Moskou’s "nabije buitenland" wordt kleiner

Maar wat is er van het Gos, het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, geworden? Na de implosie van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR), hoopte Moskou dat Rusland met het eind 1991 opgerichte Gos zijn invloed in de vroegere republieken van die USSR zou kunnen behouden. Moskou beschouwde die republieken als zijn “nabije buitenland”, zijn natuurlijke invloedssfeer. Het rekende erop dat het Westen dat zou erkennen. Maar Ruslands invloed in dat “nabije buitenland” wordt met de dag kleiner en het kan daar weinig tegen doen.

In de zomer van 1991 spatten de Sovjet-Unie en het Sovjetsysteem onverwachts uit elkaar. Voor verscheidene Sovjetrepublieken kwam de onafhankelijkheid min of meer uit de lucht vallen. Er waren wel sterke onafhankelijkheidsbewegingen in de Baltische staten en Georgië, maar elders waren die eerder beperkt.

Estland, Letland, Litouwen en Georgië waren reeds vóór de zomer van 1991 virtueel onafhankelijk, daar had de repressie – met doden – de nationale bewegingen alleen maar versterkt en die onafhankelijkheid bespoedigd. Er waren ook wel nationale bewegingen in Oekraïne, Moldavië, Azerbeidzjan, Armenië, maar die hadden niet dezelfde mobilisatiekracht. In de andere republieken was dat nog minder het geval.

Daar kwam nog bij dat in de meeste nieuwe staten leden van de oude nomenklatura het roer in handen hielden. Moskou rekende ook een beetje op die “klassensolidariteit” onder oud-apparatsjiks. Maar veel van die oudgedienden werden, soms in één etmaal, nationalistische voorvechters. Onder hen Leonid Kravtsjoek, tot dan leider van de Oekraïense communisten, die zich tot vaandeldrager van de Oekraïense onafhankelijkheid ontpopte. Of Edward Sjevardnadze, tot dan de nummer drie van de communistische partij van de Sovjet-Unie en zes jaar minister van Buitenlandse Zaken, die na een kort intermezzo een groot Georgisch nationalist werd – als Georgisch partijleider had hij nationalisten doen opsluiten. En Geidar Aliëv, chef van Azerbeidzjaanse KGB en vice-premier van de Sovjetregering, die ook al na een tussenpauze de nationalistische leider van Azerbeidzjan werd.

Ontrouw

Bij al die personen had het etiket weinig belang. Als kopstukken van de nomenklatura hadden ze alleen hun eigen belangen te vrijwaren, en dat konden ze in het nieuwe (kapitalistische) systeem en de nieuwe staten veel beter. Het Gos stelde in hun ogen niet veel voor.

Moskou werd bruusk wakker in september 1994, toen de Azerbeidzjaanse president Aliëv met een westers olieconsortium een akkoord sloot voor de ontginning van olievelden in het Azerbeidzjaanse deel van de Kaspische Zee.

De ontnuchtering was groot, een gewezen kopstuk van het Sovjetsysteem dat al snel een van de beste vrienden van Washington werd. Ineens kreeg de controle over de pijpleiding vanuit Azerbeidzjan naar de Russische oliehaven Novorossiisk groter strategisch belang. En daar die leiding door het opstandige Tsjetsjenië liep, wou Moskou dat gebied weer onder zijn controle brengen.

Drukkingmiddelen?

De Russische machthebbers dachten toen nog enkele sterke drukkingmiddelen in handen te hebben om hun invloed in het “nabije buitenland” te handhaven. Er waren de economische banden tussen de diverse republieken die niet zomaar konden worden omgegooid. Een groot deel van de Oekraïense industriële productie ging bij voorbeeld naar Rusland, productie waarvoor er in het Westen weinig potentiële klanten waren. Moskou rekende ook op zijn sterke positie als energieleverancier om het “nabije buitenland” onder druk te zetten. Soms, als Kiev ook maar overwoog iets te doen dat Moskou niet zinde, oordeelde het dat de pijpleiding die olie vanuit Kazachstan via Rusland naar Oekraïne bracht, ineens moest nagekeken worden. Moskou aarzelde dus niet om zijn buren met het olie- en gaswapen te chanteren.

Het Kremlin rekende ook op zijn militaire macht om invloed te bewaren. De nieuwe staten kregen ineens duizenden kilometer onbewaakte grenzen in een regio met groeiende onrust. Tadzjikistan deed een beroep op Russische troepen om zijn grens met Afghanistan te bewaken, Armenië zag in Russische troepen in Transkaukasië een mogelijke bondgenoot tegen de Turkse vijand, ook die in Azerbeidzjan. Bovendien dacht Moskoud dat het met militaire middelen nog altijd kon intimideren. Het Russische leger in de oostelijke strook van Moldavië steunde er de separatistische republiek Transdnjestrië met zijn Slavische meerderheid, de Russische troepen in Georgië waren een onrechtstreekse steun voor het separatisme van Abchazië en Zuid-Ossetië.

De diplomatie sloot daarbij aan: in het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan trachtte Moskou de twee tegen elkaar uit te spelen, maar uiteindelijk trok Azerbeidzjan volledig de Amerikaanse kaart, terwijl de sterke Armeense lobby in de VS Washington voor de Armeense kar spande, waardoor Moskou er nog weinig aan te pas kwam. De pogingen om in Georgië de bemiddelende voogd te spelen tussen Tbilisi en de afscheidingsbewegingen haalde al evenmin iets uit. Overal groeide de indruk dat Moskou liefst van al de conflicten bevroor om zelf een ‘pax russica’ te kunnen opleggen.

Moskou dacht ook een troef te hebben met de aanwezigheid van belangrijke Russische minderheden in het nabije buitenland. In verscheidene republieken vormden Russen de kaders van economie en administratie. Moskou dacht vooral via die Russische minderheden druk te kunnen uitoefenen. In Oekraïne en Kazachstan vormden Russen in een deel van het land bij voorbeeld de meerderheid.

Misrekeningen

Moskou heeft zich op alle vlakken misrekend. In Europa zagen gewezen Sovjetrepublieken hoe de staten van Centraal-Europa en de Balkan die vroeger bij de Comecon (het “economisch samenwerkingsverband van de Sovjetwereld”) er in enkele jaren tijd in slaagden hun handelsverkeer om te buigen. Hoe gewezen Sovjetrepublieken, namelijk de drie Baltische staten, zelfs tot de Europese Unie konden toetreden. In minder dan tien jaar slonk de handel tussen gewezen Sovjetrepublieken in percentage aanzienlijk. In Oekraïne, dat zo afhankelijk werd geacht, slonk de handel met Rusland tot 30 % van het totaal. Bovendien was Rusland zelf in grote mate afhankelijk van dat nabije buitenland. Daar het Gos niet veel voorstelde, trachtte Moskou die economische relaties in nieuwe verbanden te ordenen, maar ook die stelden uiteindelijk niet veel voor.

Ook de energiechantage werkt steeds minder. Onder impuls van westerse energiebelangen, werden er nieuwe lijnen uitgetekend. Om de olie uit de Kaspische Zee en het gebied er rond niet langer via Rusland te moeten laten passeren, werd de pijpleiding Bakoe-Tbilisi-Ceyhan (BTC) bedacht. Niet alleen bedacht, later dit jaar werd deze pijpleiding vanuit Azerbeidzjan door Georgië naar de Turkse haven Ceyhan geopend. Oliekringen noemen dat “de meeste politieke pijpleiding van de wereld”. Want de aanleg ervan is zeer duur, terwijl het veel goedkoper kan via Rusland of nog goedkoper via Iran. Die olieleiding wordt later gedubbeld door een aardgasleiding. De bedoeling is zo snel mogelijk ook olie en aardgas uit Centraal-Azië via deze leidingen te laten lopen.

Alsof dat nog niet volstond, wordt nu ook de in 1997 opgerichte samenwerking tussen Georgië, Oekraïne, Oezbekistan, Azerbeidzjan en Moldavië nieuw leven ingeblazen. Het is de bedoeling om olie uit de Kaspische Zee en Centraal-Azië via Georgië, de Zwarte Zee en Oekraïne naar Noord- en West-Europese markten te brengen. De pijpleiding in Oekraïne van Odessa naar Brody zou worden doorgetrokken tot de raffinaderij in het Poolse Lodz en verder tot de Poolse haven Gdansk, poort naar Noord-Europa. Er liggen ook talrijke andere plannen ter studie, waaronder pijpleidingen door Roemenië en Hongarije.

De militaire troefkaart stelt ook niet veel voor. Na de aanslagen van 11 september 2001 hoopte het Kremlin tot een strategisch partnerschap met Washington te komen in de “strijd tegen het internationaal terrorisme”. Moskou had er ogenschijnlijk geen problemen mee dat Amerikaanse troepen basissen in de gewezen Sovjetrepublieken van Centraal-Azië betrokken. De aanwezigheid van Amerikaanse militaire instructeurs in Georgië lag wel wat moeilijker. Maar ja, ze waren daar officieel ook om de Tsjetsjeense rebellen te helpen bestrijden…Druk uit Moskou om de militaire banden tussen die staten en Rusland aan te halen, gaf weinig resultaat. Bovendien dreef de aanwezigheid van Russische troepen in gebieden als Abchazië en Transdnjestrië de regeringen van Georgië en Moldavië nog meer in westers vaarwater.

Ook aan de aanwezigheid van Russische minderheden had Moskou steeds minder. Veel van die Russen trokken naar Rusland. Ze voelden zich niet langer thuis in landen waar onder meer taalwetten hen tot integratie dwongen en waar de economische toestand nog veel erger was dan in Rusland zelf. Trouwens, niet alleen Russen trokken naar Rusland. Uit gans Transkaukasië, uit Moldavië en Oekraïne zijn naar schatting enkele miljoenen niet-Russen naar Rusland gegaan omdat de kans op werk daar zeker de jongste jaren groter is dan in eigen land. In Rusland zelf zijn die mensen, samen met de miljoen niet-Russen die er al woonden, vaak slachtoffer van een groeiende xenofobie, vaak aangewakkerd door lokale autoriteiten.

Intussen gaat de kennis van het Russisch bij de jongere generaties van het “nabije buitenland” teloor, zodat het Russisch minder en minder een lingua franca binnen de vroegere Sovjetwereld is.

Nog ontrouw

Na de implosie van de Sovjet-Unie hoopten de Russische leiders dat het Westen zijn militaire allianties en uitgaven ging afbouwen, misschien zelfs dat de Nato zou worden ontbonden. De Westerse leiders steunden de “hervormers” (de organisatoren van de nepprivatiseringen) wel van ganser harte, maar de Nato werd niet ontbonden, wel uitgebreid. Eerst kwamen er landen bij die tot 1989 in Moskou’s invloedszone zaten, later zelfs gewezen Sovjetrepublieken. De militaire uitgaven van de VS daalden helmaal niet, integendeel. Onder George W. Bush werden zelfs enkele afspraken, zoals het ABM-verdrag, opgezegd.

Dat veranderde niet na 11 september 2001.

Met de aanloop tot de oorlog in Irak besefte de Russische president Poetin maar al te goed dat er van een “strategisch partnerschap” geen sprake was. Toen hij zag dat enkele oliebaronnen, onder wie Chodorkovsky van Joekos, dan nog een parallelle diplomatie voerden om Moskou op de Amerikaanse lijn te brengen, zag Poetin het gevaar dat Washington zijn (Poetins) gezag van binnenuit ondermijnde.

Met de gebeurtenissen in Georgië, Oekraïne en Kirgizië bestaat er voor Poetin geen twijfel meer: Washington wil zijn invloed over het ganse “nabije buitenland” uitstrekken, de rivaliteit tussen Rusland en de VS kan in deze regio’s alleen maar toenemen. De “revoluties” in die landen hebben in de eerste plaats te maken met het opgekropte verzet tegen de plunderende machthebbers, maar Amerikaanse kringen hebben alleszins een flink handje toegestoken om die regimes te doen vallen.

Uit democratische bekommernis? Waarom dan niet in bij voorbeeld Azerbeidzjan waar de machthebbers allesbehalve democraten zijn, maar wel goede vrienden van de VS. Op 3 maart werd in Bakoe een kritische journalist vermoord, Elmar Goeseinov, werkzaam voor ‘Monitor’ waarin hij artikels over de corruptie van de clan Aliëv publiceerde. Een jonge opposant is in de gevangenis in verdachte omstandigheden overleden. Maar wie maalt erom, buiten de symbolische Raad van Europa. De aard van de regimes doet er voor Washington niet toe, als ze maar “bevriend” zijn, met andere woorden de economische en politieke belangen van de VS behartigen.

Risico’s voor Poetin

Poetin heeft weinig keuze. Hij heeft immers niet veel drukkingmiddelen in handen om Ruslands invloed in het “nabije buitenland” te handhaven. Hij tracht dan maar van de nood een deugd te maken en ook na de machtswissels normale relaties met die staten te behouden. Hij staat dus zwak in de toenemende rivaliteitstrijd met Washington, iets wat hem vooral in eigen land, waar men rekende op een herstel van Ruslands prestige in de wereld, zuur kan opbreken. Dat enkele West-Europese leiders – Chirac, Schröder, Zapatero – hem een helpende hand toesteken door hem op hun vergaderingen uit te nodigen, is in die omstandigheden een magere troost.

(Uitpers, nr. 63, 6de jg., april 2005)

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 62 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook