“Neen aan de oorlog… Neen aan de dictatuur”. Portret van de Communistische Partij van Irak

Niet alle Iraakse oppositiepartijen laten zich verleiden tot samenwerking met de Verenigde Staten. De Communistische Partij van Irak (CPI) verwerpt zowel de dictatuur van Saddam Hoessein als de oorlogsplannen van Washington. In de naoorlogse geschiedenis was de CPI immers een van de grootse slachtoffers van de anticommunistische hetzes van de verschillende Baath regimes, die daarbij soms op Amerikaanse steun mochten rekenen.

Vandaag is onduidelijk hoe sterk de CPI nog is, maar de enigszins aparte standpunten en de historische strijd rechtvaardigen een portret

De communisten speelden een cruciale rol in het postkoloniale Irak. Ze lagen mee aan de basis van de omverwerping van de hasjemitische monarchie (1958) door de Vrije Officieren, die op 14 juli 1958 onder leiding van Abd al-Karim Qasim en Abd al-Rahman Arif een staatsgreep pleegden. Het zou vanaf dan een ‘traditie’ worden om de communisten te gebruiken bij machtsverwerving of machtsbehoud, zonder hen zelf echt bij die macht te willen betrekken. Voor Qasim was de ICP een nuttige bondgenoot, omdat ze de best uitgebouwde partij was. Qasim was meer een hervormer dan echt een revolutionair, maar had de goed werkende massaorganisaties (Vredesstrijders, al-Rabita – de Bond voor de verdediging van vrouwenrechten, de Irakese jeugdbond, etc. ) van de CPI en de daarmee sympathiserende vakbonden nodig in zijn strijd tegen de pan-Arabisten, waaronder de Baath.

Baathistische en Arabisch nationalistische officieren maakten vijf jaar later, ondanks het verzet in de volkswijken van Bagdad, met een bloedige staatsgreep een einde aan Qasims regime. Qasim en zijn collega’s werden kort nadien geëxecuteerd. Onder leiding van Baathist Ali Salih al-Sa’di zou 1963 een gruwelijk en gewelddadig jaar worden, waarbij op grote schaal tegenstanders van het regime door de Nationale Garde (Haras Al-Qawmi), de paramilitaire vleugel van Baath, uit de weg werden geruimd (naar schatting 3.000 mensen). De geweldcampagne was in eerste instantie gericht tegen de communisten, en dit op basis van lijsten die werden samengesteld via informatie afkomstig van onder andere de Amerikaanse inlichtingendienst, CIA.(1)

De CPI beschikte in die tijd over de best uitgebouwde massaorganisaties en lag daarom ook in het blikveld van alle (Baath)-regimes. Tot eind de jaren ’70 kon de politiek van het Baathregime vergeleken worden met een ‘wortel en stok’ politiek. Vanaf 1968 kwam er een nieuw Baathregime met al-Bakr aan het hoofd en Saddam Hoessein als tweede sterke man. Om onder meer de Sovjetunie gunstig te stemmen, Iraks voornaamste wapenleverancier, maar ook om de toen nog machtig gewaande communisten te neutraliseren, bood al-Bakr, enigszins verrassend de CPI enkele kabinetsposten aan.

De CPI, die de repressie van 1963 nog niet was vergeten, weigerde daarop in te gaan zolang de burgerlijke vrijheden niet werden gegarandeerd. Hoewel daarop opnieuw arrestaties en aanvallen op communisten werden uitgevoerd, bleef het Baath-regime tegelijk toenadering zoeken. Indien de communisten opgenomen konden worden in de regering op een manier die de positie van al-Bakr en Saddam Hoessein niet bedreigde, dan kon ze beter het hoofd bieden tegen de dreiging die in het noorden uitging van de Koerden. Bovendien was na de nationalisatie van de IPC (Iraq Petroleum Company) in 1972 de steun van de Sovjetunie op het internationale politiek toneel broodnodig. In juli 1973 besloot de CPI – voor een stuk onder druk van de Sovjetunie – om deel te nemen aan het Nationaal Patriottisch Front (NPF).

Dat betekende weliswaar de formele erkenning van de CPI als partij en de mogelijkheid om opnieuw publicaties uit te geven, aan de andere kant was het duidelijk dat de communisten ver werden gehouden van elke echte machtspositie en dus in een zeer onevenwichtige relatie met de Baath zaten. Achteraf bekeken was dit volgens de bekende Irak-historici Marion Farouk-Sluglett en Peter Sluglett bijna een suïcidale beslissing, maar in de ogen van veel partijkaders toen, creëerde het de mogelijkheid om de partij, na jaren van semi-clandestien werken en repressie, opnieuw uit te bouwen.(2)

De CPI liep in de val door mee te gaan in de idee van de Baath om naar analogie van het NPF gezamenlijke lijsten voor te stellen voor de volksorganisaties, een traditionele kracht van de CPI. De Baath, die door de staatsmacht de grootste toegang had tot middelen, kwam daardoor ook hier in een sleutelpositie te zitten. De CPI werd naar het tweede plan geduwd. Geleidelijk aan groeide de frustratie bij de CPI over het NPF en de dominante positie en misbruik daarvan door de Baath.

In het verslag van het 3de Partijcongres (1976), vragen de communisten dat het Nationale Front zou omgevormd worden tot een representatief orgaan voor alle progressieve krachten en organisaties. Bovendien verzette de CPI zich tegen de vraag van de Baath om een aantal pro-communistische organisaties te ontmantelen. Vanaf toen ging het van kwaad naar erger. De Baath startte een virulente haatcampagne tegen de communisten en zuiverde en versterkte tegelijk het veiligheidsapparaat. Er kwamen vier ‘inlichtingsdiensten’ die zich ook wederzijds bespioneerden. Ook in het leger was de obsessionele drang naar ‘veiligheid’ en machtsbehoud duidelijk. Zo werd naast de Republikeinse Garde ook de ‘Speciale legermacht’ en een Volksleger (een Baath-leger) opgericht. Ook op Baath-partijniveau kwamen er herstructureringen met o.m. partijcellen (‘Halqa’), de Firqa (een groep cellen), de shu’bah, etc. De hele structuur was gelinkt aan het veiligheidsapparaat dat onder Saddam Hoesseins controle stond.

Dit alles werkte stabiliserend voor het regime en maakte de communisten hoe langer hoe meer overbodig. De breuk kwam er vanaf 1978 en begon met een campagne in het leger. Elke partijactiviteit anders dan die van de Baath werd er verboden. Zelfs het lezen van de communistische partijkrant werd zwaar gestraft, terwijl officieel het Nationaal Front nog altijd in werking was. De eerste executies en arrestaties werden uitgevoerd in de zomer en de herfst. Het regime martelde "verschillende honderden van de slachtoffers tot de dood in de gevangenis gedurende de volgende maanden en jaren."(3) Mensen werden uit huizen gesleurd en ‘verdwenen’. Ook andere opposanten, zoals Koerdische nationalisten en clandestiene sjiitische partijen werden hard aangepakt. Het uitbreken van de oorlog van 1980 met Iran was een bijkomend excuus om de gruwelijkheden verder te zetten.

Toen Saddam Hoessein in 1979 definitief zijn dictatuur vestigde was de CPI door de repressie sterk verzwakt: een groot deel van de kaders en militanten vluchtte naar het buitenland, een ander deel werd gevangen gezet of geëxecuteerd. Sindsdien opereert de CPI clandestien, zowel vanuit het buitenland als vanuit de Koerdische regio.

Gewapend verzet met Koerdische partijen

De breuk met Bagdad zou leiden tot een toenadering met het Koerdische verzet. De CPI zou sindsdien met nadruk stellen dat de Koerdische verzuchtingen legitiem zijn en ziet een oplossing via een federatie Irak. Nog in hetzelfde jaar roept het Centraal Comité op om zich gewapend te verzetten tegen de "bloedige politieke repressie" van een regime dat "virulent anticommunistisch" is.(4) De CPI-leiders verzamelen zich in Koerdisch gebied aan de Iraans-Irakese grens en roepen alle Irakese organisaties op een "democratisch front" te vormen. Net als de Koerden kiezen de communisten voor de gewapende strijd, maar willen ze die strijd uitbreiden naar andere delen van Irak. Er worden in de loop der jaren verschillende pogingen ondernomen om front te vormen. De CPI is in vele gevallen een van de stuwende krachten. In 1986-87 wordt het ‘Koerdistan Front’ opgericht, waar ook kleinere socialistische Koerdische partijen deel van uit maken. De samenwerking tussen de KDP (Koerdische Democratische Partij), de PUK (Patriottische Unie van Koerdistan) en de CPI verloopt moeilijk, maar af en toe, zoals in 1987, leiden hun gezamenlijk militaire acties tot successen.

Het Irakees leger slaat evenwel hard terug, waarbij intensief gebruik wordt gemaakt van chemische wapens: op 17 september 1987 worden voor het eerst gasbommen gegooid op drie dorpen van het gebied Kani Masi. Daarbij vallen een dertigtal gewonden. Dit was nog niets vergeleken bij wat volgen zou: de Anfal.(5)

De Anfal vond plaats in de periode van 23 februari tot 6 september 1988. Het ging om een serie van militaire campagnes (in totaal acht) tegen de Koerden, waarbij systematisch chemische wapens werden ingezet.(6) De campagne verliep uitermate brutaal. Volgens de organisatie Middle East Watch zouden in de Anfal tussen 50.000 en 100.000 mensen zijn gedood door het Irakees leger, vooral vrouwen en kinderen. De Koerden zelf spreken van "Ali Anfal" of "Chemische Ali" om te verwijzen naar Ali Hasan al-Madjid, de schoonbroer van Saddam Hoessein die verantwoordelijk was voor ‘Koerdische vraagstukken’. Er werden tijdens de operaties meer dan 2.000 dorpen verwoest. In een interview met een Arabisch tijdschrift zei Tareq Aziz, vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken onomwonden: "Als regering hebben we het besluit genomen een veiligheidszone af te kondigen met een breedte van meer dan 30 kilometer langs de grens tussen Irak en Turkije, en alle dorpen in deze zone zullen vernietigd worden".(7)

De internationale reactie was uitermate lauw. De CPI was vooral onthutst over de blijvende steun van de Sovjetunie aan het regime van president Saddam Hoessein. Fakri Kerim, lid van het Centraal Comité van de CPI zei toen bijna verbitterd in een interview eind 1988: "We hebben aan alle communistische partijen een uitvoerig rapport over de misdaden van Saddam Hoessein in Koerdistan overgemaakt. Het gaat niet om informatie uit de tweede hand, maar over bewijzen die we zelf verzameld hebben – er zijn leden van de leiding van de ICP die te lijden hadden van het gas. Europa en de Verenigde Staten mogen dan wel bepaalde eigen doelstellingen nastreven als ze een internationale campagne organiseren tegen het gebruik van chemische wapens door Irak, maar dat neemt niet weg dat die campagne overeenstemt met de belangen van het Irakese volk".(8)

In 1992 zou de CPI ook meedoen aan de verkiezingen in de autonome Koerdische regio, maar niet over de kiesdrempel van 7 % geraken. Vandaag heeft de zusterpartij van de CPI, de Communistische Partij van Koerdistan een minister in de lokale regering die door Barzani wordt geleid.

Kritiek op Saddam Hoessein

Dat neemt niet weg dat de Communisten weigeren deel te nemen aan de bijeenkomsten van de oppositie, omdat ze zich verzetten tegen de bemoeienissen van de VS. Toch spaart de Communistische Partij van Irak ook vandaag haar kritiek op het regime in Bagdad niet. Volgens de secretaris van het Centraal Comité van de CPI, Hamid Majid Moussa, dient Saddam Hoessein paradoxaal genoeg de belangen van de VS: "Sinds Saddam Hoessein aan de macht kwam, heeft hij de VS de gelegenheid gegeven om hun belangen uit te breiden in de regio en de Arabische solidariteit te verpletteren." En hij voegt er aan toe: "Zij die claimen dat het Irakees regime anti-imperialistisch is, laten zich misleiden."(9) Het Irakees ‘middeleeuws’ regime heeft voor een politieke, sociale en economische chaos gezorgd met als gevolg dat de infrastructuur van het land is geruïneerd. Opvallend is dat de CPI veel kritiek heeft op de economische politiek van het regime in Bagdad, die samen met het embargo tegen het land een zware tol heeft geëist van de bevolking. In het politiek verslag van de Nationale Raad van de CPI (juli 1999) staat(10) : "(…) het regime gaat door met het verminderen van publieke investeringen en het afbouwen van de publieke dienstverlening. (…) Ondertussen gaat het (regime) door met zijn privatiseringsbeleid. (…) Omkoperij en corruptie zijn gemeengoed op alle niveau’s van staatsorganen en -instituten, inclusief het gerechtelijk apparaat." Volgens de CPI heeft dit alles geleid tot groeiende sociale ongelijkheid en verslechtering van de levensomstandigheden.

Geen embargo

De CPI verzet zich ook fel tegen het economische embargo waaronder het land sinds het begin van de golfoorlog gebukt gaat. Majeed Moussa : "Het is bewezen dat dergelijke sancties de Saddamkliek niet raken, maar feitelijk helpen in het handhaven van de controle, door zich te verstoppen achter het lijden van de bevolking." Volgens Moussa houdt Saddam Hoessein geld van het olie-voor-voedselprogramma achter. "De Irakese regering gebruikt voedselrantsoeneringen tegen de bevolking door te dreigen hun voedsel af te pakken." De CPI vraagt de onvoorwaardelijke opheffing van de economische sancties en haalt scherp uit naar de VS die "verantwoordelijk zijn voor de vernietigingen veroorzaakt door de Golfoorlog en de onrechtvaardige internationale economische blokkade die 12 jaar geleden werd opgelegd."(11)

De Irakese communisten verzetten zich krachtig tegen de oorlogspolitiek van de VS. "Oorlog en een buitenlandse militaire interventie, of het nu onder het mom van massavernietigingswapens is of ‘regime change’ moet stevig verworpen worden". Oorlog zal verder dood en verderf zaaien, kan geen democratie en vrede brengen voor Irak en zal "de Israëlische leiders in de gelegenheid brengen om nog meer gruwelijkheden te begaan tegen de Palestijnse bevolking."(12) De CPI weigert zich voor de kar van de VS te laten spannen en nam dan ook niet deel aan de ‘oppositieconferentie’ in London eind 2002: de juiste weg om zo een conferentie te houden is via directe consultaties met Irakese patriottische krachten, zonder tussenkomst of patronage van een vreemde mogendheid.(13) Ondanks dit meningsverschil, blijft de partij oproepen tot samenwerking. "Wij hebben het altijd als onze principiële taak beschouwd om van de dictatuur verlost te geraken en een democratisch alternatief op te zetten dat rekening houdt met de wil en de belangen van het volk: een eengemaakt democratisch Irak, waarbinnen de Koerdische kwestie zou opgelost worden op federale basis", aldus Partijleider Moussa.

(Uitpers, nr. 38, 4de jg., februari 2003)

Noten

(1) De historicus Hanna Batatu heeft in the Old Social Classes and Revolutionary Movements of Iraq (princeton University Press, 1978) aan de hand van officiële regeringsstukken een gepoogd zicht te krijgen op de gebeurtenissen van 1963. Hij citeert ook Koning Hussein dat de 8-9 februaricoup gesteund werd van de CIA.Op dat ogenblik werd Baath gezien als een ‘politieke kracht van de toekomst’ en was Amerikaanse steun aan de partijaangewezen tegen ‘Qasim en de communisten’. Zie ook: Marion Farouk-Sluglett and Peter Sluglett. Op.Cit. en Con Coughlin. Saddam. Biografie van een dictator. Utrecht, Het Spectrum/Manteau, 2002.

(2) Marion Farouk-Sluglett en Peter Sluglett, Iraq since 1958. From Revolution to dictatorship, I.B. Tauris & co, Londen, 1990 – zie pagina 152.

(3) Marion Farouk-Sluglett en Peter Sluglett.

(4) Chris Kutchera. De onafhankelijkheidsdroom van de Koerden. Illusie of realiteit? Brussel, Koerdisch Instituut, 1999.

(5) Anfal betekent ‘buit’ en is een verwijzing naar een vers van Soerat VIII van de koran.

(6) Zie voor uitvoerige documentatie over de Anfal: Sabri Cigerli, Les réfugiés Kurdes d’Irak en Turquie. Gaz exodes, camps, Parijs, Editions L’Harmattan, 1998. Voor uitermate gedetailleerde informatie over de massadeportaties onder het Baathregime (vanaf 1975), met tabellen en publicatie van officiële documenten, zie: Ali Babakhan, Les Kurdes d’Irak. Leur histoire et leur déportation par le régime de Saddam Hussein, uitgegeven in Libanon, 1994. Verder is er uiteraard Chris Kutchera, Ibidem.

De Anfal kende acht fases: 1e Anfal van 23 februari tot 19 maart 1988; 2e Anfal van 22 maart tot 1 april; 3e Anfal van 7 april tot 20 april; 4e Anfal van 3 mei tot 8 mei; 5e/6e/7e Anfal van 15 mei tot 26 augustus; 8e Anfal van 26 augustus tot 6 september.

(7) Interview in Kola Al Arab nr 359, 10 juli 1989 geciteerd in Sabri Cigerli. Ibidem

(8) Gesprek met Fakri Kerim op 6 november 1988 te Parijs. Geciteerd in: Chris Kutchera. De onafhankelijkheidsdroom van de Koerden. Illusie of realiteit? Brussel, Koerdisch Instituut, 1999, pag. 77

(9) Interview met Hamid Majeed Moussa in The Morning Star, 29 mei 2001

(10) Political Report. 5th National Council of the Iraqi Communist Party (26 – 28) July 1999.

(11) No to war… No to Dictatorship. Solidarity with the Iraqi People for peace & democracy. Perscommuniqué, 28 september 2002, (zie: http://www.iraqcp.org/)

(12) Ibidem.

(13)The Morning Star, 16 januari 2003

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 59 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook