Nota over de ontwikkelingen van een nieuwe Europese Strategie

Deze reactienota van 29 april 2010 is gebaseerd op: a. Mededeling van de Europese Commissie. Europa 2020. Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. 3.3.2010. Brussel. COM(2010) 2020 definitief. b. Conclusies van de Europese Raad van 25/26 maart 2010. 26.3.2010. Brussel. CO EUR 4. c. Council Recommendation on broad integrated guidelines for the economic policies of the Member States and of the Union. Part 1 of the Europe 2020 Integrated Guidelines. Brussels. COM(2010) 193.

Inleiding

Het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding (BAPN) heeft kennisgenomen van de laatste ontwikkelingen omtrent de strategie 2020 (docs. zie boven). Dat armoedebestrijding wordt opgenomen als één van de vijf headline targets (1) en vervolgens als één van de geïntegreerde richtsnoeren, is een positieve evolutie. De Europese Raad van 25 en 26 maart 2010 heeft echter aangetoond hoe moeilijk het is om voor deze doelstelling een concrete indicator of streefcijfer voorop te stellen. Nochtans is een concretisering van deze doelstelling cruciaal wil men resultaat afleveren in de strijd tegen armoede.

In het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, verwacht BAPN een serieus engagement door het voorop stellen van een ambitieus percentage om de armoede tegen 2020 terug te dringen, een reductie van 25% tegen 2020 is onvoldoende. Daarbovenop wordt in de Aanbeveling van de Raad armoedebestrijding in de richtsnoeren ondergeschikt aan het werkgelegenheidsbeleid, maar armoedebestrijding moet nu net als volwaardige doelstelling op zich worden erkend.

BAPN betreurt dat de EU-lidstaten er niet in geslaagd zijn een concreet streefcijfer voorop te stellen en dat de verwoording van deze vijfde headline target in de conclusies van de Europese Raad is afgezwakt.

1. In Europa 2020 wordt de financiële en economische crisis als ultieme reden aangehaald om over te gaan tot een andere aanpak; ‘no more business as usual’. De economische crisis wordt zo als dekmantel gebruikt voor het niet-slagen van de Lissabonstrategie.

In deze stelling gaat men voorbij aan volgende vaststellingen:

  • Dat ook vóór die economische crisis (2007), zelfs in periodes van economische hoogconjuctuur, de sociale situatie reeds ontoelaatbaar was, met een armoedecijfer van 1 op 6 van Europeanen met een verhoogd armoederisico (2008) en 8% werkende armen in de EU;
  • Dat ook vóór die economische crisis verschillende van de Lissabondoelstellingen, waaronder werkzaamheidsgraad van 70%, niet werd gehaald.

2. De zogenaamde ‘andere aanpak’, stoelt op principes die we ook reeds in de Lissabonstrategie terugvinden. De driehoeksredenering groei-job-welvaart (aanmoedigen van een gunstig klimaat voor economische groei, om zo meer jobs te creëren en algemene welvaart te verwezenlijken) wordt opnieuw verankerd in de strategie. De realiteit heeft ons echter geleerd dat groei niet automatisch leidt tot jobcreatie, welvaart en sociale cohesie, hoge welvaart kan gepaard gaan met een hoog armoedepercentage. Dit wijst op de ongelijke verdeling van die welvaart onder de bevolking en dus op de nood aan sterkere herverdelingsmechanismen.

3. In de Mededeling van de EC van 3.3.2010 ontbreekt de wil om te bouwen aan een RECHTVAARDIG Europa. De ambitie om vanuit Europa een sterk sociaal beleid te voeren, wordt afgezwakt, dit op een moment waarop de nood het hoogst is om een kwalitatieve sociale bescherming en toegang tot grondrechten (recht op een kwalitatieve en betaalbare woning, op degelijk onderwijs, kwalitatief en duurzaam werk,…) voor iedereen te verzekeren.

4. Er is nood aan de validering van instrumenten die het mogelijk maken om deze headline target van armoedebestrijding te meten en op te volgen. Deze instrumenten moeten de lidstaten aanzetten resultaten te leveren en vooruitgang te boeken. Een maat die op Europees niveau reeds bestaat is de definitie van armoede volgens de Europese Armoedegrens die gelijk is aan 60% van het nationaal mediaan inkomen. Mensen met inkomens onder deze 60% hebben een verhoogd armoederisico. Dit is een instrument dat is goedgekeurd op Europees niveau, door alle lidstaten, laten we dit instrument dan ook gebruiken om armoede uit te roeien.

Volgende instrumenten kunnen aanvullend gebruikt worden:

  • In een onderzoek van de KHKempen (2), stelt men een korf samen van wat mensen minimaal nodig hebben om een menswaardig leven te kunnen leiden (vb water, gas, huur, gezondheidszorg,…). Belangrijk is de invalshoek waarvan vertrokken wordt, zijnde de rechten van ieder mens. Aan deze korf koppelt men een bedrag, wat uiteindelijk hoger ligt dan de Europese Armoedegrens van €878 in België.
  • De gini-coëfficient, een getal dat de ongelijkheid en de kloof tussen inkomensuit een bepaalde regio weergeeft. BAPN maakt zich zorgen over de uiteindelijke implementatie van deze doelstelling in de verschillende lidstaten. Wij vragen dat lidstaten verplicht worden om ook voor deze vijfde headline target duidelijk aan te geven welke concrete (deel)doelstellingen zij voorop schuiven om het streefcijfer te bereiken; welke de geplande acties zijn en welk doel ze hebben; op welke manier zij relevante stakeholders hierin betrekken. Aan onvoldoende inspanningen, vragen wij sancties te koppelen. Zoniet, zal armoedebestrijding opnieuw in de marge terecht komen. De sociale Open Methode van Coördinatie (OMC) biedt ons hiertoe reeds een aantal handvatten, maar moet versterkt worden.

5. Armoedebestrijding vereist een integrale aanpak. Die ontbreekt nog teveel in de Mededeling van de EC van 3.3.2010.

BAPN dringt erop aan dat voor elke maatregel de impact hiervan wordt nagegaan op maatschappelijk kwetsbare groepen, dit kan bvb. door een armoedetoets. Op die manier gaan we preventief de armoede bestrijden. Voor nog teveel maatregelen is het Matteüseffect merkbaar. In de Mededeling van de EC van 3.3.2010 spreekt men bijvoorbeeld over het opstellen van een aantal principes rond ‘levenslang leren’. BAPN stelt voor dat één van deze principes inhoudt dat dit aanbod vooral en in de eerste plaats gericht moet zijn naar die mensen die geen opleiding hebben gehad, die de kans nog niet hebben gekregen. Vandaag is het discours over levenslang leren nog teveel gericht op diegene die reeds een opleiding hebben, dit laatste wordt ook in de Mededeling van de EC van 3.3.2010 erkend.

6. Het werkgelegenheidsbeleid van de EU maakt het voor mensen in armoede vaak onmogelijk om toegang te vinden tot een kwalitatief arbeidscircuit.

– De headline target 75% werkzaamheidgraad, duwt mensen richting laag kwalitatieve jobs door een eenzijdige fixatie op de kwantiteit of het aantal jobs. Het zijn nu net deze jobs die geen verandering in de armoedesituatie teweeg brengen. Wij vragen dat de nadruk niet zozeer ligt op het percentage van de actieve bevolking die een job hééft, wel het percentage van de bevolking dat in een duurzame en kwalitatieve job tewerkgesteld zijn. Zo is ook het huidige flexicuritydenken nefast voor mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt.

– De rechtlijnige redenering die we terugvinden in de Mededeling van de EC van 3.3.2010 en in de Aanbeveling van de Raad, dat werk automatisch mensen uit armoede haalt, gaat niet op. Werk is niet dé oplossing om armoede te bestrijden. Getuige daarvan de 8% werkende armen in de EU zoals we reeds vroeger aangaven.

– De aanbeveling die in oktober 2008 werd aangenomen door de Europese Commissie rond de actieve inclusie van personen uitgesloten van de arbeidsmarkt, wordt op geen enkele wijze geïntegreerd. Deze aanbeveling combineert drie elementen die noodzakelijk zijn wil werk een instrument zijn om uit armoede te geraken, zijnde een inclusieve arbeidsmarkt, een toereikend inkomen en toegang tot kwalitatieve diensten. (zo zal de toegang tot een kwalitatieve sociale woning de persoon enige stabiliteit geven waardoor de stap naar werk kleiner wordt) Deze aanbeveling zou niet alleen moeten worden opgenomen in het werkgelegenheidsbeleid van de EU, maar ook een richtlijn moeten worden.

7. De Europese Unie moet de lidstaten stimuleren om een meer herverdelend fiscaal systeem te ontwikkelen, dit kan via een richtsnoer. De huidige regelgeving houdt de kloof tussen arm en rijk in stand, en vergroot ze. Vb. mensen in armoede komen niet in aanmerking voor de installatie van zonnepanelen omdat ze a) in de meeste gevallen geen eigenaar zijn van eigen huis en b) als ze dit wel zouden zijn, het bedrag dat je eerst moet neerleggen, onhaalbaar is. Ook hier zien we het Matteüseffect vaak terugkomen.

8. Efficiënte armoedebestrijding is vertrekken vanuit de participatie van mensen in armoede. Zij kunnen het best de knelpunten en problemen aangeven en oplossingen aanreiken die voor hen een uitweg uit armoede mogelijk maken.

BAPN vraagt voor een investering in deze participatiestructuur, waarvoor sterke basisorganisaties die rechtstreeks werken met mensen in amoede, moeten kunnen worden gestimuleerd (door de toegang tot ESF-middelen ook en vooral aan hen te verzekeren). De Europese Unie moet een kader aanreiken dat lidstaten aanmoedigt om de participatie van mensen in armoede structureel in de beleidsvorming mee op te nemen.

(Uitpers nr. 121, 11de jg., juni 2010)

Belgisch Netwerk Armoedebestrijding (BAPN)

Vooruitgangstraat 333/6 1030 Brussel België

mail : info@bapn.be website : www.bapn.be

Noten:

(1) In de Engelstalige communicatie gebruikt men de term ‘headline target’, wat in het Nederlands officieel vertaald werd naar ‘centraal streefcijfer’. Dit is soms verwarrend net omdat vandaag blijkt dat er nog geen concreet cijfer aan armoedebestrijding wordt gehecht. In de rest van de tekst zal om die reden van headline target worden gesproken. 100303/Reactienota BAPN op doc EC 3 maart 2010/KS Pagina 1

(2) Storms, B. & Van den Bosch, K. (2009). Wat heeft een gezin minimaal nodig? Een budgetstandaard voor Vlaanderen. Leuven: Acco.

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 76 Times, 1 Visit today