Naar de kern van het zionisme

Sus Van Elzen: In lood gegoten – De Bezige Bij, 2011, Antwerpen, 284 pagina’s. (19,95 euro)

De rode draad doorheen het boek ‘In lood gegoten’, het boek van Sus Van Elzen, is het virulente racisme van de zionistische staat en de dagelijkse terreur tegen de Palestijnen en hun discriminatie in Israël, Gaza en op de Westelijke Jordaanoever. Gegoten lood (Cast lead) is ook de naam van het moorddadig offensief van het Israëlische leger tegen de 1,5 miljoen inwoners van Gaza.

De essentie

Sus Van Elzen is voor zijn boek gaan praten met tientallen joden in Europa, België, Israël en de Verenigde Staten. Hij heeft ook een groot pak literatuur over de zaak doorgenomen. En bovendien is dit niet zijn eerste boek over die kwestie. En dat hij dus amper met bijvoorbeeld Palestijnen of buitenstaanders over de zaak gesproken heeft vormt dan ook geen probleem. ‘In lood gegoten’ is een stevig historisch werk met een zeer sterke analytische onderbouw. Een must voor wie Israël en het zionisme zowel in zijn historische context als in zijn huidige toestand wil leren kennen.

De essentie van de problemen waar het hedendaagse zionisme mee zit is terug te vinden in een citaat uit het van 1896 daterende boek ‘Der Judenstaat’ van Theodor Herzl, de geestelijke vader van het zionisme. Die schreef toen:

We shall try to spirit the penniless [Arab] population across the border by procuring
employment for it in the transit countries, while denying it any employment in our own
country…Both the process of expropriation and the removal of the poor must be carried out
discreetly and circumspectly.” (Wij zullen trachten de arme Arabische bevolking weg te drijven naar transitlanden door er daar voor hen werk te zoeken en hen gelijktijdig in ons land werk te ontzeggen. Zowel het proces van het onteigenen als het doen verhuizen van die armen dient wel discreet en omzichtig te gebeuren.)

Het is een cruciaal citaat dat spijtig genoeg ontbreekt in dit boek maar dat het toenmalig en ook huidig probleem van het zionisme aantoont. Herzl wist dus al in 1896, toen het zionisme organisatorisch nog vorm moest krijgen, waar het knelpunt lag. Het toont dat de etnische zuiveringen in Palestina toen al gepland werden.

In wezen draait het beleid van Israël en de zionisten sinds toen rond deze kwestie. Het was de reden waarom men in 1948 die terreur op Deir Yassin losliet en er voldoende publiciteit rond maakte. Het joeg de meeste Palestijnen uit schrik weg en dat wou men bereiken. Maar zoals de in het boek geciteerde historicus en ultrazionist Benny Morris stelt beging men een zware fout daar men ze toen in 1948 allemaal had moeten wegjagen.

Richting uiterst rechts

Sus Van Elzen schetst de evolutie van de Israëlische politiek en noemt het geen verassing dat uiterst rechtse figuren als Avigdor Lieberman en Benjamin Netanyahu nu het beleid bepalen. Ze passen voor hem perfect in de huidige evolutie van Israël richting uiterst rechts. Ook beschrijft hij op een bijna perfecte wijze de ruzies binnen het vroege zionisme tussen David Ben-Gurion (alias David Grün), de stichter en vormgever van de zionistische heilstaat, en Vladimir (Zeev) Jabotinsky, de man van de rechterzijde uit de beginnende zionistische politiek.

Zoals hij terecht analyseert was er in wezen geen verschil tussen beiden. Alleen het woordgebruik en de timing der uitspraken verschilden. Jabotinsky riep openlijk op tot geweld tegen de Palestijnen, Ben-Gurion deed dat soort uitspraken niet maar trad wel keihard op. Ben-Gurion was gewoon te doortrapt om zijn echte bedoelingen publiek te uiten. Jabotinsky flapte het eruit.

Zo vertelt Sus Van Elzen over de verjaging op 12 en 13 juli 1948 van de 50.000 inwoners van de Palestijnse stadjes Lydda en Ramleh. Het was het werk van brigadecommandant Yitzhak Rabin, de zogenaamde vredesapostel. Volgens diens hier geciteerde memoires ging hij vooraf aan Ben-Gurion vragen wat hij moest doen. En die zegde geen woord maar maakte volgens Rabin alleen met zijn arm een wegvegend gebaar. Voldoende voor Rabin.

Dat op papier zetten of zelfs uitspreken was niet voor een perfide figuur als David Ben-Gurion. Het doet denken aan de Amerikaanse gangster Al Capone die ook nooit tegen zijn bendeleden zegde dat ze iemand moesten vermoorden. Men moest een probleem oplossen en het nodige doen, dat was zijn boodschap. Ook Hitler zette het bevel voor de Holocaust trouwens nooit op papier. Zo gaat dat.

De mythes doorprikt

Het boek is sterk in het doorprikken van de vele mythes o.a. rond de diplomatie waarin het zionisme zo sterk is. Zo is er het verhaal van de stichting van Israël dat zo mooi beschreven werd door Leon Uris. Het was dat van de zwakke maar dappere zionistische milities die ondanks alle tegenspoed en alleen dankzij hun heldhaftig gedrag wisten stand te houden tegen die vele miljoenen Arabieren en hun machtige legers.

Onzin, stelt van Elzen. Zo werden de twee sterkste Arabische legers, het Egyptische en het Jordaanse, toen geleid door Britse generaals en waren de andere legers niet eens het vernoemen waard. De Zionisten hadden bijvoorbeeld meer vliegtuigen en zware wapens dan de verzamelde rest.

En bovendien werd, schrijft Van Elzen, er door Israël toen zeer vals gespeeld. Zo maakt hij melding van de onthulling in 1988 door de Israëlische historicus Avi Shlaim dat Golda Meir, de latere Israëlische premier, op 17 november namens de nog op te richten zionistische staat een geheim akkoord had gesloten met koning Abdullah van toen nog Transjordanië over de verdeling van de Palestijnse buit. Het Jordaanse leger, toen het sterkste binnen die vermeende Arabische coalitie, werkte dus bij haar inval in tandem met de zionistische milities.

In wezen is het zionisme een nationalisme als elk ander. Nationalisme heeft behoefte aan mythevorming gewoon om zichzelf aanvaardbaar te maken. En zoals elk nationalisme vertrekt men van het eigen grote gelijk en het nog grotere ongelijk van de anderen. Het streven door zionisten naar een zuiver joodse staat is hier gewoon een uitvloeisel van. Bovendien stond in de periode rond 1896 het kolonialisme in zijn zenit en werden de inwoners van die nieuwe kolonies in de meeste gevallen toen amper als mensen beschouwd. Het waren ‘dingen’ waar men mee kon doen wat men wou. Leefden negers niet zoals apen in bomen?

Dat zionistische Europese joden in 1896 dus hun stuk kolonie opeisten verbaasde gezien de tijdsgeest amper. Er zat logica in. En uiteraard zien zionisten de joden altijd als het grote slachtoffer van de geschiedenis wanneer of waar ook. Het doet denken aan het kaakslagflamingantisme hier.

En steevast zien zij zichzelf ook als de betere, het door god gekozen volk, de mensen met veel Nobelprijzen die neerkijken op de Goyim, de niet-joden. Sus Van Elzen maakt hierbij ook melding van de herhaalde oproepen van rabbijn Ovadia Yosef om alle Arabieren, toch Semieten, uit te roeien. Ovadia Yosef is de geestelijke leider van Shas, de religieuze partij die al decennia deel uitmaakt van de Israëlische regering. Een machtig man dus. Geen enkel voornaam Israëlisch politicus die hem hiervoor ooit tot de orde riep.

Hoe zou de reactie zijn moest een iman oproepen tot de uitroeiing van alle joden? Men kan zich de enorme heisa zo inbeelden maar in het geval van Shas en Ovadia Yosef wordt het in onze kranten praktisch niet vermeld. Lucas Catherine citeert in zijn eveneens recent gepubliceerd boek ‘De Israëllobby’ daarbij ook de tekst van een bladwijzer die in gebruik was in een van die joodse Antwerpse scholen. “Wat niet joods is, is het vuil van de wereld,” stond er op die bladwijzer in het Hebreeuws. Goyim zijn voor veel zionisten dan ook een te mijden minderwaardig volk. Het is een houding die typerend is voor in wezen alle nationalistische bewegingen die ’hun volk’ bijna per definitie zien als slimmer, eerlijker, dapper, enz…

Naar een zuiver joodse staat

Het groot dilemma van het zionisme is volgens Sus Van Elzen dat van de bevolkingsevolutie. Waarbij hij de demografische studie van Sergio Della Pergola aanhaalt, die stelt dat met Gaza en de Westelijke Jordaanoever erbij Israël nu evenveel joden als niet-joden telt. Wat in Israël als een groot gevaar, een ramp wordt gezien. Het verklaart mogelijks waarom men Gaza en haar 1,5 miljoen inwoners plots dumpte in een soort niemandsland, een super gevangenis.

Maar de Palestijnse bevolking blijft sneller groeien dan de joodse, en het reservoir aan mogelijke joodse immigranten is feitelijk definitief leeggezogen. Het zionisme zit volgens Van Elzen dus met een groot probleem waar het geen weg mee weet. Zeker nu het voor bijna iedereen in Israël en binnen de joodse gemeenschap duidelijk is dat zoiets als een zionistische heilstaat niet bestaat. Wat veel joden Israël doet verlaten.

En ook nu weer zegt de Israëlische rechterzijde wat anderen denken en willen doen: Israël zuiveren van alle niet-joden. Maar dat gaat niet zo simpel. Met als vraag of Israël op termijn een echte democratische staat wordt waar iedereen gelijk is, een apartheidsstaat à la Zuid-Afrika of een zuivere Joodse staat. Het tweede is de realiteit en het laatste is duidelijk de wens van de huidige ultrarechtse Israëlische regering en mogelijks ook van de andere politici. Mensen die in de traditie van Ben-Gurion echter liever zwijgen.

Een opmerking over het boek betreffende Iran. Van Elzen lijkt te denken dat Iran aan een atoomwapen werkt. Voor die stelling is echter niet het minste bewijs, integendeel want alle elementen wijzen in de andere richting. Het verhaal van de Iraanse atoombom is in wezen een door Israël verspreidde fantasie die men gebruikt om zo tegen het land gemakkelijker een keiharde economische oorlog te kunnen voeren. Het verhaal is bijna een kopie van dat van de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein. Was er bij die laatste wel enige aanwijzing – hij had ze nu eenmaal wel ooit gebruikt – dan is dit in het geval van Iran echter zelfs geheel onbestaande.

Wat is joods zijn

Een tweede opmerking betreft het schrijven van Jood en niet van jood, zonder hoofdletter dus. Jood zijn is echter een kwestie van geloofsovertuiging en geboren zijn uit joodse ouders. Het is zoals met christen en moslims waar men ook geen hoofdletter gebruikt. Men wordt met dit geloof geboren en men sterft ermee. Soms betekent het veel maar veelal is dit geloof alleen schijn, een naamgeving. Een traditie, niets meer.

Christenen worden veelal christelijk begraven, trouwen soms voor de kerk en laten hun kinderen meestal dopen. Daar blijft het bij. Pas als men zich bewust laat bekeren tot een ander geloof wordt men naar gelang de keuze jood, christen of moslim. Zo was de Nederlandse filosoof Benedictus de Spinoza een christen van joodse origine. Hij was als Baruch Spinoza geboren uit joodse ouders maar had zich laten kerstenen en werd dus christen. Baruch werd Benedictus. Juist zoals de Britse zanger Cat Stevens tegenwoordig door het leven gaat als Yusuf Islam en dus moslim werd. Jood met een hoofdletter schrijven zou betekenen dat het hier over een etnische groep gaat. Een zoveelste zionistische mythe die Sus Van Elzen trouwens onderuit haalt.

(Uitpers nr. 134, 13de jg., september 2011)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel