Nieuwe lidstaten, oude uitbuiting

Waarom zijn de nieuwe lidstaten van de EU in Centraal- en Oost-Europa zo aantrekkelijk voor investeerders uit de oude lidstaten? Een groot deel van het antwoord ligt in de arbeidsomstandigheden, in “ouderwetse” termen uitgedrukt: de hoge uitbuitingsgraad van de arbeid. Een rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO, ILO in het Engels) brengt daarover veelzeggende feiten bij elkaar.

Het ILO-rapport ontleedt de arbeidsverhoudingen in acht nieuwe lidstaten – Polen, Hongarije, Estland, Letland, Litouwen, Tsjechië, Slovakije en Slovenië. In al die landen wordt de loontrekkenden voorgehouden dat ze het welvaartspeil uit de rest van de EU kunnen bereiken als ze maar offers brengen. Wat betekent dat in de praktijk bij zowel de privé- als de openbare ondernemingen, bij zowel bedrijven met buitenlands kapitaal of zonder?

Een eerste vaststelling: de werkende bevolking moet bijzonder flexibel zijn en zich voortdurend aan nieuwe omstandigheden aanpassen. De arbeidskrachten zijn zeker niet laaggeschoold, wel integendeel. Waarbij we kunnen opmerken dat de goede gemiddelde scholing van de bevolking een van de pluspunten van de vroegere regimes was.

Het grote pluspunt voor de privé-ondernemers is dat die goedgeschoolde arbeidskrachten goedkoop zijn. Dat heeft te maken met de manier waarop die landen in de “geglobaliseerde” kapitalistische markt werden ingeschakeld. Maar ook met de hoge werkloosheid die de meeste landen (Hongarije en Slovenië uitgezonderd) kennen, wat de lonen naar beneden drukt.

Gratis werken

Het loonniveau is maar een deel van de arbeidsvoorwaarden. Er is ook de lange gemiddelde arbeidsduur, meestal boven 43 uur. Daar bovenop komen de vele overuren die zeer slecht, of in veel gevallen helemaal niet, worden betaald.

Zoals in West-Europa is er ook in die landen een sterke toename van de precaire statuten. Meer en meer mensen, vooral ouderen én jongeren, werken met deeltijdse arbeidscontracten.

Veel ondernemers hebben natuurlijk ook al lang het statuut van ‘valse zelfstandige’ ontdekt: Vooral in Polen, Hongarije en Tsjechië worden arbeiders en bedienden verplicht hun arbeidscontract te laten vallen om officieel als zelfstandige aan de slag te gaan. Dat kost de ondernemer veel minder, bij voorbeeld aan sociale bijdragen, het laat vooral een enorme flexibiliteit toe – voortdurend andere werkschema’s, gemakkelijk ontslag enz.

Een andere steeds populairder praktijk zijn de “meervoudige contracten” voor een en dezelfde werknemer: één gewoon contract voor de “normale” arbeidsprestatie, een ander voor alle supplementaire opdrachten. De arbeidswetgeving geldt alleen voor dat eerste.

Bij veel KMO’s krijgen de werknemers helemaal geen schriftelijk contract, alleen een mondeling – dat uiteraard waardeloos is. Buitenlandse investeerders doen op grote schaal een beroep op die praktijken.

Afbouw

De regels van de EU inzake gezondheids- en veiligheidsvoorschriften worden op zeer grote schaal genegeerd. Diezelfde ondernemingen trekken zich ook weinig aan van milieuvoorschriften. Intussen zijn allerlei voorzieningen inzake gezondheidszorg afgebouwd of afgeschaft.

Uit rapporten van de Wereldgezondheidsorganisatie blijkt telkens weer dat het met de volksgezondheid in die landen niet zo goed is gesteld. Het aantal hart- en vaatziekten ligt er beduidend hoog, wat wordt toegeschreven aan de toenemende stress bij een groot deel van de bevolking. Werkloosheid, enorme stress op het werk, het wegvallen of wegkwijnen van allerlei voorzieningen zijn de belangrijkste oorzaken. Uit diverse onderzoeken blijkt dat veel arbeiders uit schrik voor werkonzekerheid steeds meer druk aanvaarden. In het officieel zo gezinsvriendelijke Polen stellen jonge vrouwen het moederschap steeds langer uit omdat ze vrezen bij zwangerschap hun werk te verliezen.

Gelaten

Die groeiende uitbuiting leidt bijna nergens tot sociaal protest. Na het uiteenvallen van de bureaucratische regimes in 1989 kregen we in al die landen een reflex van “ieder voor zich”, een gelaten aanvaarding van het economisch liberalisme waarin elkeen trachtte er het beste voor zichzelf van te maken.

Er waren natuurlijk de vakbondsstructuren van vroeger. Maar die vakbonden waren vroeger zeker geen organisaties voor sociaal protest, wel beheerders van voorzieningen die grotendeels zijn weggevallen. Veel vakbonden bleven in handen van gewezen bureaucraten die via de vakbond carrière maakten. Er was in Polen natuurlijk de vakbond Solidariteit, maar die heeft zichzelf met het aanvaarden en uitvoeren van een zeer liberaal beleid, erg gediscrediteerd.

Zelfs van ernstig sociaal overleg is in die omstandigheden nauwelijks sprake. Regeerders en ondernemers voelen daar geen behoefte aan, de vakbonden zijn veel te zwak om bij overleg een vuist te maken. Alleen Slovenië maakt daar een uitzondering op, daar bestaat wel een redelijk uitgebouwd sociaal overleg.

Het is wel opvallend dat die arbeidsomstandigheden niet zijn verbeterd onder regeringen met socialisten. In Polen regeerden de sociaal-democraten (ex-communisten) de voorbije vier jaar, ze regeren in Hongarije en Tsjechië. Ze regeerden ook jarenlang in twee toekomstige lidstaten, Roemenië en Bulgarije – in dat laatste land zijn ze nu de belangrijkste partij in de regering. In die twee landen is de toestand geen haar beter dan in de andere nieuwe lidstaten. De sociaal-democraten maken in die landen dus blijkbaar niet het verschil.

(Uitpers, nr. 69, 7de jg., november 2005)

Visited 8 Times, 1 Visit today

Tags :