Niks is wat het lijkt. Zelfs op Urk niet.

Het Nederlandse dorp met de drie letters dat klinkt als een eerder nurks uitgesproken onomatopee – Urk? – heeft onlangs de internationale pers gehaald met niet zo fraaie beelden van een tent in een coronateststraatje dat in de fik werd gestoken. Onbegrijpelijk, en zeker ook dat zoiets kon gebeuren in die idyllische, zwarte-kousengemeente aan het IJsselmeer die leeft van vis en van het Bijbelse woord Gods. Op het eerste gezicht althans, want wie het boek van de Gentse auteur Matthias Declercq – neen, niet de burgemeester van die stad – gelezen heeft, zal allicht minder verbaasd geweest zijn. Niks is immers wat het lijkt, zelfs op Urk niet.
Dat is alvast de conclusie van Matthias Declercq die meer dan tien jaar geleden als jonge journalist van De Morgen naar Urk werd gestuurd om daar gauwgauw een reportage te maken over de moord op een 14-jarige jongen door een leeftijdgenoot in het Urker bos. Het resultaat was een stuk eendagsjournalistiek waaruit bleek dat Declercq, ook naar eigen zeggen, alleen maar wat oppervlakkige zaken over Urk wist te melden. Zoals ook mijn vrouw en ikzelf trouwens tijdens onze passage op Urk. Twee jaar geleden arriveerden we op een fietstocht rond Nederland drijfnat in Urk of all places. We vonden er een gezellige en droge overnachtingsplek in ‘De Roos’ en op onze toeristische wandeling door het dorp zagen we de fiere vuurtoren, een betonnen, beschilderde orka – Urk als eiland zou de vorm van een orka gehad hebben ! – en in het haventje veel UK-vissersboten (waaronder ‘De ware Jacob’ van Lennaert Nijgh, de onvolprezen tekstschrijver van Boudewijn de Groot), gezellige poppenhuisjes en nog veel meer sobere kerken van bescheiden afmetingen. Het was de beperkte en stereotype ‘kennis’ die je overhoudt na een oppervlakkig bezoek, zoals dat ook Matthias Declercq verging tijdens zijn eerste ‘buitenlandse journalistieke opdracht’.
Intussen heeft die jonge journalist zich echter ontpopt tot een fijngevoelige non-fictie schrijver – dat bewees hij met het goed onthaalde ‘De val’ waarin hij het leven van vijf jonge wielrenners volgt van wie er een tijdens een wedstrijd om het leven is gekomen – en in 2019 besluit hij, ouder en wijzer geworden, opnieuw naar Urk te trekken om te onderzoeken wat er achter de façade van dat ogenschijnlijk prentbriefkaartachtig Nederlandse vissersdorp allemaal schuilgaat. ‘Met zijn eindeloze aantal kerken en z’n uitgebreide vloot werd Urk een soort relikt uit een vervlogen tijd.’ (p. 20) Dat was ook het beeld dat bij mij was blijven hangen. Nada más. Gelukkig heeft die andere rare Belg een uitvoerige kijk kunnen nemen onder het wateroppervlak van het dorp en hij ontdekte daar allerlei stromingen en gelaagdheden.

Die rare Belg

Zes maanden zal Declercq in het pre-coronajaar 2019 verblijven ‘op’ Urk, want deze plaats is een ex-eiland in de Zuiderzee die door het aanbrengen van de afsluitdijk in 1932 een binnenmeer is geworden en zo werd een eiland een stuk van het vasteland. Declercq huurt een eenvoudige kamer en mengt zich als Nederlandstalige Belg met dat vreemde Vlaamse accent onder de Urkers, gewapend met een notitieboekje en soms vergezeld van een bandopnemertje. Voorwaar een ambitieuze inburgeringspoging in een gesloten, argwanende gemeenschap – wat komt die niet- gelovige Belg hier in godsnaam doen? – die een beetje lijkt op wat de Nederlandse journalist en schrijver Geert Mak hem voor deed door als stadsmens in een Fries dorp te gaan wonen en er het mooie boek ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ over te schrijven dat intussen een klassieker is geworden in de Nederlandse canon van de literaire non-fictie. Het is wat prematuur om te veronderstellen dat ‘De ontdekking van Urk’ ook in dat gezelschap zal worden opgenomen, maar ik durf bij deze toch al zeggen dat Matthias Declercq als auteur alvast een ontdekking is. Hoe gaat hij hiervoor te werk als journalist-antropoloog in spe? ‘Ik bezoek alle kerken, spreek met dominees, met jongeren, ga op café, drinkt mee in illegale bars en heb na een paar weken al een groot netwerk en een harde schijf met meer dan 250 uur interviewtape.’ (p. 39) En daar voegt hij nog aan toe: ‘Ik beland ongemerkt in een eindeloos uitdijend verhaal, waarvan ik de afloop lange tijd zelf niet ken.’ Daarover gaat het immers in dit boek: de ontdekking van dat andere Urk in al zijn meerlagigheid waardoor steeds meer dozen van Pandora opengaan. Dat is voor hem een moeizaam maar boeiend leerproces: ‘Hoe langer ik op Urk woon, hoe meer de schaduwkant van de Urker identiteit zich zal blootgeven en hoe meer de Ander gestalte krijgt’. (p. 37) Enkele interviews gebeurden on the record en met naam en toenaam, maar dat zijn uitzonderingen. Dat schrijft Declercq in zijn dankwoord, want de meeste gesprekspartners wilden niet uit het veilige en anonieme decor stappen van de nostalgische prentbriefkaart.

Van het ‘ene’ naar het ‘andere’ Urk

‘De ontdekking van Urk’ is een lijvig en boeiend boek geworden dat uit twee grote delen en acht hoofdstukken bestaat die qua inhoud deels in elkaar overlopen. Er is – voornamelijk in het eerste gedeelte – de bovenste laag van Urk aanwezig waarin de conservatieve ‘identiteit’ van het dorp zichtbaar wordt, maar er is ook – voornamelijk in het tweede gedeelte dan – de ‘moderniteit’ die binnensluipt en die de zuiverheid van de ‘steile’ geloofsleer ook van binnenuit begint aan te tasten. Zo ontstaat er in de zoektocht Van Declercq naar dat ‘ene’ en dat ‘andere’ Urk geleidelijk aan een genuanceerder beeld van een uit de kluiten gegroeid vissersdorp dat zich nog krampachtig vasthoudt aan de traditionele levensstijl van vorige eeuwen, maar tegelijk meegezogen wordt in een geglobaliseerde wereld die compleet andere mores met zich meebrengt.

Zwaar geloof, zwaar vissersleven

Kun je Urk anno 2021 met zijn 21.000 inwoners nog een dorp noemen zoals het er ooit een was maar dan als eiland in de Zuiderzee? Dat beeld probeert Urk alleszins in stand te houden en daarvoor zijn ook nog steeds enkele demografisch-religieuze kenmerken aanwezig. Bijna de helft van de bevolking is jonger dan 24 jaar en die bestaat vaak ook uit zeer kroostrijke gezinnen met soms meer dan tien tot vijftien kinderen die in hun familielijn zeer vaak een visserij- én calvinistisch verleden hebben.
Religie en visserij zijn al eeuwenlang met elkaar verstrengeld in Urk. Met haar 25 kerken is Urk het meest christelijk dorp van Nederland en het hart van het creationisme – de wereld is voor Bijbelvasten 6000 jaar oud ! – en behoort tot de sterkhouders van de Nederlandse Biblebelt samen met dorpen als Staphorst, Rouveen, Veenendaal en Barneveld. Hier wonen de meest ‘bevindelijke’ gereformeerden. Bevindelijk slaat op de persoonlijke band met God, om het ‘bevinden’ van je geloof. Refo’s worden ze genoemd. Ze houden streng vast aan de Bijbel en vormen de harde kern van het protestantisme. Volgens Declercq is Urk cijfermatig zelfs het ultieme Bijbeldorp. Met 94 procent heeft het dorp naar verhouding de meeste kerkleden en kerkgangers van Nederland, maar die zitten niet allen op dezelfde religieuze lijn. Integendeel. Er is ten eerste het grote verschil tussen de ‘lichten’ of de ‘rekkelijken’ en de ‘zwaren’ of ‘preciezen’ die steil en diep afhankelijk zijn van God en Bijbel en voor wie de duivel altijd om de hoek loert. Een zeer somber mensbeeld dus. Declercq constateert echter meer: ‘Urk blijkt geen geloofseiland maar een archipel aan overtuigingen waar ieder zich beroept op het eigen, grote gelijk.’ (p. 163). Het resultaat ervan zijn voortdurende kerkscheuringen. Het is zeker niet toevallig dat de auteur een citaat opneemt uit de hilarische film ‘The Life of Brian’ van het Engelse Monty Python gezelschap waarin allerlei splintergroepjes dingen naar de stem van ‘het volk’.
Declercq beperkt zich in zijn boek niet tot observaties maar verdiept zich ook diepgaander in het religieuze thema waarvoor hij ook te rade gaat bij wetenschappelijke onderzoekers zoals bijvoorbeeld de godsdienstsocioloog Durk Hak, zelf afkomstig van Urk, die de veelvuldige kerkscheuringen in verband brengt met de theorie van het verwerven van een sociale status door steeds maar te willen excelleren in zuiverheid van de leer, een theorie die een beetje gebaseerd is op het habitusconcept van de Franse socioloog Pierre Bourdieu.
Er zijn veel Urkers die menen de waarheid in pacht te hebben, veel Trumpianen, veel antivaxxers en creationisten. De NOS is voor hen natuurlijk fake news en ook rechtse figuren als Geert Wilders van de PVV en Thierry Baudet van het Forum voor Democratie vinden een behoorlijke aanhang in Urk.
Die ‘zware invulling’ van het calvinisme past natuurlijk ook in het harde bestaan van een vissersbevolking die zeer zware en risicovolle arbeid moest verrichten, waarbij heel veel slachtoffers vielen. De zee geeft, maar zorgt ook voor veel leed. Dat beschrijft de auteur zeer indringend aan de hand van de vissersfamilie Foppen, waar de vader die zijn eigen vader op zee verloor op het computerscherm ziet hoe zijn zoon met zijn schip vergaat op een zandplaat ‘De razende Bol’ bij Texel en Den Helder.
Declercq schrijft en beschrijft niet alleen, hij ervaart ook wat het betekent om te werken op een vissersboot. Na een week komt hij steendood terug, maar zijn status in het dorp is ineens geüpgraded: die rare Belg is toch geen doetje, hij is mee op zee geweest ! ‘Het is vijf dagen lang anderhalf uur werken, anderhalf uur slapen. En tussendoor rijst met suiker eten. De bel gaat, je hijst je in je oliepak, de netten worden opgehaald en leeg gekapt, en je kan vissen beginnen open te snijden. Ik had tien uur geslapen over de hele week. Je kon mij volledig radicaliseren.’
Behoort Declercq er nu echt bij? Heeft hij door die prestatie de Urker identiteit verworven? Neen, natuurlijk niet, want in zeker zin voedt hij hiermee zelfs ongewild de verhalen van een blad als ‘Het Urker Volksleven’ dat graag ‘houtblokken gooit op het vuur van de nostalgie’ en dat heeft het traditionele Urk nodig om te beletten dat er ook van binnenuit gezaagd wordt aan de poten van de status-quo.

Coke bij de vis

En dat laatste gebeurt systematisch, want Urk is niet alleen het pittoreske dorp aan de waterkant. Daarachter ligt nog veel meer – en vooral – een heel ander Urk. Halfweg zijn boek begint Declercq aan zijn wandelingen in de richting van de nieuwe wijken. Het wordt een reis in de tijd en dat is zeer eenvoudig op Urk: tussen de traditie en de moderniteit moet je maar enkele meters overbruggen. De auteur schrijft: ‘Ook dit dorp dat zo graag een eiland wil zijn, maakt deel uit van een grotere wereld en kent op dorpsniveau de problematiek die de steden kent.’ (p. 224)
Neem nu de vele jongeren van Urk. Voor hen is er geen bal te doen in dit refodorp, behalve wat rondscheuren met brommers waarvan de uitlaten zijn afgezaagd of paraderen met opgevoerde scooters die klinken als rijdende slijpschijven. Op en rond het industrieterrein zijn er clandestiene bars met mini-discotheken, stroboscopen en vooral veel goedkope drank. Op instagram leest Declercq: ‘1x lappen is zuipen in 2 barren’, of een oudere tweet van een kerel die zich online presenteert als visserman ‘gelegenheidsbeffer’ en ‘zaaddonor’: ‘tien euro lappen onbeperkt zuipen bitches’. Declercq vertolkt de tweespalt op Urk zeer treffend: ‘Terwijl Urk op zaterdagavond tijdig in bed kruipt, opdat de zondag geheiligd blijft, gaan jongeren luid brullend de nacht in. The gates are open.’ (p. 239) Coke te koop voor gretige neusgaten…
Declercq spreekt daarover met Urker Dirk Korf, nu hoogleraar criminologie aan de Universiteit van Amsterdam, die onder de titel ‘Coke bij de vis. Misdaad en moraal’ een studie maakte over druggebruik in Nederland. Volgens hem staat de berichtgeving over drugs in vissersdorpen pars pro toto voor de ruralisering van het drugsgebruik. Hij ziet in drugs een metafoor voor de teloorgang van traditionele normen en waarden, zoals ook het geloof dat inboet aan belang.
Ook de traditionele visserij boet in aan belang. Dat merkt Declercq op zijn wandeling door het nieuwe, industriële Urk. Hij houdt halt voor Dayseaday Group. ‘Hier komen 140 soorten vis binnen van over de hele wereld, van Alaska tot Namibië.’ Er heerst een enorme bedrijvigheid. Urkers fietsen gehaast af en aan in Crocs en een regenjas van hun werkgever. De dorpelingen zijn met te weinig om de industrie draaiende te houden, daarom zijn intussen al 1.000 Oost-Europese gastarbeiders gearriveerd. ‘Cultureel oerconservatief, economisch volledig geglobaliseerd’, vat Declercq samen. En hij voegt er nog aan toe: ‘In het oude dorp lopen buitenlanders achter de gids aan, maar hier op het industrieterrein lopen steeds meer Urkers achter de buitenlanders aan.’ (p. 285)
En er is niet alleen de globalisering die de traditionele Urkse visserij dreigt te wurgen, er zijn ook de windmolenparken in de Noordzee, de EU en de strenge visquota, het milieuvriendelijk vissen en de Brexit die de vrijheid en bewegingsruimte van de Urkse visser almaar meer beperken.

Van toeschouwer naar deelnemer

Na zijn zoveelste interview stelt Declercq zich de vraag welke rol hij nu eigenlijk speelt op Urk. Is hij alleen maar die rare Belg en blijft hij dat in de ogen van de Urkers of verandert zijn positie in het dorp naargelang hij er langer verblijft? Is hij alleen maar interviewer en observator of wordt hij ook een Mitspieler? ‘Ik heb mijn notitieboekje overal bij me, om iedereen eraan te herinneren dat ik tot niemand behoor, tot geen enkele groep, maar enkel noteren wil. Maar wat ik opschrijf, overstijgt de beschrijving.’ (p. 191)
Wat is hij dan wel (geworden)? Misschien leunt zijn optreden nog het meest aan bij die van een antropoloog die aan participerende observatie doet. Dat gevoel bekroop ook Geert Mak toen hij in 1996 ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ geschreven had. Hij vermeldde in zijn nawoord: ‘Ik merkte dat ik zo’n kleine gemeenschap van buitenstaander niet kon volhouden en dat ik onvermijdelijk gleed in een situatie waarbij ik niet alleen toeschouwer was, maar ook deelnemer.’
Matthias Declercq heeft tijdens zijn zes maanden op Urk ook een gedaanteverandering ondergaan. Het is precies dat opschuiven van toeschouwer naar deelnemer die het mogelijk gemaakt heeft dat hij die verschillende gelaagdheden van Urk heeft kunnen ontdekken. En natuurlijk is daar ook zijn goede pen nodig om al die dimensies, ambivalenties en tegenstrijdigheden waar hij voortdurend tegen aanbotst in beeld te brengen.
‘De ontdekking van Urk’ is tevens de ontdekking van een schrijver van sterke non-fictie. De ontdekker ontdekt. Matthias Declercq, onthoud die naam maar.

De ontdekking van Urk
Matthias M.R. Declercq
Podium, Amsterdam/ Manteau, Antwerpen
2020
326 blz.
9789463810265
(Visited 143 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).