petto hebben.

Van de oorlog in Afghanistan maakten de VS tegelijk gebruik om de militaire aanwezigheid in de regio sterk op te voeren. Met Kirgizië en Oezbekistan zijn akkoorden getekend voor de creatie van militaire VS-bases en met Turkmenistan en Khazakstan zijn onderhandelingen bezig.(3) Die zijn nodig om de Kaspische olie via Afghanistan te transporteren naar de Pakistaanse haven Karachi.

OPEC

Irak is dus niet meer dan een schakel in het olieverhaal dat ongetwijfeld een volgende verlengstuk krijgt naar Iran, dat eveneens in Bush’ speech bij de ‘as van het kwaad’ is ingedeeld. In conservatieve middens wordt nu het veld al klaargemaakt voor een nieuwe campagne. Ariel Cohen van The Heritage Foundation bijvoorbeeld titelt een van zijn artikels ‘the axis of oil’. Het gaat om een aanval tegen de OPEC en islam die hij zonder meer linkt aan terrorisme. "Noord-Korea. Irak. Al Qaeda. Alsof deze kopzorgen nog niet groot genoeg zijn, moeten de Amerikanen nu tegen olieprijzen aankijken die 50 procent hoger zijn dan een jaar geleden. (…) De OPEC trekt het zich helemaal niet aan dat de VS-economie stagneert of zelfs in een recessie verzinkt. En op politiek vlak, groeit het anti-Amerikanisme bij de belangrijkste olieproducenten." Vervolgens heeft Cohen het over het doorsluizen van ‘petro-dollars’ naar programma’s voor massavernietigingswapens en nucleaire programma’s – waarbij hij overigens zedig zwijgt over het Israëlische arsenaal, het grootste in het Midden-Oosten – en naar fundamentalistische groepen, zoals de Libanese Hizbollah.(4) Ook het linkse regime in Venezuela, een belangrijke olieproducent wordt niet gespaard en zelfs Saoedi-Arabië krijgt er sinds 11 september duchtig van langs, omdat het een broeinest van ‘islamitische terroristen’ herbergt en na 11 september de olieproductie zou hebben afgeremd en zo de olieprijzen laten stijgen, waardoor de economische groei nog meer vertraagde.

Geen wonder dus dat de regering Bush het militaire budget drastisch de hoogte blijft injagen en allerlei nieuwe strategische concepten en doctrines laat uittekenen. Conservatieve middens halen zelfs een rechtstreeks veiligheidsbelang aan om te argumenteren dat alle inspanningen naar de energiebevoorrading moeten gaan. In de jaaruitgave van The Heritage Foundation heet het: "De groeiende militaire verplichtingen van onze natie vereisen betaalbare en betrouwbare energiebronnen". Het defensieapparaat is immers goed voor 80 procent van de federale energieconsumptie, zo wordt gesteld. "De noodzaak voor een globale oorlog tegen het terrorisme zou deze behoefte betekenisvol kunnen doen stijgen".

(Uitpers, nr. 39, 4de jg., maart 2003)

Noten:

(1) Katia Salamé-Hardy. Les Scénarios Pétroliers du président Bush. In: Arabies, maart 2001

(2) Peter Beaumont & Faisal Islam. US plans to destroy Opec Cartel: Post-Saddam blueprint. In: Dawn, 4 november 2002

(3) Paul-Marie de La Gorce. Le Sud-Ouest asiatique, nouvel axe du monde. In: Manière de voir 67, januari-februari 2003

(4) Ariel Cohen. The axis of Oil. In National Review Online, 11 januari 2003 (www.nationalreview.com)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 32 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook