Moskou en Peking niet langer meegaand

Zowel Rusland als China hadden zich in de aanloop tot de oorlog tegen Irak, meegaand getoond. Ze hadden geen enkel probleem met resolutie 1441, in het verlengde van hun meegaande houding ten tijde van de oorlog tegen Joegoslavië. Maar nu voelen zowel Moskou als Peking zich door het Bush-bewind zwaar bedrogen. Beide aasden ze op belangrijke tegenprestaties, maar dat bleek een illusie.

De Russische president Vladimir Poetin was er na de aanslagen van 11 september als de kippen bij om zich bij de grote anti-terreurcoalitie van collega George W. Bush aan te sluiten. Poetin wees erop dat hij met zijn oorlog in Tsjetsjenië al lang de strijd tegen het internationaal terrorisme aanbond. Met dat argument heeft Washington nimmer problemen gehad. Ook Bush’ voorganger, Bill Clinton steunde de Russische koloniale oorlog tegen Tsjetsjenië.

Poetin rekende erop dat de Amerikanen in ruil zijn beperkte ambities zouden steunen. Naast de onschendbaarheid van de Russische Federatie, wou hij ook dat Washington de Russische invloed in zijn «nabije buitenland » (Oekraïne, Transkaukasië, Centraal-Azië) zou erkennen en de belangen van de Russische oliemaatschappijen in die regio’s zou respecteren.

Poetin mocht bij de exclusieve club van de G (nu 8), maar op alle andere vlakken kwam hij bedrogen uit. Hij kreeg wel bezoek van Bush die hem alle lof toezwaaide en zelfs zei dat hij de ziel van Poetin had gezien.

Maar in Moskou groeide niet alleen in legerkringen het ongenoegen over het uitblijven van tastbare resultaten. Integendeel, steeds meer regimes uit Centraal-Azië en Transkaukasië papten aan met Washington. Meer zelfs, met de oorlog in Afghanistan kregen de Amerikanen van drie landen in Centraal-Azië toestemming om er militaire basissen te vestigen die allesbehalve tijdelijk zijn. Kort daarop arriveerden er ook Amerikaanse militairen in Georgië om te «helpen tegen het terrorisme ».

Poetin dacht aanvankelijk dat hij in de diplomatieke slag rond Irak een en ander kon binnenhalen. In hun ijver om stemmen in de Veiligheidsraad van de VN te kopen, zwaaiden de Amerikanen met allerlei beloften, onder meer inzake olie. Verscheidene Russische oliebaronnen oefenden druk uit op het Kremlin om een solide pro-Amerikaanse koers te volgen, zij koesteren immers de hoop dat ze een strategische leverancier van de VS kunnen worden. Maar ook zij konden niet ontkennen dat Washington tot dan toe zijn vorige beloften niet was nagekomen. Het begin van de werken aan de oliepijpleiding die olie uit het Azerbeidzjaans deel van de Kaspische Zee naar Turkije moet brengen, was eind jaar voor velen een ontnuchtering.

Moskou stelde enkele concrete eisen in ruil voor de versoepeling van zijn houding in de Veiligheidsraad. Daaronder een garantie dat na de verovering van Irak de Iraakse schulden aan Rusland (minstens acht miljard dollar) worden betaald, dat de gedane en geplande Russische investeringen in de Iraakse oliesector worden gerespecteerd en dat de olieprijs na de oorlog niet onder de 18 dollar zakt – de Russische financiën danken hun herstel van de voorbije drie jaar aan de hoge olieprijzen op de wereldmarkt.

Voor Poetin was er veel aan gelegen. Het Russisch vetorecht in de Veiligheidsraad is nog een van de weinige instrumenten om Rusland op wereldvlak meer dan een figurantenrol te laten spelen. Het is een middeltje tegen een unipolaire wereld onder Amerikaanse dominantie. Maar de hardnekkigheid waarmee Washington op de oorlog afstevende, maakte ook Poetin duidelijk dat hij zich illusies heeft gemaakt, de huidige Amerikaanse regering ziet niets in een wereld waarin naast de supermacht andere landen nog de status van grote mogendheid zouden hebben, zelfs niet op regionaal vlak.

Moskou heeft wel niet zelf de kastanjes uit het vuur gehaald, dat werd overgelaten aan Frankrijk. Maar de Russische diplomatie was maar al te blij zich bij het Frans-Duitse standpunt te kunnen aansluiten. Deze "as" van de afwijzing kan in Russische ogen belangrijk worden om te beletten dat de Amerikaanse dominantie onbegrensd is. "De toekomstige wereldorde staat op het spel", zei minister van Buitenlandse Zaken Igor Ivanov sprekend over de aanval op Irak.

Ivanov had een jaar geleden nog zijn "olie-diplomatie" geroemd als het middel om van Rusland weer een wereldmacht te maken – met de zegen van Washington. Hij voelt zich nu wel erg in het kruis getast. "Het gaat niet alleen om het lot van Irak, maar ook over de internationale betrekkingen en dat voor een lange periode". Dat is natuurlijk een evidentie, maar het weerspiegelt het diepe wantrouwen dat Moskou nu tegenover het Amerikaans bewind koestert.

De Russische houding stoot dan weer op onbegrip in Washington waar Poetins meegaandheid als een verworvenheid werd beschouwd. Toen Moskou wat lastig deed, oordeelde Washington dat dit tot het diplomatieke spel hoorde om het onderste uit de kan te krijgen. In zijn arrogantie besefte Bush zelfs niet dat hij op de ziel van Poetin had getrapt.

China voelt zich gekneld

De Chinese diplomatie bleef in de aanloop tot de oorlog wel erg discreet. Washington ging ervan uit dat China al te veel te verliezen heeft bij spanningen in een regio waar het niet zoveel verloren heeft. China had zich na 11 september aangesloten bij de "campagne tegen het internationaal terrorisme". De relaties met de VS waren wel niet geworden wat Jiang Zemin had verhoopt, namelijk een ‘strategisch partnerschap’ waarin de belangen van China als regionale grootmacht zouden worden erkend. Maar China kreeg de Olympische Zomerspelen van 2008 toegewezen en kon toetreden tot de WTO.

Peking zit echter al jaren met het probleem dat er in Washington drukkingsgroepen zijn om China, de grote rivaal op lange termijn, zoveel mogelijk in te perken, het zogenaamde ‘containment’. Er was op 7 mei 1999 al het Amerikaans bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado geweest – de Amerikaanse uitleg dat het een vergissing was door oude kaarten klonk bijzonder ongeloofwaardig, het leek veeleer een bewuste provocatie. De plannen voor een Amerikaans rakettenschild in dat deel van de wereld bezorgen China kippenvel. Japan werkt militair steeds nauwer samen met de VS. De Amerikanen hebben van de Afghaanse oorlog gebruik gemaakt om militaire basissen te vestigen ten westen van China (Centraal-Azië), een gebied waarop China op termijn rekent voor zijn energievoorziening.

De voorstanders van de containment-politiek hebben in Washington de wind in de zeilen. In het op 30 september 2001 bekendgemaakte rapport over strategie wordt het Verre Oosten op termijn de belangrijkste regio voor de Amerikaanse belangen genoemd. Intussen stuurde Washington ook militairen naar de Filipijnen, in de buurt van de Spratley-eilanden die China bezet en die door andere landen worden opgeëist. "De VS misbruiken de strijd tegen het terrorisme om de wereld te domineren", constateerde de Chinese generaal Fu Quanyou begin 2002.

Met de aanloop tot de oorlog is het voor Peking nog duidelijker geworden dat de VS in hun wereldbeeld weinig ruimte laten aan anderen, zeker niet aan China, dat op termijn immers de grote rivaal kan worden. Bovendien heeft de spanning rond Noord-Korea Peking intussen diets gemaakt dat het zelfs in de eigen regio bij ernstige crisissen nauwelijks aan bod komt.

China had de jongste jaren zijn ambities al flink beperkt. Maar zelfs de beperkte regionale ambitie komt door de expansiepolitiek van het Amerikaans imperialisme zwaar in het gedrang, containment wordt meer en meer synoniem van omsingeling. De aanloop tot de aanval op Irak heeft China de kans geboden om, zij het ook al weer discreet, op de kar van Fransen en Russen te springen. De strenge bewoordingen waarmee Peking vanaf de eerste dagen van de oorlog de Amerikaans-Britse agressie veroordeelt, tonen aan dat ook Peking hoopt op een gecoördineerde weerstand tegen het Amerikaans imperialisme.

(Uitpers, nr. 41, 4de jg., april 2003)

Deel dit artikel

Visited 122 Times, 1 Visit today

Tags :
Freddy De Pauw

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws – over trends in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.

zie ook