Nazimisdaden in Limburg, de geheime begraafplaats in Beverlo

Er stonden tientallen vlaggendragers naast me die 6de september. Van de Politieke Gevangenen en Rechthebbenden van het gewest Leopoldsburg, de UIAD-USRA van Noord-Brabant en Limburg, de NSB van Vorst-Laakdal, de Vriendenkring der Politieke Gevangenen van Blankenburg, de Koninklijke Nationale Strijdersbond van Baelen-Wezel, de NVOK van Baelen, de Politieke Gevangenen van Meerhout, de Verbroedering Weerstand van Meerhout, de NSB van Wijer enz. enz. U hebt nog nooit van ze gehoord en kunt zelfs de afkortingen niet thuisbrengen? Ik ook niet. Veel oudere mannen waren het en toen ik aan de jongere kerel naast me de vroeg hoe hij daar terechtkwam, antwoordde hij me dat hij met de op zijn vlag vermelde vereniging niets te maken had maar dat hij zich elk jaar opnieuw vrijmaakte om aanwezig te zijn. Waarop, vraagt u zich af ? Wel, op de jaarlijkse herdenking in het legerkamp van Beverlo, midden in het bos, waar de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog een geheime begraafplaats georganiseerd hadden.

Overigens valt er die 6de september nog wat anders te herdenken, daar in de omgeving. De scholieren van het atheneum van Leopoldsburg leggen dan bloemen neer bij 22 kruisen op een veld vlak bij het station en spreken er teksten uit, waarmee ze herinneren aan wat er daar op 6 september 1944 precies gebeurd is. De nazi’s zijn net uit het nabijgelegen kamp van Beverlo weggetrokken, alle politieke gevangenen en verzetsstrijders zijn op vrije voeten, 22 onder hen krijgen een maaltijd aangeboden in de plaatselijke Brouwerij Leopold. Het noodlot wil dat een groep SS-ers, tien Vlamingen en een Duitser, die de aftocht geblazen hebben uit het bevrijde deel van België – Antwerpen is twee dagen daarvoor bevrijd – Leopoldsburg binnentrekken, op doortocht naar Duitsland. Ze begaan een laatste wandaad: ze maken de 22 af, aan wat nu de Treurgracht heet. De plek waar nu elk jaar zeventienjarigen hulde aan ze brengen. In aanwezigheid van die vele vlaggendragers, die daarna met zijn allen op het appel zijn op de herdenking in het kamp, enkele kilometers verder. 6 september, het is een van die vele gruweldagen uit de periode van de naziterreur, waar een mens bij toeval achter komt.

De geheime graven

Jarenlang heeft Maurice Thysen erop gezwoegd om in kaart te brengen hoe dat juist in elkaar zat met die geheime begraafplaats. Dat is hem grotendeels gelukt. Het monumentale monnikenwerk is te lezen in “De duinen der gefusilleerden”. 203 graven zijn er na de oorlog geteld, één graf was er leeg, 202 lichamen zijn er opgegraven. Lijken van mensen, die de nazi’s na hun executie of gewelddadige dood in het geheim begraven hebben in Beverlo. Twintig stoffelijke overschotten zijn er nooit geïdentificeerd, op 182 kunnen we een naam plakken. Van meer dan honderd onder hen vertelt Maurice Thysen het morbide verhaal, portret na portret.

Het verhaal gaat van start in januari 1942, als de nazi’s drie weerstanders uit de omgeving van Luik in het kamp voor het vuurpeloton brengen. Hun begrafenis in hun eigen gemeente groeit uit tot een dusdanig moment van patriottisme dat de beslissing gauw valt om terechtgestelden voortaan in het kamp zelf te begraven. In een volgende fase vinden ook slachtoffers van de nazipraktijken die ergens anders gefusilleerd zijn daar hun laatste graf. Tenslotte stoppen de nazi’s er alleen nog Limburgers in de grond, nadat ze nog zes andere begraafplaatsen geopend hebben, zoals in Brasschaat, Oostakker en Schaarbeek.

De duinen van de gefusilleerden

De naam die het oord in de volksmond gekregen heeft en die Thysen overneemt als titel voor zijn boek, geeft de bestemming ervan perfect weer. Van de 182 bekende slachtoffers zijn er 168 gefusilleerd, de veertien overigen zijn gestorven aan verwondingen opgelopen bij hun aanhouding. 128 gefusilleerden zijn, op twaalf na, door een Duitse rechtbank veroordeeld voor hun verzetsactiviteiten. De andere veertig vormen een opvallende groep, die van de gijzelaars. Vijf keer worden er in het kamp van Breendonk politieke gevangenen tegen de muur gezet, als vergeldingsmaatregel voor onopgehelderde aanslagen op Duitse militairen en politieagenten of op collaborateurs, en daarna in Beverlo begraven. Dat gebeurt in opdracht van de militaire bevelhebber voor België en Noord-Frankrijk, generaal von Falkenhausen.

Thysen wijst terloops erop hoe de generaal tijdens zijn proces na de oorlog ontkent dat hij gijzelaars dood heeft laten schieten uit weerwraak voor een aanslag op een collaborateur, wat haaks op de waarheid staat. Von Falkenhausen komt daarmee goed weg, hij krijgt twaalf jaar en komt enkele dagen na het vonnis vrij. Onder het bewind van de generaal zijn er 323 gijzelaars terechtgesteld, 240 in België, 83 in Frankrijk.

Bij de eerste groep gijzelaars is Gustave Durard, een gewapend partizaan. Hij is lid van de ABCG, wat officieel staat voor Les Amis bien choisis de Gilly maar onder elkaar noemen ze zich Anti-Boche Club Gillicien. Tragiek levert wrange humor op. Met zijn naam is Martin Gyselaer voorbestemd. Hij krijgt de doodstraf omdat hij clandestien de Luikse editie van de communistische krant Le Drapeau Rouge gedrukt heeft.

Een vader komt na de oorlog zijn gefusilleerde zoon herkennen, drie jaar daarvoor naakt in de grond gestopt, als een hond. Hij ziet de kogelinslagen niet. Terechtgesteld of dood gefolterd, vraagt hij zich af. Een antwoord heeft hij nooit gekregen. Twintig vaders hebben nooit geweten wat er met hun zoon gebeurd is. Tegenwoordig zou DNA-onderzoek dat leed voorkomen.

Het verzet, een rijk palet

De dood met de kogel was het lot van geestelijken en communisten, voormalige weerstanders uit de Eerste Wereldoorlog, industriëlen, arbeiders en ambachtslui, gewone jongens, jonge jongens, dokters, ingenieurs en medewerkers aan de universiteit. Er lagen in Beverlo één Italiaan begraven en twee Britten, bemanningsleden van een Brits legervliegtuig, in mei 1944 neergeschoten nadat het zijn bommen gedropt heeft op een woonwijk in Beverlo in plaats van op het kamp. Een vergissing. In Mortsel kunnen ze daarover meespreken.

Een fascinerend verhaal is dat van twee Poolse joden, Wladek Rakower en Simon Engielszer. Ze maken deel uit van het Brussels Mobiel Korps der Partizanen. De meeste van zijn leden zijn buitenlandse arbeiders en communist, de helft van hen heeft in de jaren dertig in Spanje tegen Franco gevochten. Rakower en Engielszer zijn actief in de eerste compagnie, die bestaat uit Jiddisch sprekende Polen. In augustus 1942, wanneer de politie en de nazi’s in Antwerpen verscheidene razzia’s houden om joden op te pakken voor deportatie, schieten de twee Robert Holzinger in Schaarbeek op straat dood. Holzinger is in de schoot van de Vereniging der Joden in België verantwoordelijk voor de opmaak van een steekkaartenbestand, waarvan de partizanen vermoeden dat de nazi’s het gebruiken voor hun deportatieplannen. Van Engielszer achterhalen de nazi’s nooit wie hij is.

De portretten, die Thysen schetst, zijn zo gevarieerd dat je op die manier een beeld krijgt van de variëteit binnen het verzet én van de durf, de risico’s en de inventiviteit, die sommige weerstanders aan de dag legden. Emile Tromme sturen de Britten na een opleiding in mei 1941 terug naar Vielsalm, waarvan hij afkomstig is, om er in de streek sabotageactiviteiten op te zetten. Hij komt met zijn valscherm niet in de buurt van zijn dorp neer maar dertig kilometer oostelijker, in Duitsland. Gelukkig spreekt hij het Duitse streekdialect en komt hij, met een koe aan de hand, de grens over, weliswaar zonder zender en sabotagemateriaal.

De Limburgse beroepsmilitair Victor Lemmens ontsnapt uit krijgsgevangenschap en trekt via Frankrijk naar het franquistische Spanje, waar hij zes maanden gevangen zit. Via Portugal en Gibraltar komt hij uiteindelijk in Glasgow aan, in Schotland. Na een opleiding sturen de Britten hem terug, met als opdracht om in Kwaadmechelen de sluizen op het Albertkanaal op te blazen. Hij landt in juni 1942 met zijn parachute in de buurt van de Franse grens, waar de nazi’s hem opwachten. Londen had een voorganger laten weten dat Lemmens op komst was maar was niet op de hoogte dat hij met zijn zender in handen van de bezetter gevallen was. Tegenwoordig is elke mobiele telefoon te lokaliseren, toen was dat nattevingerwerk. Zowel Lemmens en Tromme bekopen hun inzet met de dood.

Familiedrama’s

Je wordt er stil van, als je in “De duinen der gefusilleerden” leest hoe het optreden van de nazi’s sommige families decimeert voor hun engagement in de weerstand. Van Jean Mélot uit Namen, begraven in Beverlo, sterven zowel zijn ouders als zijn zus in Duitse kampen, alle drie aangehouden nadat verzetslui zijn oudere broer uit zijn cel bevrijden.

Van de Limburgse broers Edmond en Louis Lambrechts, allebei begraven in Beverlo, sterft er bij een aanval op de gevangenis van Hasselt om hun vader te bevrijden een derde broer, ook begraven in Beverlo. Hun vader komt later bij een aanval van de nazi’s om in de brand van het hoofdkwartier van het Geheim Leger in Zelem.

Van Maurice Snyers, afkomstig uit Beverlo en er begraven op de geheime begraafplaats, sterft de vader in Zweden, een week na het einde van de oorlog, na een verblijf in het kamp van Buchenwald. Zijn moeder sterft enkele maanden later, na haar terugkeer uit de kampen van Ravensbrück en Bergen-Belsen. Zijn oudste zus, zijn broer en zijn schoonzus overleven de kampen. Zijn jongste zus brengt een tijd in de gevangenis door.

Van Louis de Houwer uit Deurne, begraven in Beverlo, worden zijn vrouw en haar ouders op transport gezet naar Auschwitz. Ze komen niet terug. Als er een V-bom op haar huis valt, overleeft zijn moeder haar verwondingen niet.

Breendonk, dat andere kamp

In het onlangs verschenen en op Uitpers besproken “Breendonk, Kroniek van een vergeten kamp”, beschrijft de auteur, de voormalige voorzitter van de Liga voor de Rechten van de Mens, Jos Vander Velpen, hoe in Breendonk in de praktijk het schuim van de maatschappij zijn stempel zet op het dagelijkse leven. Aangezien er hooguit enkele Duitsers op post zijn, zijn de nazi’s verplicht om kampbewakers te selecteren bij de Vlaamse SS. Dat maakte Breendonk zo speciaal. Natuurlijk lag het initiatief bij de nazi’s en was de leiding in handen van Duitsers maar het dagelijkse vuile en soms moordende werk was uitbesteed aan met het nazisme heulende Vlamingen, die hun volksverbondenheid op een onuitgegeven manier vorm gaven. Zij voerden in het fort een terreurbewind, dat van elke graad van menselijkheid gespeend is.

Naast dat gespuis vond je degenen onder de gevangenen, die het tot kameroverste schoppen en van die bevoorrechte positie misbruik maken. Verregaand wangedrag is de regel, persoonlijke verrijking schering en inslag. Ze zijn lang niet allemaal het uitschot van de maatschappij, zeker niet. Onder hen vinden we een jood en iemand die met de communistische brigades in de jaren dertig het Franco-regime in Spanje bestreden heeft.

Ik kan me voorstellen dat Vander Velpen het voornamelijk over die laatste groep had, wanneer hij zich onlangs op de boekvoorstelling afvroeg hoe iemand zo ver kan komen dat hij zich zonder zich veel vragen te stellen inschakelt in een stramien van onmenselijke behandelingen, waarvan marteling, uithongering, ongehoorde vernederingen en vaak de dood integraal deel uitmaken. Zelfs mensen, van wie je ervan uitgaat dat ze door hun afkomst of hun vroegere engagement nooit tot een dergelijk gedrag in staat kunnen zijn. Als Breendonk, het kamp zelf én dit boek, één boodschap meegeven, dan is het zeker : dàt, nie wieder !

Tegelijkertijd besef je, zowel bij een bezoek aan het fort als bij de lectuur van “Breendonk, Kroniek van een vergeten kamp” dat het gevaar om de hoek loert. Zowel omdat onze westerse samenleving tendensen vertoont van verregaande onverdraagzaamheid, autoritair machtsvertoon en misprijzen voor democratische rechten en vrijheden, die van de ene dag op de andere tot ontsporingen kunnen leiden maar ook omdat je merkt hoe makkelijk mensen zich tot werktuig laten maken van verderfelijke opvattingen, die de grondvesten van ons bestel aantasten en ondermijnen.

Vander Velpen heeft ervoor gekozen om zijn verhaal, zeker gezien de afschuwelijke context, relatief sober te brengen en zijn verontwaardiging en diepe ongerustheid te temperen maar niemand kan onbewogen blijven, niet bij een rondgang door en rond het fort, niet bij het lezen van zijn boek.

Slotbedenking

Soortgelijke gedachten schoten me door het hoofd bij de lectuur van “De duinen der gefusilleerden” en de meer dan honderd schrijnende verhalen die het bevat van mensen die hun leven gaven om maatschappelijk onheil te bezweren. “Wie van ons zou vandaag hun voorbeeld durven volgen?” schrijft treffend in een nawoord Peter Schrijvers, conservator van het Liberation Garden museum, dat volgend jaar in Leopoldsburg de deuren opent. Denkvoer, zoals het hele boek van Maurice Thysen. Stap voor stap werpt Vlaanderen licht op zijn oorlogsgeschiedenis. Tegelijk huiveringwekkend en aandoenlijk, ronduit aangrijpend.

De duinen der gefusilleerden
Maurice Thyssen
EPO/Mammoet, Berchem
2021
330, € 29.90
(Visited 193 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Guy Poppe

Guy Poppe (74) is journalist. 31 jaar heeft hij op het radionieuws gewerkt, tot in 2007. Afrika heeft altijd zijn bijzondere aandacht gekregen.