Nederland na de moord op Theo van Gogh. <br>Heeft Geert Mak een ‘fout boekje’ geschreven?

Geert Mak, ‘Gedoemd tot kwetsbaarheid’, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2005, 95 blz., 5 euro, ISBN 90 450 1382 7.

Bij de jaarwisseling publiceren kranten en tijdschriften graag eindejaarslijstjes. Dit jaar was het niet anders. En heel wat Vlaamse prominenten hadden op de vraag “wat was het beste boek van het jaar?” meteen het antwoord klaar: “In Europa” van de Nederlandse schrijver en journalist Geert Mak. Het boek was niet alleen een absolute bestseller, het was zonder meer oerdegelijk.

Geert Mak heeft inmiddels een kort essay in de boekhandel liggen: “Gedoemd tot kwetsbaarheid”. Het is op miniformaat uitgegeven. De tekst telt 93 pagina’s. Maar zijn Vlaamse bewonderaars, die in het begin van het jaar superlatieven en loftrompetten uit de kast haalden, blijven ijzingwekkend stil. Geert Mak heeft namelijk ‘een fout boekje’ geschreven. Althans, dat is de mening van nogal wat Hollandse recensenten.

Maks essay is twee maanden na verschijning al meer dan 65.000 keer over de toonbank gegaan. In dat geval ligt het een beetje delicaat om een boek dood te zwijgen. De critici van Mak zijn vooral ontstemd over het feit dat de auteur duidelijk stelling inneemt in het verziekte en islamofobe klimaat, waarin Nederland is terechtgekomen na de moord op cineast en racistische vuilbek Theo van Gogh. Geert Mak heeft als Nederlandse intellectueel zijn verantwoordelijkheid opgenomen. Hij roeit moedig tegen de stroom in. En dat ligt niet goed in de markt.

Mak doorprikt de zelfgenoegzaamheid van Nederland dat prat gaat op zijn verdraagzaamheid. “Die heeft weinig te maken met allerlei mooie Verlichtingstheorieën,” merkt hij op, “maar alles met de behoeften van de Nederlandse koopmanssteden.” Ook Nederland is in de ban van de neoliberale vrijemarkteconomie. En als die markt beslist dat de zogeroemde Nederlandse tolerantie niet langer een te koesteren luxeproduct is, mag weldenkend Nederland met enthousiasme andere wegen inslaan: intolerantie, ranzig racisme, demonisering van minderheden. Politieke correctheid is niet langer gewenst. Geert Mak verzet zich in ‘Gedoemd tot kwetsbaarheid’ tegen deze tendens. Het is hem niet in dank afgenomen.

Alle remmen los

Na de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 bleken in Nederland plots de stoppen door te slaan. “In Madrid vielen op 11 maart 2004 bij een fundamentalistische aanslag bijna tweehonderd doden, maar de houding van de pers en de publieke opinie jegens de moslimbevolking bleef opvallend beschaafd,” constateert Geert Mak. “In Nederland gingen in de media en op de websites de kelders open, en de jarenlange opgespaarde vreemdelingenhaat – o, wat waren we altijd politiek correct geweest – spatte naar buiten. In Utrecht, IJsselstein, Groningen, Huizen, Breda, Rotterdam, Uden en Heerenveen werd brand gesticht bij islamitische gebedshuizen en scholen. De wc-deur van mijn buurtcafé stond opeens volgekalkt: ‘Neuk Allah in zijn bips!’”

“De Madrilenen namen na de treinaanslagen met waardigheid het leven weer op. De meeste Nederlanders deden na 2 november hetzelfde, ze wilden en konden ook niet anders, maar in de politiek en de media gebeurde iets anders,” schrijft Geert Mak. “Hier begon een handel in angst, sterker nog er ontstond bijna een verslaving aan angst… Angst leek het centrale element in het Nederlandse wereldbeeld te worden. De ingewikkelde situatie, waarin we ons bevonden, werd voortdurend teruggebracht tot slogans, paniek en halve waarheden. De fractieleider van de liberalen, die iedere maand zijn aanhang verder zag afkalven, beschreef op het partijcongres Nederland als ‘een oord van valse tolerantie, gemakzucht, hypocrisie en lafheid’. Zijn pleidooi voor het terugwinnen van ‘gezag’ en voor ‘een meedogenloze aanpak’ kreeg een staande ovatie. De leider van de sociaal-democraten voorspelde een nieuwe kiezersopstand en sloot een toekomstige regering met de rechts-nationalen (Mak bedoelt de aanhangers van Pim Fortuyn, nvda) niet uit. Terloops plantte hij alvast het mes in de rug van de burgemeester van Amsterdam, een partijgenoot, die de problemen niet hard genoeg zou hebben aangepakt..”

“De voorzitter van de voormalige Fortuynpartij schreef dreigbrieven aan zijn eigen partij en aan zichzelf. Het weekblad HP/De Tijd, dat de immigratiepolitiek al jaren met een frisse kijk benaderde, opperde de mogelijkheid om ‘met razzia’s in schotelantennebuurten’ minimaal vijftigduizend moslimimmigranten op te pakken.”

Mak is niet mals voor de hysterie, waarin de Nederlandse elite en de media zich in het najaar van 2004 wentelden. “Je moet een samenleving vullen met emotie”, riep de liberale fractieleider, en hij werd op zijn wenken bediend. Het moeizame zoeken naar de waarheid telde nauwelijks meer, alles draaide om het opwekken van grootse gevoelens. Meningen gingen de plaats innemen van feiten en op sommige websites werd deze journalistieke houding zelfs nadrukkelijk bepleit als een ‘interessant experiment’. Het gevolg was dat steeds meer kijkers in een schijnwerkelijkheid leefden, een droombestaan dat niet werd gecorrigeerd maar toegejuicht. Als de publieke televisie – de goede uitzonderingen daargelaten – ten doel had het volk in een staat van verwilderde dommigheid te houden, dan gebeurde dat in het najaar van 2004 heel knap.”

Salonfähige Vlaamse Gauleiter

“De publieke televisie, die in andere landen tijdens dergelijke crises vaak een stabiliserende rol vervult, koos in Nederland voor het tegenovergestelde. In de hevige concurrentiestrijd met de commerciëlen telde ieder punt van de kijkcijfers. Dat betekende dat kijkers tot alle prijs moesten worden vastgehouden met emotie en adrenaline.”

Zelfs Vlaanderen mocht zijn politiek uitschot in die dagen naar het woelige Nederland exporteren. Geert Mak vindt het tekenend voor het veranderde klimaat dat Filip Dewinter, de Gauleiter van het Vlaams Blok, met open armen werd ontvangen. In de dagen en weken na de moord op Theo van Gogh leken vele Nederlanders plots verstokte nationalisten. Voor Mak een heel vreemde evolutie. “In Nederland wilde bijna niemand daar iets van weten, ook omdat het “volksnationalisme” dat de Vlamingen beleden, nauwelijks aanhang had. Geen mens drong hier aan op aansluiting met Vlaanderen, omdat daar ook leden wonen van de ‘Nederlandse stam’. Deze manier van denken was de Nederlanders volstrekt vreemd, uitgezonderd misschien een handvol Friezen. Als ons nationalisme al ergens op leek, was het eerder een staatsnationalisme, zoals in Frankrijk…”

“Het was een opvallende ontwikkeling, zeker in een geseculariseerd land als Nederland. Het was dan ook heel goed mogelijk dat dit nieuwe nationalisme slechts een ‘politiek correcte’ vertaling was van dieper liggende onlustgevoelens, die wel degelijk bepaald werden door ‘vreemd’ en ‘ras’. Een indicatie daarvoor,” zo stelt Geert Mak met ongerustheid vast, “was de gedenkwaardige bijeenkomst die in december 2004 plaatsvond in de Rotterdamse Erasmus Universiteit, en waarvan fragmenten door de publieke televisie werden uitgezonden. Opeens werd daar, met een groepje medestanders, de charismatische leider van de Vlaamse ultra-nationalisten als een waardige discussiepartner binnengehaald. Hij sprak, onder veel bijval van een aantal Nederlandse intellectuelen, over de ‘leidcultuur’ die aan ‘de’ moslims moest worden ‘opgelegd’ en prees ‘de goede evolutie’ van het debat in Nederland. Diezelfde voorman verspreidde in het verleden onder andere memoires van de Belgische nazi-leider Léon Degrelle en boeken van de Duitse nazi-ideoloog Alfred Rosenberg.”

“Het was in meerdere opzichten een historisch moment. Allereerst omdat de Vlaamse extremisten nooit eerder zo serieus, met zo veel aandacht en door zulke belangrijke gespreksgenoten in Nederland waren ontvangen. Nooit waren ze hier verder gekomen dan de marge van rechtse splintergroepjes. Nu waren ze opeens, zoals de Duitsers dat noemen, salonfähig. In de tweede plaats werd met deze bijeenkomst voor het eerst openlijk en direct een verbinding gelegd tussen de opkomende nationalistische groepen in Nederland en het ultra-rechtse en nationaal-socialistische erfgoed van de rest van Europa.”

Van Gogh en Ayaan Hirsi Ali

“Hoe kunnen we deze geschiedenis ooit aan onze kleinkinderen vertellen, het verhaal over die laatste maanden van 2004?” vraagt Mak zich in het begin van zijn essay af. “Waar moet ik beginnen? Met onze loeiende welvaart, met de kranten die juichen op de laatste dag van het millennium: ‘Het kan niet op’? Met het gemopper op de politiek, het langzaam toenemende onbehagen, steden die vervreemden en verhardden? Of met het gevoel van gevaar, de intense kou die plotseling ons huis binnendrong op die 2de november?”

“Deze moordenaar, deze Mohammed B. en zijn gedachtegoed vormden een volstrekt nieuw gevaar. Het slachtoffer, aan de andere kant, kenden we maar al te goed.”

“Aanvankelijk waren vooral de joden zijn doelwit,” herinnert Mak zich. “Een joodse schrijfster betichtte hij van ‘vochtige dromen’ over Auschwitz-arts Mengele, later richtte van Gogh zich meer op socialisten en moslims. Over een toenmalige politicus van GroenLinks schreef hij: ‘Mogen de cellen in zijn hoofd zich tot een juichende tumor vormen. Laat ons pissen op zijn graf.’ Moslims werden door hem bij voorkeur aangeduid als geitenneukers’, op zijn website, die als een soort monument op internet bleef staan, kwam de term meer dan vijftig keer voor. In sommige gevallen achtervolgde hij zijn slachtoffers ook persoonlijk met dreigbrieven en intimiderende telefoontjes. Maandelijks loofde hij ‘de gouden tondeuse’ uit voor de grootste ‘landverrader’.” Bij het afscheid van Theo van Gogh “vierden zijn vrienden rondom zijn lijkkist een groot begrafenisfeest, met vooraan twee opgezette geiten ‘voor wie aandrang voelt’”.

Gert Mak: “Ik las dat najaar de Nederlandse kranten vaak half weggekeken, zoals je obsceniteiten wegleest, woorden en beelden die je eigenlijk niet tot je wil laten doordringen.” “’Nederland brandt!’, riepen sommige kranten de ochtend na de moord. De vice-premier liet zich, dankzij een doorzuigende radiojournalist, ontglippen dat het land ‘in oorlog’ verkeerde. De bladen namen de term direct met vette koppen over. Oorlog!”

De Nederlandse moslimfundamentalist (een zoon van Marokkaanse immigranten) Mohammed B. had Theo van Gogh vermoord en tegelijk zware bedreigingen geuit tegen het liberale parlementslid Ayaan Hirsi Ali. Het tweetal had getekend voor de film ‘Submission Part 1’, een bijzonder dubieus anti-islampamflet, dat Geert Mak vergelijkt met ‘Der Ewige Jude’, de beruchte film van nazi-propagandaleider Joseph Goebbels. “Zonder dat de makers dat waarschijnlijk beseften hanteerden ze hetzelfde schema dat Joseph Goebbels in 1940 toepaste in zijn beruchte film ‘Der Ewige Jude’: het tonen van weerzinwekkende beelden van het jodendom, met daarnaast – in dit geval ook nog gefingeerde – citaten uit de talmoed.”

‘Submission Part 1’ is “een gefilmd pamflet niets meer en niets minder, een terechte aanklacht tegen de mishandeling van moslimvrouwen.” “Ayaan Hirsi Ali heeft ettelijke malen benadrukt dat het nooit haar bedoeling was om te suggereren dat alle moslimmannen hun vrouwen slaan. Toch is dat de boodschap die de beeldtaal van haar filmpje verkondigt,” aldus Geert Mak. “De mishandeling van vrouwen wordt in de opeenvolgende scènes telkens weer gekoppeld aan de koran, en aan de ‘rechten’ en ‘plichten’ die moslimmannen daaraan zouden kunnen ontlenen.” Regisseur Theo van Gogh was er zich terdege van bewust dat de film een provocatie was. “Van Gogh was nog duidelijker: het ergste wat hen als makers kon overkomen, zou zijn dat er ‘geen moslim aanstoot aan neemt’.” Mohammed B. en zijn fundamentalistische entourage namen wel degelijk aanstoot aan de film. Met alle gevolgen vandien. De doorsnee moslim in Nederland wist echter nauwelijks van het bestaan van ‘Submission’ af”.

Geert Mak herinnert het zich: “Toen het bestuur van de Marokkaanse moskeevereniging in Amsterdam na de moord op van Gogh een vergadering belegde, bleek geen van de aanwezigen ooit van ‘Submission’ te hebben gehoord, de naam van Gogh was niet of nauwelijks bekend, en niemand had enig idee wat de consequenties van deze schietpartij zouden kunnen zijn.”

‘Politiek correct’: een scheldwoord

Geert Mak beschouwt de tandem van Gogh – Ayaan Hirsi Ali als de epigonen van het nieuwe Nederland, dat trots is op zijn politie ‘incorrectheid’. “Nederland verandert met schokken, dat wisten we zo langzamerhand wel,” schrijft Mak. “In andere landen beweegt de geschiedenis meestal met enige continuïteit, maar hier moeten, zo lijkt het wel, alle lijnen worden doorbroken. Nog maar vier jaar geleden viel het hele land over koningin Beatrix toen ze het waagde toch in Oostenrijk met vakantie te gaan, terwijl daar net rechtse nationalisten in de regering waren opgenomen. Nu waren veel van diezelfde Oostenrijkse ideeën omgesmeed tot officieel Nederlands regeringsbeleid. In de ‘losse’ jaren zestig verwierpen we de verzuilde jaren dertig en vijftig. In de jaren negentig, toen Nederland echt aan het grote consumeren begon en alleen de markt nog telde, sloeg het land de idealistische en ‘politiek correcte’ jaren zestig van zich af. Nu was het tijd voor verdere stappen”.

“In die novembermaand riep het Nederlandse publiek Pim Fortuyn tot ‘grootste Nederlander aller tijden’ uit.”

“Er werden die maanden de raarste dingen geroepen,” weet Geert Mak. Met de grootste stelligheid werd geschreven dat “geen moslim ooit iets nieuws had voortgebracht en nooit enige bijdrage had geleverd aan kunst en wetenschap.” “Zij hadden duidelijk nooit iets gezien van Granada of Istanbul, nooit iets geweten van de wetenschappelijke bloei van de islamitische wereld in de vroege middeleeuwen, nooit iets gehoord over hun metrisch stelsel dat de hele wereld nog altijd gebruikt, nooit beseft dat sommige Griekse en Romeinse klassieken ons alleen zijn overgeleverd dankzij de universiteiten van Bagdad en Sevilla. En al die meningen bleven maar doorrollen, het leek wel of er geen algemene kennis meer bestond om ze nog te stuiten en weg te honen. Zeker twee decennia was het Nederlandse onderwijs – ‘markt!’, ‘cliënt!’ – op het terrein van geschiedenis en andere geesteswetenschappen sterk verwaarloosd. Dat begon merkbaar te worden in het publieke debat.”

“Veel werd er gepraat over de Verlichting, zoals in vroegere eeuwen dromerig werd geschreven over onze Bataafse voorvaders, hoewel daarover in werkelijkheid nauwelijks iets bekend was: zuivere idealen, robuuste helden, vrijheid en gelijkheid voor alle burgers. Een nieuwe term dook ook voortdurend op: Leitkultur, waarmee gedoeld werd op de centrale culturele grondstroom van het land. De fractievoorzitter van de liberalen pleitte voor ‘een hernieuwd patriottisme’, waarbij een verbeterd geschiedenisonderwijs moest dienen om ‘de grondtoon van de natie’ over te dragen. In werkelijkheid hadden dergelijke begrippen niets met de Verlichting te maken, sterker nog, ‘Kultur’ en ‘oorsprong’ waren juist kernbegrippen van de Duitse romantische denkers die de ‘rationele’ Verlichting krachtig verwierpen. Tegelijkertijd leek het wel of bijna iedereen een van de meest essentiële verworvenheden van diezelfde Verlichting had vergeten: de gelijkheid van iedere burger voor de wet, het verbod van willekeur, de universele waarde van de mensenrechten, het systeem van regels en beperkingen dat algemeen wordt aangeduid als de rechtsstaat. De fractievoorzitter van de grootste regeringspartij wilde in de grondwet vastleggen dat grondrechten, zoals het recht op vergadering en vereniging, aan personen konden worden ontnomen die daar ‘misbruik’ van maakten. Ayaan Hirsi Ali stelde in de Kamer voor om bij sollicitaties moslims eruit te lichten en apart te screenen op politieke overtuigingen. De leider van de rechts-nationalen pleitte voor een ruime toepassing van de grondwetsbepalingen die het uitroepen van de uitzonderingstoestand mogelijk maken.” Geert Mak haalt ook de systematische uitholling van het asielrecht aan. “In de praktijk had het land het selectiesysteem voor vluchtelingen vrijwel helemaal gericht op het afweren van zoveel mogelijk nieuwe aanvragers. Irakese vluchtelingen werden bijvoorbeeld rustig teruggestuurd naar de kwellingen van dictator Saddam Hoessein terwijl dat regime door Nederland en zijn bondgenoten tegelijk beschouwd werd als het centrale element in ‘de as van het kwaad’”. “Net als de rechtstaat kreeg ook het begrip ‘vrijheid van meningsuiting’ in het debat een nieuwe inhoud”. “Het ‘recht op belediging’, dat sommigen zich toeeigenden, was het tegendeel daarvan. Het vernederen en discrimineren van minderheidsgroepen kon – en kan – nooit beschouwd worden als ultieme ‘vrijheid van meningsuiting’”. En Geert Mak wijst nog eens op de essentie van de Verlichtingsfilosofie: “De verlichting was een beschavingsoffensief waarmee grenzen konden worden doorbroken, niet een middel om grenzen af te bakenen en andersdenkenden buiten te sluiten. De Verlichting ging uit van ontwikkeling en integratie, niet van confrontatie. Wie dat nog durfde te zeggen hoorde echter, in dat najaar, bij de ‘vijfde colonne’ van ‘softies’ en ‘moslimknuffelaars”

Geert Mak is in de Nederlandse pers neergesabeld omdat hij enkele spijkers met koppen heeft geslagen. HP/De Tijd, het weekblad dat in de onmiddellijke nasleep van de moord op van Gogh kritiekloos één van de leiders van de voormalige Fortuynpartij aan het woord liet met de ijzingwekkend one-liner “het beste voor het land is een goede dictator”, greep naar de vunzigste argumenten om met Mak af te rekenen.. Op 18 februari schreef de recensent met dienst over Maks essay: “Dit is haast een schoolvoorbeeld van het Stockholm-syndroom. Gegijzelden en andere slachtoffers van het terrorisme hebben de neiging de mensen waar zij door bedreigd worden naar de mond te praten.” HP/De Tijd illustreerde tegelijk hoe verziekt het Nederlandse debat (of liever non-debat) op dit ogenblik wel is. De recensent valt over Maks term voor een deel van de Nederlandse journalisten: ‘handelaren in angst’. “Leuke uitdrukking trouwens, ‘handelaren in angst’,” smaalt hij. “Waar komt die eigenlijk vandaan? In Arabische versies van de zogenoemde ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’, een berucht antisemitisch vervalst document uit de negentiende eeuw, worden de joden zo genoemd. Het zal toch niet zo zijn dat Geert Mak die aardige uitdrukking aan de ‘Protocollen’ heeft ontleend?” Met dergelijke jezuïetenstreken wordt vandaag in de ernstige Nederlandse pers aangetoond dat ‘moslimknuffelaar’ Geert Mak “een fout boekje heeft geschreven”.

Het essay ‘Gedoemd tot kwetsbaarheid’ is een essentiële bijdrage tot het maatschappelijk debat over immigratie, uitsluiting, sociale rechtvaardigheid en democratie. In dat debat worden de krijtlijnen steeds meer getekend door extreem-rechts en de goeroes van het neoliberalisme. Ook bij ons is dat zo. Het Vlaams Belang is niet meer van het TV-scherm weg te branden en bijna dagelijks vullen onze kwaliteitskranten een pagina met non-news over Filip Dewinter, Filip De Man en andere grote ‘cultuurfilosofen’ en ‘islamkenners’ van deze neo-fascistische partij. Filip De Man verklaarde op 20 maart in het VRT-programma ‘De Zevende Dag’ dat de islam en de democratie niet ‘compatibel’ zijn. Daarmee herhaalde hij gewoon een stelling die in het begin van de jaren negentig al in de ‘Burgermanifesten’ van Guy Verhofstadt was opgedoken.

“We zullen spijkerhard moeten zijn jegens degenen die onze gemeenschappelijke fundamenten willen vernietigen,” waarschuwt Geert Mak aan het einde van zijn essay. “Maar daarin moeten we precies en zorgvuldig opereren. We zullen onze rechtstaat moeten overeind houden en onze medeburgers moeten verdedigen, niet in de laatste plaats de allerzwaksten: minderheden, allochtone vrouwen en kinderen. We zullen soms pijnlijke maatregelen moeten accepteren, juist om belangrijke en zeldzame kwaliteiten te redden: onze pacificatie, met als nevenproduct onze befaamde tolerantie. We zullen de onverdraagzame islam moeten bestrijden, en tegelijk de humanistische krachten binnen de islam omarmen. En uiteindelijk zullen we naar de bron moeten: de ontworteling, de vernedering, de almaar toenemende woede van de niet-westerse wereld.”

(Uitpers, nr. 63, 6de jg., april 2005)

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel