Nieuwe “koude oorlog” brengt Syrië en Rusland dichter bij elkaar

De Russische interventie in Georgië, en vooral de westerse veroordelingen ervan, klinken Syrië als muziek in de oren. De nieuwe Koude Oorlog, waarvan president Dmitry Medvedev zegt geen schrik te hebben, mag er, wat Damascus betreft, best komen. Het kan zijn positie in het Nabije Oosten versterken en bijkomende wapenleveranties opleveren. Maar president Bashar al-Assad doet er beter aan geen al te hoge verwachtingen te koesteren.

Momenteel is het nog euforie. Tot groot ongenoegen van Washington gaf de Syrische leider tijdens een bezoek aan Moskou zijn onverdeelde steun aan de interventie in Georgië – eerder had enkel Wit-Rusland dit gedaan. Sympathie was er elders in de Arabische wereld ook te vinden. Het was immers geen geheim dat de Israëli’s de Georgische troepen trainden en wapens verkochten aan president Saakashvili.

Het verst ging de leider van de Libanese Hezbollah (Partij van God), sjeik Hassan Nasrallah, die de spot dreef met de nieuwe Israëlische nederlaag. Hij wees er op dat één van de Israëlische adviseurs in Georgië reserve-generaal Gal Hirsch was, de man die in de zomer van 2006 het bevel had over een divisie die toen deelnam aan de slecht afgelopen oorlog tegen Hezbollah in Zuid-Libanon. Gal Hirsch, die een nederlaag leed in Libanon, trok naar Georgië en door zijn toedoen werden de Georgische troepen verslagen, aldus Nasrallah.

Het bezoek van Bashar al-Assad aan Moskou net na de Russische tussenkomst ten gunste van Abchazië en Noord-Ossetië, leidde ook tot speculaties allerhande in de westerse pers. Die schreef dat Moskou van plan zou zijn, met de vroegere bondgenoten van de Sovjetunie, opnieuw een wereldwijde antiwesterse alliantie te creëren. Er werd op gewezen dat Moskou wapens allerhande – luchtafweerraketten, antitankraketten, gronddoelraketten zoals Scuds enz. – aan het leveren was aan Syrië. Verondersteld werd ook dat Rusland basissen voor zijn vloot zou krijgen in de Syrische havens Tartous en Lattakiyeh, van waaruit de Russen de Turkse oliehaven Ceyhan, aan het eindpunt van de pijpleiding Bakoe-Tbilisi-Ceyhan zouden kunnen bedreigen. Tartous zou ook, zo werd geschreven, eventueel Sebastopol op de Krim, in Oekraïne, als basis kunnen vervangen mocht Kiev de Russen in Sebastol de deur wijzen. Met de Russische luchtafweer rond de vlootbasissen zou ook een groot deel van het Syrische grondgebied worden beschermd tegen Israëlische luchtaanvallen. Verder zou Syrië de Russen aangeboden hebben raketten te installeren als tegenzet voor de raketten die de Verenigde Staten in Polen gaan opstellen. Er werd zelfs “gevreesd” dat Damascus het idee zou kunnen krijgen met het nieuwe wapentuig zijn sedert 1967 door Israël bezette Golan-hoogten te gaan heroveren.

Of het allemaal zo ver zal gaan valt nog af te wachten. De relaties tussen Moskou en Damascus hebben immers ook laagtepunten gekend. Het dieptepunt was ongetwijfeld het bewind van Mikhail Gorbatsjov, van 1985 tot 1991, wiens glasnost en perestrojka (openheid en hervorming) gepaard gingen met een dooi in de relaties met het Westen. Eén van de slachtoffers van die dooi was Syrië. In 1989 verklaarde de Sovjet-ambassadeur in Damascus, Alexander Zotov, onomwonden aan de Washington Post dat president Hafez al-Assad, de vader van Bashar, zijn streven naar militaire “pariteit met Israël” kon vergeten. Waarmee hij de al lang gevoerde politiek van Moskou ten overstaan van Syrië publiek maakte: Syrië niet genoeg wapens geven om echt weerstand te kunnen bieden aan Israël. Syrië had de boodschap begrepen. In maart 1990 onderstreepte Hafez al-Assad tijdens een toespraak dat de “veranderingen” in Oost-Europa, die eind december 1991 uitliepen op de ontbinding van de Sovjetunie en op het einde van de “Koude Oorlog”, in het voordeel van Israël waren.

Tot een echte breuk tussen Damascus en Moskou kwam het echter niet. Nog onder president Boris Jeltsin (1991-1999) kwam het in april 1994 tot een nieuw militair en technisch akkoord, dat dit van de Sovjet-periode verving. Daaronder zouden, ondanks Amerikaanse bezwaren, ook wapenleveringen vallen. Maar alleen maar van defensieve wapens, zoals de Russische onderminister van Buitenlandse Zaken, Boris Kolokolov, onderstreepte. Reden voor dat nieuwe akkoord: Damascus moest de Russen nog altijd zowat 12 miljard dollar betalen voor eerdere wapenleveringen. En zolang Moskou geen nieuw wapentuig leverde, kwam Syrië niet met geld over de brug.

De wapenleveringen werden sedertdien nooit onderbroken. Ze stonden geregeld hoog op de agenda bij wederzijdse bezoeken. Zoals bij het bezoek van Hafez al-Assad in juli 1999 – één jaar voor hij overleed – en bij dat van zijn zoon Bachar in augustus jl. Zo nieuw zijn de verhalen over wapenverkopen dus niet. En de Russen zijn zeker van ten minste een deel van hun geld sinds Iran een deel van de facturen begon te betalen. Maar zoals vroeger, onderstreepte de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergei Lavrov, die doof bleef voor de smeekbeden van Israël, tijdens het bezoek van Bashar dat het om “defensieve wapens” ging.

Dat Syrië niet teveel wapens heeft bleek overigens ook op 6 september vorig jaar toen Israël, zonder enige weerstand, een bombardement kon uitvoeren op een vermoedelijk nucleair doelwit diep in het oosten van het land. Maar alles wijst erop dat die aanval vanuit Turkije, een naaste bondgenoot van Israël ondanks de islamitische regering, werd uitgevoerd. Syrië heeft geen echte verdedigingslijnen meer langs zijn grens met dat land. De Syriërs waren dus verrast door een aanval vanuit die richting.

De wapenleveringen maken ook deel uit van een al oude economische samenwerking, die Moskou niet in het gedrang wilde brengen. Syrië is, wegens de westerse boycot van het land, een interessante partner voor Rusland. Zo voert het belangrijke werken uit in de havens van Tartous en Lattakiya, ondertekende het in december 2005 een contract ter waarde van 370 miljoen $ voor de bouw van een gaspijpleiding en van een gasfabriek. Ook de commercie tussen beide landen floreert.

Volgens waarnemers werden de banden tussen beide landen vooral aangehaald vanaf 2005 toen president Vladimir Poetin aan zijn tweede ambtstermijn bezig was, toen hij de politieke touwtjes stevig in handen had en de economie, mede door de stijgende grondstoffenprijzen, weer in de lift zat. Het plan van het Westen om van Rusland een leverancier te maken van goedkope grondstoffen, die natuurlijk ook door westerse ondernemingen zouden worden ontgonnen, was mislukt. De president was weer in staat om van Rusland een mogendheid te maken, waarmee rekening zou moeten worden gehouden.

Syrië kan nu ongetwijfeld wat profiteren van de internationale spanningen en het conflict met het Westen om Georgië. Maar er zijn limieten. Rusland heeft immers ook uitstekende relaties met Israël en er wonen zowat één miljoen Russen in Israël, van wie Moskou zich als de verdediger opwerpt. Men mag ook niet vergeten dat de Sovjetunie het eerste land was dat in 1948 de nieuwe staat Israël erkende, zij het in de verkeerde veronderstelling dat het om een “progressief” land zou gaan dat de Sovjetunie als zijn natuurlijke bondgenoot zou beschouwen.

Syrië werd tijdens de Koude Oorlog gesteund, zij het in beperkte mate, louter en alleen omdat Israël de rol van westerse regionale mogendheid op zich had genomen. Ondanks het aanhalen van de betrekkingen de voorbije jaren, heeft Syrië nooit op diplomatieke steun van Moskou kunnen rekenen. Noch in het dossier Libanon, waarin de Veiligheidsraad, met steun van Moskou, Syrië opdroeg zijn troepen uit dat land terug te trekken. Noch in de kwestie van de moord op de Libanese oud-premier Rafiq Hariri, waarvoor, ook met steun van Moskou, een speciale rechtbank werd opgericht, die als doel heeft de Syriërs als verantwoordelijken te brandmerken. In het hele vredesproces in het Midden Oosten schitteren de Russen door hun afwezigheid. Zowel voor wat de onderhandelingen tussen Syrië en Israël over de teruggave van de Golan en over een vredesverdrag betreft, als in het kader van het “Kwartet” (de Verenigde Staten, Rusland, de Europese Unie en de Verenigde Naties), dat via een “routemap” het Palestijnse probleem zou helpen oplossen, maar de ene deadline na de andere ziet voorbijgaan – de volgende vervaldatum is eind dit jaar, tegen wanneer volgens de Amerikaanse president Georges Bush er een Palestijnse staat zou moeten zijn – én niets onderneemt om de voortschrijdende kolonisatie tegen te gaan, die het “vredesproces” (als men dit zo zou mogen noemen) bemoeilijkt, zo niet onmogelijk maakt. In feite heeft Syrië dus maar weinig te verwachten van Rusland wat betreft de Golan en een écht vredesproces. Euforie omwille van de huidige oost-west-spanningen lijkt dus niet op zijn plaats.

(Uitpers, nr 101, 10de jg., september 2008)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 65 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook