Na de arrestatie van de Venezolaanse leider Nicolás Maduro en de dood van de Iraanse opperleider Ali Khamenei bij een militaire aanval, heeft VS-president Donald Trump laten doorschemeren dat Cuba zijn volgende doelwit zou kunnen zijn. In het presidentieel decreet van 26 januari 2026 verklaarde hij dat Cuba “een ongebruikelijke en buitengewone bedreiging” vormt voor de nationale veiligheid van de VS, verwijzend naar de banden met vijandige actoren zoals Rusland. Het decreet autoriseerde ook de invoering van importheffingen op goederen uit derde landen die olie aan Cuba verkopen of leveren – een maatregel waarvan Cubaanse leiders waarschuwden dat deze de economie van het land verder onder druk zou zetten.
Het decreet kwam enkele weken nadat de regering-Trump had aangekondigd de controle over de Venezolaanse olie-export over te nemen en de leveringen stop te zetten. Venezuela is van oudsher een belangrijke olieleverancier voor Cuba, en de verandering dwong de Cubaanse regering noodmaatregelen te nemen om het brandstoftekort aan te pakken tijdens wat experts de ergste economische en energiecrisis van het eiland in decennia noemen.
Na de Amerikaanse afzetting van Maduro, die de Cubaanse president Díaz-Canel veroordeelde, zei Trump: “Cuba zal een onderwerp zijn waar we het uiteindelijk over zullen hebben, want Cuba is momenteel een falende natie.” Zijn Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio, de zoon van Cubaanse ballingen en een uitgesproken criticus van de Cubaanse regering, is het daar duidelijk mee eens. Maar toch leek Trump het idee van directe interventie in Cuba te ontwijken. Op 4 januari 2026 zei hij tegen journalisten: “Ik denk dat het vanzelf wel instort. Ik denk niet dat we actie hoeven te ondernemen.”
De retoriek van Trump is de afgelopen maanden echter verhard. Eind februari, een dag voordat hij de oorlog tegen Iran begon, opperde Trump het idee van een “vriendelijke overname” van Cuba. En op 16 maart vertelde Trump aan verslaggevers in het Witte Huis: “Ik geloof dat ik de eer zal hebben om Cuba over te nemen.”
Terwijl Amerikaanse en Cubaanse functionarissen onderhandelen over de verslechterende situatie op Cuba, probeert de regering-Trump naar verluidt Miguel Díaz-Canel als president af te zetten zonder aan te dringen op een bredere regimeverandering of actie tegen leden van de Castro familie. — (Recent, op 14 mei, is de Cubaanse leider Raúl Castro evenwel aangeklaagd) — In zijn bekende ‘bully’-stijl beweerde Trump in maart: “Cuba overnemen. Ik bedoel, of ik het nu bevrijd of overneem. Ik denk dat ik alles kan doen wat ik wil … Ze zijn momenteel een erg verzwakte natie.”
“We zullen er altijd naar streven oorlog te vermijden,” zei Díaz-Canel in een zeldzaam interview met Newsweek begin april. “We zullen altijd werken aan vrede. Maar als er militaire agressie plaatsvindt, zullen we terugslaan, zullen we vechten, zullen we onszelf verdedigen, en mochten we in de strijd sneuvelen, dan is sterven voor het vaderland leven.” Díaz-Canel zei in hetzelfde interview ook dat het vinden van een uitweg uit de diplomatieke impasse tussen de twee landen “moeilijk” is. “Dit is een asymmetrische relatie tussen Cuba en de Verenigde Staten,” zei Díaz-Canel, “de Verenigde Staten hebben altijd de rol van agressor gespeeld, en het kleine eiland Cuba is altijd de natie en het land geweest dat onder deze agressie heeft geleden.”
Rusland en China
Zonder Trump bij naam te noemen, reageerde Rusland op wat het beschouwde als “een kunstmatig aangewakkerde sfeer van confrontatie” in Cuba en herbevestigde het zijn steun aan de Caribische natie. “We uiten onze ernstige bezorgdheid over de escalatie van de spanningen rond Cuba en de toenemende externe druk op het Eiland van de Vrijheid,” aldus het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken in een verklaring op 17 maart. “We veroordelen ten zeerste pogingen tot grove inmenging in de interne aangelegenheden van een soevereine staat, intimidatie en het gebruik van onwettige, unilaterale beperkende maatregelen.”
Het Russische ministerie voegde eraan toe dat Cuba’s “ongekende uitdagingen” “een direct gevolg” waren van de Amerikaanse actie tegen het eiland en dat Rusland “Cuba de nodige steun zal blijven bieden, inclusief materiële hulp”.
De betrekkingen tussen Cuba en Rusland zijn sterk sinds de Cubaanse revolutie van 1959. De academici Armando Chaguaceda en Cesar Santos schrijven in het Center for European Policy Analysis (CEPA) dat de situatie in Cuba nu zorgwekkend is voor Rusland, omdat het regime in Havana “het Kremlin serieuze steun biedt bij zijn werk voor wereldwijd illiberalisme”. Lavrov ontmoette zijn Cubaanse tegenpool eind januari nog in Moskou. De populaire Russische politieke commentator Ruslan Pankratov schreef in januari in de Moskovskij Komsomolets dat “de val van Cuba door het mondiale Zuiden zou worden gezien als het definitieve bewijs van het onvermogen van Rusland, China of wie dan ook om te functioneren als een alternatief machtscentrum”. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika zal iedereen één simpel ding begrijpen: samenwerken met ‘multipolariteit’ is riskant omdat het zijn bondgenoten niet kan beschermen tegen Amerikaanse druk. Zover is het evenwel voorlopig nog niet.
Het BRICS-platform, opgericht door Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika, heeft Cuba in januari 2025 officieel als geassocieerd lid opgenomen. Zodoende kon de Cubaanse minister van Buitenlandse Zaken, Bruno Rodríguez, op 14 mei 2026 tijdens de BRICS-top de dreiging van directe militaire agressie en de energieblokkade die de Verenigde Staten tegen zijn land hebben ingesteld, met de nodige ruggesteun van andere BRICS-leden, veroordelen. Ook o.a. Mexico, en Canada bieden hulp. “Canada staat de bevolking van Cuba bij in deze moeilijke tijd. Onze steun zal rechtstreeks worden geleverd aan de meest kwetsbaren om te voorzien in de dringende behoefte aan voedsel en voeding en om onmiddellijke verlichting te bieden,” stelde Randeep Sarai, de Canadese minister van Internationale Ontwikkeling.
En ook China laat zich niet onbetuigd. China was, na Venezuela, Cuba’s tweede grootste handelspartner. Een grootschalige ‘zonne-energierevolutie’, gesteund door China breidt zich nu uit over het eiland, meldt CNN. De import van Chinese zonnepanelen en batterijen is het afgelopen jaar fors gestegen, van ongeveer 3 miljoen dollar in 2023 naar 117 miljoen dollar in 2025. Cuba en China werken dus samen aan een ambitieus nationaal project voor hernieuwbare energie, gericht op de bouw van 92 zonneparken tegen 2028. De Cubaanse president Miguel Díaz-Canel opende het eerste zonnepark in februari 2025 en er zijn er nu ongeveer 50 online, verspreid over het eiland. Hernieuwbare energie is nu goed voor ongeveer 10% van de elektriciteitsproductie in Cuba, een stijging ten opzichte van ongeveer 3% in 2024.
Humanitaire crisis
Door de Amerikaanse olieblokkade blijft Cuba evenwel verstoken van brandstof, waardoor 10 miljoen mensen in het land in een steeds dieper wordende humanitaire crisis terecht zijn gekomen. Stroomuitval is al gebruikelijk op het eiland, maar de recente brandstoftekorten hebben geleid tot wijdverspreide en ingrijpende stroomonderbrekingen, de ergste in decennia. In maart alleen is het nationale elektriciteitsnet van Cuba tot driemaal ingestort. Door deze stroomuitval moesten ziekenhuizen hun activiteiten staken en scholen en bedrijven sluiten. Tekorten aan kookgas, benzine en diesel hebben ook het transport, de voedselvoorziening en zelfs de waterpompen, die op diesel werken, onder druk gezet. Cubanen beschrijven hoe ze te maken krijgen met stroomstoringen, waarbij ze zich haasten om te koken, de was te doen en hun apparaten op te laden, terwijl voedsel – als ze het zich al kunnen veroorloven – snel bederft wanneer de koelkasten zonder stroom komen te zitten. In de straten stapelen zich afval en rottend voedsel op, omdat het brandstoftekort de afvalinzameling zwaar belast en de hitte en muggen zonder elektrische ventilatoren ondraaglijk zijn geworden. De energiecrisis heeft bovendien geleid tot een torenhoge inflatie, inclusief stijgende voedselprijzen, en een snel devaluerende Cubaanse peso.
Reeds in februari noemden de Verenigde Naties Trumps brandstofblokkade onwettig en stelden dat deze “het recht van het Cubaanse volk op ontwikkeling belemmert en hun rechten op voedsel, onderwijs, gezondheid, water en sanitaire voorzieningen ondermijnt.”
De Cubaanse mensenrechtengroep Cubalex, die zich richt op Cubaanse ballingen, meldde dat het aantal protesten of uitingen van verzet op het eiland is gestegen van 30 in januari naar 229 in maart.
Volgens Reuters zijn er op 13 en 14 mei grootscheepse protesten uitgebroken. Honderden boze Cubanen stroomden de straten op in verschillende volkswijken, blokkeerden wegen met brandende stapels afval, sloegen op potten en pannen, en riepen “Doe de lichten aan!” en ¡El pueblo, unido, jamás será vencido! (“Het volk, verenigd, zal nooit verslagen worden!”).
“De Cubaanse revolutie tart de Monroe-doctrine”
De relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba is al decennia gespannen geweest. Dit komt nogmaals uitvoerig aan bod in het in 2024 gepubliceerde boek “On Cuba. Reflections on 70 years of revolution and struggle” van Noam Chomsky en Vijay Prashad. Om elke twijfel over hun sympathieën weg te nemen, hebben Chomsky en Prashad een kort voorwoord van de Cubaanse president Miguel Díaz-Canel opgenomen. Hij prijst de auteurs voor hun “kenmerkende moed, eerlijkheid en eruditie” in hun analyse van Cuba.
Het boek maakt gebruik van vrijgegeven documenten die onomstotelijk aantonen dat de Amerikaanse vijandigheid jegens Cuba sinds 1959, die onder meer een invasie via tussenpersonen, terrorisme, moordaanslagen en psychologische en economische oorlogsvoering omvat, weinig te maken heeft met de daadwerkelijke of vermeende mensenrechtenschendingen en het autoritarisme in Cuba. Chomsky en Prashad citeren bijvoorbeeld uit een rapport van de Policy Planning Council van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken uit 1964: “Het simpele feit is dat Castro een succesvol verzet tegen de Verenigde Staten vertegenwoordigt, een ontkenning van ons hele beleid ten aanzien van het westelijk halfrond van bijna anderhalve eeuw.” Vervolgens merken ze terecht op: “De datering is vrijwel exact. Het verwijst naar de Monroe-doctrine van 1823. De Cubaanse revolutie tart de Monroe-doctrine.”
De auteurs laten zien hoe de VS Cuba sinds de oprichting in 1776 als een virtuele kolonie hebben behandeld. Ze citeren Theodor Roosevelts toespraak tot het Congres in 1904, waarin hij benadrukte dat als landen het waagden om de “orde niet te handhaven” of “hun schulden niet te betalen”, de VS militair zouden ingrijpen. Dit werd het Big Stick-beleid, dat de Amerikaanse overheersing beschouwde als een morele noodzaak. Cuba’s verzet wekte in de VS altijd de angst op dat andere landen hun eigen onafhankelijkheid zouden nastreven, iets wat nooit mocht gebeuren. De auteurs noemen veertien voorbeelden van Amerikaanse interventies in Latijns-Amerika in een periode van acht jaar, van 1906 tot 1914.
De auteurs verwijzen naar vele terloopse bedreigingen aan het adres van Cuba door de geschiedenis heen. Zo zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Alexander Haig in 1981: “Geef het me maar en ik maak van dat verdomde eiland een parkeerplaats.” Nadat Cuba de bevrijdingsstrijders in Angola had gesteund die zich verzetten tegen de apartheid in Zuid-Afrika, zei minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger: “We moeten ze vernederen” en “als we besluiten militaire macht in te zetten, moet het lukken. Er mogen geen halve maatregelen zijn.” Uit documenten blijkt dat president Reagan in de jaren 80 een militaire interventie overwoog. Het is duidelijk dat de afwezigheid van verzet en de volledige autoriteit van de VS “het begin en einde van hun buitenlands beleid” vormen.
De auteurs beschrijven omstandig hoe de Amerikaanse regering vanaf dag één besloot dat ze “alle mogelijke middelen” moest gebruiken om “het economische leven van Cuba te verzwakken”. In 1960 definieerde de Amerikaanse ambassadeur Philip Bonsal, bij zijn vertrek uit het land, het beleid van de VS “met zijn Latijns-Amerikaanse en NAVO-bondgenoten” als “aanscherping van economische sancties, massale toename van democratische propaganda, versterking en aanmoediging van de Cubaanse oppositie en beëindiging van de diplomatieke betrekkingen”.
Wat nooit werd uitgelegd, was de geheime actie die onmiddellijk na de overwinning van de Revolutie begon. De auteurs beschrijven hoe de Britse regering had ingestemd met de verkoop van wapens aan Cuba, maar dat dit vervolgens werd afgeblazen nadat CIA-chef Allen Dulles duidelijk had gemaakt dat “het de Cubanen ertoe zou kunnen dwingen om de Sovjets om wapens te vragen”. Zo’n stap, merkte Dulles op, “zou een enorm effect hebben” en Washington in staat stellen Cuba af te schilderen als een veiligheidsdreiging voor het hele continent.
De auteurs bespreken de invasie in de Varkensbaai, Operatie Mongoose, de Cubaanse raketcrisis, door de CIA georganiseerde terroristische aanslagen die bedoeld waren om “een openlijke opstand en omverwerping van het communistische regime” te bespoedigen, en andere pogingen tot staatsgreep. Hun analyse van Haïti en Cuba maakt duidelijk dat als de VS erin geslaagd waren de Cubaanse revolutie na 1959 omver te werpen, het lot van Cuba vandaag de dag dat van Haïti zou weerspiegelen.
Chomsky en Prashad betogen dat de hardline Cubaans-Amerikaanse lobby en haar buitensporige invloed op de verkiezingspolitiek in Florida, samen met de geografische nabijheid van Cuba, de belangrijkste redenen zijn waarom het Amerikaanse beleid ten opzichte van Cuba versteend blijft (behalve tijdens Obama’s tweede termijn), zelfs na het einde van de Koude Oorlog.
Ze bespreken ook het defensiedocument van het Strategisch Commando uit het Clinton-tijdperk, waarnaar Chomsky verwijst als de ‘gekkentheorie’. Daarin stond: “Dat de VS irrationeel en wraakzuchtig kunnen worden als hun vitale belangen worden aangevallen, zou deel moeten uitmaken van het nationale imago dat we uitstralen… Het is gunstig (voor onze strategische positie) als sommige elementen mogelijk buiten controle lijken te zijn.”
Het agressieve beleid van de VS is niet alleen te wijten aan een afkeer van Cuba, maar maakt deel uit van een buitenlandse beleidsdoctrine die wordt toegepast waar de Amerikaanse hegemonie wordt betwist, stellen de auteurs. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen hebben alle middelen ingezet om dergelijke tegenstand te stoppen – van boetes door het Office of Foreign Asset Control en het plaatsen van landen op de lijst van staten die terrorisme steunen, tot de illegale financiering van contrarevolutionaire terroristische groeperingen en het leger.
Het boek herinnert ons eraan dat Biden als presidentskandidaat in zijn eerste termijn beloofde “de mislukte Trump-politiek die het Cubaanse volk schade heeft berokkend, onmiddellijk terug te draaien”. Tot op heden is er geen verklaring gegeven waarom hij die belofte heeft gebroken. Hij slaagde er niet alleen niet in om de schandalige classificatie van Cuba als staat die terrorisme steunt op te heffen, maar stond ook toe dat een kwaadaardige socialemediacampagne vanuit Florida in 2021 probeerde de Cubaanse regering omver te werpen.
Chomsky en Prashad bundelen een schat aan feiten en argumenten die je niet in de reguliere media zult vinden. Ze leggen de wraakzucht van het Amerikaanse beleid jegens Cuba bloot, puur omdat het land Washington trotseerde en durfde te vechten voor een alternatief socialistisch model, dat ondanks zijn moeilijkheden en de blokkade een solide basis heeft. Ze schrijven: “We kennen geen ander geval in de wereldgeschiedenis, van een klein land dat praktisch wordt opgeslokt door de machtigste staat ter wereld, die het probeert te vernietigen, maar er toch in slaagt te overleven – en niet alleen te overleven, maar op vele manieren zelfs succesvol te zijn.”
Voor besprekingen van “On Cuba”, zie hier en hier. Mikael Wolfe, universitair hoofddocent geschiedenis aan de Stanford University, meent dat “hoewel deze scherpe kritiek op het Amerikaanse beleid terecht is, deed de summiere analyse van de interne dynamiek van het Cubaanse socialisme in het boek me afvragen of een meer accurate titel niet ‘Over het Amerikaanse imperialisme ten opzichte van Cuba’ zou zijn. Een diepere analyse van de interne ontwikkelingen in Cuba had de conclusies van de auteurs wellicht verrijkt”. Maar, tegelijk erkent hij ook dat “De auteurs prijzen terecht Cuba’s indrukwekkende prestaties op het gebied van sociale ontwikkeling en internationale solidariteit, zoals de uitzending van soldaten om de apartheid in zuidelijk Afrika te bestrijden en artsen op missies naar achterstandsgebieden in vele landen (waaronder veel rijkere landen). De Verenigde Staten hebben zich fel tegen deze solidariteitsmissies verzet.”

