Nobelprijs is niet meer van deze tijd

Net als menig Uitperslezer werd ik enkele weken terug verbaasd wakker toen ik de nieuwe laureaat voor de Nobelprijs voor de Vrede op de ochtendradio hoorde aankondigen. President Obama? Mijn allereerste reactie was er een van verontwaardiging. Maar is de Nobelprijs voor de Vrede al die heisa wel waard?

 

Op de beschamend leeghoofdige eulogie van media-icoon en blaaskaak Bono na waren de meeste perscommentaren eerder kritisch, zowel van conservatieve als van progressieve zijde. ‘Wat heeft de man tot nu al écht bewezen, buiten de vele mooie woorden en beloftes?’. Meestal ging dit soort commentaar uit van degenen die nog altijd in de mythe Obama geloven, maar vinden dat deze toekenning ‘te vroeg’ komt. Een aantal commentatoren formuleerden zelfs de hoop dat deze prijs president Obama zal aanzetten om met nog méér ijver zijn ‘pacifistisch’ programma te realiseren. De vijf Noorse parlementairen die samen het Comité vormen dat deze prijs toekent, behoren blijkbaar tot het kamp van de believers in de mythe.

Ik denk niet dat deze president ‘zijn beloftes nog moet waarmaken’, laat staan dat ik zo naïef ben te geloven dat deze prijs hem zal stimuleren om nog meer zijn best te doen. Daar is een heel eenvoudige reden voor: deze president heeft nooit dergelijke beloftes gemaakt (zie bijdragen in Uitpers in de maanden voor en na de verkiezing van Obama). Integendeel, wie door de idolate massadesinformatie over deze ‘nieuwe profeet’ heen kijkt en zélf zijn weg zoekt in het bombardement aan feitenmateriaal ziet een heel ander president te voorschijn komen. Met deze man wordt het immers ‘business as usual’ voor het Amerikaanse militair-economisch imperium. Iets minder antisociaal op binnenlands vlak dan de Republikeinen, iets zachtere retoriek dan voorganger Bush en voor het overige ‘more of the same’, zoals dat altijd gaat wanneer een Democraat een Republikein opvolgt. (Franklin) Roosevelt na Coolidge, Kennedy na Eisenhower, Carter na Ford/Nixon, Clinton na Bush I, Obama na Bush II …

Progressieve commentatoren haasten zich om hun verontwaardiging te uiten over het feit dat Obama een oorlogsstoker is en dat de toekenning van deze Nobelprijs dus een schande is. Ik denk dat ze zich even hard vergissen als hun hierboven vermelde conservatieve collega’s. Heel wat linkse persoonlijkheden zijn er immers als de kippen bij om laureaten van de Nobelprijs juist wél toe te juichen als het over een persoon gaat die hen ideologisch past. Zij zijn daarbij de spiegel van hun rechtse tegenstanders. Het is echter het een of het ander, je kan de Nobelprijs niet de hemel in prijzen als de laureaat je bevalt en dan minnetjes doen over de keuze van de jury als er een ideologische vijand uit de bus komt.

Er valt dus uiteraard heel wat te zeggen over het feit dat deze president een prijs krijgt terwijl hij een illegale oorlog in Irak voert en die in Afghanistan zelfs uitbreidt, terwijl hij het grootste budget voor defensie ter wereld verder zet en geen enkele militaire basis van zijn land waar ook ter wereld sluit (hij zou heel wat meer kunnen besparen dan pakweg de Belgische regering op dat gebied!). Natuurlijk is het hypocriet om een dergelijk man een vredesprijs toe te kennen, laat staan de meest prestigieuze vredesprijs die er bestaat: de Nobelprijs.

Ik denk dat men zich eerder moet gaan afvragen wat de relevantie van dit soort prijzen is. Heel af en toe heeft het Comité voor de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede een keuze gemaakt voor wat ik échte vredesactivisten zou noemen. Dat was bijvoorbeeld het geval met Martin Luther King (1964), met de Noord-Ierse huisvrouwen Betty Williams en Mairead Corrigan (1976) en met Carlos Belo en José Ramos-Horta (1996) van Oost-Timor. Er staan echter heel wat bedenkelijke keuzes op de lijst. Eigenlijk zelfs een meerderheid.

Presidenten Theodore Roosevelt (1906) en Woodrow Wilson (1919) kregen net als Obama deze prijs tijdens hun mandaat, evenals Vice-president Charles Dawes (1925) (onder President Coolidge). Gewezen president Jimmy Carter en gewezen vice-president Al Gore kregen de prijs voor het werk dat zij met hun respectievelijke stichting deden nà hun politieke carrière. Daarnaast vielen ook VS-ministers Frank Kellog (1929), Cordel Hull (1945), George Marshall (die van het naar hem genoemde plan) (1953) en Henry Kissinger (1973) in de prijzen. Presidenten Teddy Roosevelt (Teddy, niet Franklin) en Wilson waren blanke supremacisten en hevige voorstanders van rassensegregatie, Roosevelt is de laatste president die nog militaire slagen heeft aangevoerd tegen de autochtone bevolking van Amerika en Wilson liet het door hem gelanceerde recht op zelfbeschikking van volkeren in de praktijk zien in Haïti (zie eveneens vroegere Uitpersbijdragen) en Nicaragua.

Die erkenningen hadden nog niet de mediatieke weerklank die de Nobelprijs vandaag heeft. De tijden zijn veranderd. Er was toen ook nauwelijks commentaar bij dit soort toekenningen. Kissinger was in feite de eerste Amerikaanse politicus die veel media-aandacht kreeg voor zijn prijs. Daar was ook toen heel veel kritiek op in progressieve middens. Minder bekend is dat Vietnamees onderhandelaar Le Duc Tho, met wie hij de prijs deelde, weigerde de prijs in ontvangst te nemen‘omdat er nog geen vrede was in Vietnam’.

Wat je van deze toekenningen inhoudelijk ook mag denken, deze laureaten werden tot nog toe enkel geselecteerd voor bewezen prestaties. Obama heeft inderdaad nog niets bewezen. Integendeel, alles wijst erop dat het met hem in de omgekeerde richting gaat. Veel gegronde redenen om deze toekenning te bekritiseren. Het Comité voor de Nobelprijs heeft de lat inderdaad zeer laag gelegd.

En toch blijf ik er bij dat deze kritiek aan de echte kwestie voorbijgaat. Dit soort prijzen is niet meer van deze tijd. Om te beginnen is het absurd ze toe te kennen aan één of twee individuen. Het Comité voor de toekenning van de Nobelprijs heeft weliswaar al enkele malen een organisatie bekroond maar dat blijft een uitzondering. Geen enkele persoonlijkheid is zo goed en zo sterk dat hij (het zijn immers bijna altijd mannen) het alleen heeft geklaard. Martin Luther King heeft de strijd tegen de apartheid in de VS niet op zijn ééntje gewonnen. De betekenis die hij heeft (en die ik zeker niet wil onderschatten!), heeft hij enkel en alleen omdat duizenden medestanders (meestal anoniem) samen met hem hebben gevochten voor hun idealen. Die strijd is overigens verre van voorbij, de verkiezing van Obama ten spijt. Maar dat geldt evengoed in omgekeerde richting. Oorlogsmisdadiger Henry Kissinger heeft de vredesakkoorden met Vietnam enkel getekend als woordvoerder van het machtigste land ter wereld. Dit soort prijzen gaat volledig voorbij aan de essentie dat politieke, sociale en economische strijd voor vooruitgang en emancipatie een zaak is van jarenlange onbaatzuchtige inzet van miljoenen. Leiders zijn slechts het tipje van de ijsberg.

In 2005 kreeg Harold Pinter de Nobelprijs voor Literatuur. Hij gebruikte de uitreikingsceremonie voor een vlammende speech tegen Blair en Bush. (zie hiervoor het uitstekende Various Voices: Sixty Years of PROSE, POETRY, POLITICS 1948-2008). Ook al zijn de keuzes van het Comité dat deze prijs toekent soms nogal bizar geweest (en soms politiek geïnspireerd), literatuur is onmiskenbaar het werk van één individu.

Soms, niet altijd, heeft deze prijs minder bekende auteurs de kans gegeven om meer succesvol hun werk te verspreiden en dat is goed. Literatuur verdient in deze gemediatiseerde en oppervlakkige wereld méér aandacht.

Over de Nobelprijs voor Economie spreek ik me niet uit. Ik ken daar te weinig van. Ik weet echter wel dat Milton Friedman deze prijs kreeg in 1976, drie jaar nadat hij zijn economisch model voor het eerst zag toegepast worden op staatsniveau, namelijk in Chili …

Ik zie echter niet in hoe een Nobelprijs voor de Vrede enige relevantie heeft. Ik pleit er dus voor om deze prijs ofwel principieel enkel nog toe te kennen aan organisaties ofwel af te schaffen.

Waarom geen Nobelprijs voor de Bestrijding van Armoede of voor Sociale Rechtvaardigheid? De huidige economische crisis zou ons bijna doen vergeten dat de meerderheid van de wereldbevolking al jaren in een crisis van leven en dood verkeert. De zogenaamde strijd tegen de terreur is van hetzelfde. Waarom jaarlijks geen prijs voor het land dat de beste vooruitgang boekt voor alfabetisering, voor stijging van de levensverwachting … uiteraard zou die prijs dan uitsluitend naar Derde Wereldlanden gaan, so what? Net goed, vind ik. Er is nauwelijks aandacht voor landen die daar ernstig mee bezig zijn, Bolivia en Botswana bijvoorbeeld. Dat die landen steeds kiezen voor aan afwijkend economisch model verklaart natuurlijk waarom de massamedia hier geen (of hoogstens denigrerende) commentaar aan wijden. Een Nobelprijs voor Sociale Rechtvaardigheid is daar niet de oplossing voor, maar het kan helpen.

De Nobelprijs voor Obama verdient geen aandacht. In plaats van ons druk te maken over de zoveelste aflevering van de soap Obama, zouden we ons beter blijven inzetten voor sociale rechtvaardigheid, een strijd die nog lang niet ten einde is.

(Uitpers, nr. 114, 11de jg., november 2009)

Deel dit artikel

Visited 118 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook