“Moqtada al-Sadr vertolkt mening meerderheid van Irakezen” (Pierre-Jean Luizard)

In Irak waren de voorbije maanden zeer gewelddadig. Met verzet niet alleen van de Arabische soennieten, maar ook voor de sjiieten die banden gaan aanknopen zijn met de soennieten. Dat brengt de Koerden in Irak, die de bondgenoten van de Amerikanen zijn, in een politiek isolement. Een interview over dit alles metIrak-kenner Pierre-Jean Luzard, die onderzoeker is aan het Institut de recherche sur les sociétés contemporaines (IRESCO) in Parijs.

Welke evolutie heeft de sjiitische gemeenschap het voorbije jaar gekend?

De houding van de sjiitische gemeenschap tijdens de oorlog die een einde maakte aan het regime van Saddam Hoessein was zeer ambigu. De sjiieten waren er immers vrij algemeen van overtuigd dat de Iraakse gemeenschap, na de mislukking van de intifada van februari-maart 1991 die uitbrak na de Iraakse nederlaag in Koeweit, niet meer de kracht had Saddam Hoessein te verslaan. Voor hen was er geen alternatief voor een internationale interventie. De enige macht op international niveau die daar toe in staat was, was paradoxaal genoeg dezelfde macht die Saddam Hoessein vele jaren lang gesteund had.

De Koerden en de sjiieten waren het Amerikaanse verraad van 1991 niet vergeten. De sjiieten waren ook niet vergeten dat er in de jaren 1980, tijdens de oorlog tussen Iran en Irak, een alliantie bestond tussen de Verenigde Staten en het regime van Saddam Hoessein. Maar men was wanhopig na de oorlogen, de repressie en de tien jaren van embargo, die heel wat ellende en verdeeldheid meebrachten en vele leiders in ballingschap dreef.

De sjiitische gemeenschap en de religieuze leiders in de heilige steden zoals Nadjaf namen dezelfde houding aan als de Koerden: ze zegden niet officieel dat ze een oorlog wilden omdat het moeilijk is te verklaren dat men wil dat zijn land door een vreemde natie zou worden aangevallen, maar ze deden niets om de buitenlandse interventie te voorkomen in de hoop dat die interventie een einde zou maken aan een politiek systeem dat de sjiieten en de Koerden uitsloot.

De sjiieten en de Koerden waren de grote uitgeslotenen in het politieke systeem dat in 1920 werd opgezet door de Britse koloniale mogendheid. De uitsluiting van de Koerden begon vanaf 1925 toen de provincie Mossoel bij Irak werd gevoegd. Het is paradoxaal dat dezelfde koloniale mogendheid in 2003 het politieke systeem ten val bracht dat het zelf had opgericht in de jaren ’20 van de vorige eeuw en dat van de Arabisch-soennitische elite de geprivilegieerde bondgenoot had gemaakt.

De voorbije maanden heeft een deel van de sjiitische beweging zich aangesloten bij het gewapend verzet. Kan u de diversiteit binnen de sjiitische beweging beschrijven: Moqtada al-Sadr, Ali al-Sistani, Abdelaziz al-Hakim, Ahmed Chalabi. Wie is wie en hoe verklaart u dat een deel van hen bij het gewapend verzet ging?

Om dat te begrijpen, moeten we teruggaan in de geschiedenis en de politiek-religieuze houding van de sjiitische leiders, van de marja’iyya – een soort Vaticaan van de sjiieten – proberen te begrijpen. Zij zijn de religieuze autoriteiten van de sjiieten en spreken voor de hele sjiitische gemeenschap in de wereld, voor de sjiieten in Irak, in Iran, in Libanon, Afrika, India, Pakistan, Afghanistan. Het is een collectief leiderschap, ook al is ayatollah al-Sistani de belangrijkste leider. Tijdens de oorlog gaf al-Sistani blijk van de dubbelzinnigheid van de meeste sjiieten: hij riep niet op tot een jihad tegen de Amerikanen. Dat was een historische gebeurtenis. Traditioneel stonden de sjiieten op de eerste rij in de strijd tegen het kolonialisme. Voor de eerste keer riepen ze niet op tot verzet tegen een westers leger dat Irak binnenviel, ze vroegen de sjiieten er niet aan deel te nemen. Kort gezegd, dat betekent dat de sjiitische leiders hun geloofsgenoten opriepen thuis te blijven en af te wachten. Dus een soort neutraliteit te bewaren.

Wat wilde ayatollah al-Sistani? Zeker niet de val van een regime bewenen dat een nachtmerrie was voor de sjiieten en ten tweede trachten uit te vinden wat de bedoelingen van de Amerikanen waren. De Amerikaanse bedoelingen waren in het begin nogal wazig. De dag na de val van het Saddam-regime hadden de VS de keuze tussen twee grote opties. De eerste was het ancien regime te herstellen, dit wil zeggen een soort Saddam-regime zonder Saddam installeren door de soennitische overheersing voort te zetten via de recyclage van de verslagen Republikeinse garde en van de infrastructuur van de Baath-partij. Maar de VS zagen zeer snel in dat dit tot een enorme verontwaardiging zou leiden onder drievierden van de bevolking: de sjiieten en de Koerden. Ze begrepen snel dat ze een zeer duidelijk standpunt moesten innemen om niet de steun van de Koerden en van de sjiieten te verliezen. Die keuze werd in juni 2003 gemaakt en hield in dat men de steun zocht van de voormalige oppositie tegen Saddam: de Koerden en de sjiieten.

De Amerikanen vroegen de sjiitische leiders in ballingschap om terug te keren naar Irak. Sjiitische politieke leiders keerden terug uit het Westen, en, zoals Abdelaziz al-Hakim, uit Iran. Ook de Communistische Partij, die door de Amerikanen wordt beschouwd als niet-religieuze sjiitische partij, kwam terug. Allen hadden zij in het verzet tegen Saddam Hoessein gestaan, maar ook tegen het westers kolonialisme. Niettemin gaven zij hun steun aan de heropbouw van Irak onder Amerikaanse controle, dus in een context van vreemde bezetting, wat zonder voorgaande is, omdat de sjiieten traditioneel degenen zijn die elke buitenlandse dominantie afwijzen.

 

De voorbije maanden hebben er zich kortsluitingen voorgedaan?

Dat gebeurde niet onmiddellijk. In juli 2003 werd er een Iraakse overgangsregering gevormd. Alle politieke krachten die zich tegen Saddam Hoessein hadden verzet nemen er aan deel, ook de sjiitische groepen. Leden van deze groepen, die opgevoed werden in de ideologie van Khomeini in Iran, werden minister in een door de Amerikanen benoemde regering. En de Badr-brigades van al-Hakim, die bewapend werden door Iran en in feite de gewapende arm van Iran in Irak zijn, helpen, onder de auspiciën van de Amerikanen, de regering bij de heropbouw.

Moqtada al-Sadr is een jonge geestelijke zonder religieuze legitimiteit. Zijn legitimiteit komt voort uit de moord op zijn vader, een ayatollah die door het regime van Saddam Hoessein werd vermoord. Maar hij vertegenwoordigt een belangrijk deel van de Irakezen die niet in ballingschap waren in de VS, zoals Chalabi, of in Iran, zoals al-Hakim. Al-Sadr wil dat er geluisterd wordt naar degenen die in Irak bleven. Vele Irakezen hebben geen vertrouwen in de sjiitische leiders die van buiten uit komen. Al-Sadr heeft dus een belangrijke achterban.

Moqtada al-Sadr vertegenwoordigt niet enkel de Irakezen van binnen in, maar hij vertegenwoordigt ook al degenen die menen dat het proces van heropbouw onder Amerikaanse controle een mislukking is – en zij vormen nu de meerderheid van de bevolking. De volgelingen van al-Sadr werden ook uitgesloten uit de regeringsraad. Maar die uitsluiting is een goede zaak voor al-Sadr omdat hij niet kan worden beschuldigd van collaboratie met de bezettingsstrijdkrachten. Daardoor kan hij relaties kweken met de Arabisch-soennitische bevolking. Het verzet in Irak is opgezet door degenen die nu uitgesloten zijn door het huidige politieke systeem: de Arabisch-soennitische bevolking en een deel van de sjiieten.

De evolutie van een belangrijk deel van de sjiitische beweging naar de gewapende strijd van al-Sadr werd gestimuleerd door de Amerikanen. Dezen gingen in maart en april in het offensief tegen de aanhangers van al-Sadr en tegen de Arabisch-soennitische beweging, tegen Fallujah, in het vooruitzicht van de machtsoverdracht op 30 juni – een datum die niet zal worden gerespecteerd. Na het herstel van de soevereiniteit zal het voor hen immers veel moeilijker zijn in actie te komen tegen de uitgeslotenen.

Dat heeft de Amerikanen in een moeilijk parket gebracht. Zij wilden al-Sadr verslaan, maar de Amerikanen onderschatten de steun bij het volk voor al-Sadr. Ook al heeft al-Sadr geen zeer grote aanhang bij de Irakezen, hij zegt openlijk wat iedereen denkt: dat het politiek proces een mislukking is. De Amerikanen misrekenden zich wat betreft Fallujah omdat ze zeer weinig weten van Irak en zijn inwoners. Fallujah is een stad van 300.000 inwoners met een sterk gemeenschapsgevoel, die niet denkt aan overgave.

Hoe reageerden de andere sjiitische leiders – al-Hakim, al-Sistani – op het gewapend verzet van al-Sadr?

Toen de aanhang van al-Sadr sterker en sterker werd, raakten de sjiitische religieuze leiders zoals al-Sistani en de politieke leiders zoals al-Hakim en Chalabi in eeen impasse. Geen enkele sjiiet kan immers zijn zegen geven aan de schending van de heilige plaatsen door de Amerikanen noch aan een aanval van de Amerikanen tegen de activisten van al-Sadr of tegen al-Sadr zelf. Ayatollah al-Sistani begreep dit zeer snel. Dat bleek uit het feit dat hij al zeer snel het proces van heropbouw begon te bekritiseren.

In de huidige krachtsverhoudingen kan al-Sistani geen Amerikaans offensief tegen Moqtada al-Sadr steunen. Hij is er zelfs toe verplicht al-Sadr bescherming te bieden in de heilige plaatsen, ook al weet iedereen dat er in het geheim wordt onderhandeld met als doel al-Sadr te doen vertrekken uit de heilige plaatsen om Nadjaf het lot van Fallujah te besparen.

Maar al-Sadr staat in een sterke positie omdat hij niet betrokken is in het proces van heropbouw, dat gedoemd is te mislukken. Vandaag heeft hij de steun van de meerderheid van de Iraakse sjiieten en zitten de andere sjiitische leiders in een politieke impasse.

Ik denk dat de cruciale vraag in Irak is hoe de eenheid van het land kan worden bewaard, hoe iedereen, afgezien van zijn communautaire gevoelens, burgerrechten kan krijgen zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de drie belangrijke componenten van de Iraakse identiteit: de Arabische, de islamitische (soennitische en sjiitische) en de Koerdische.

Volgens mij zouden de Koerden moeten proberen een nieuw soort coëxistentiecontract te sluiten met de andere gemeenschappen in Irak. Dat zou beter zijn dan een onderdeel zijn van een buitenlandse macht, de Amerikaanse, die echter niet voor altijd in Irak zal blijven.

Ik geloof dat het beter is voor de Koerden een goed partnerschap af te sluiten met de andere Iraakse politieke oppositiekrachten in plaats van "cavalier seul" te spelen, want dat stimuleert de anti-Koerdische gevoelens. In Bagdad voelde ik onlangs sterke anti-Koerdische gevoelens onder de Arabieren. Zij zeggen dat de Koerden nu aan de macht zijn. De milities van Barzani en van Talabani hebben de machtsposities in Bagdad in handen. Voorheen bestonden die anti-Koerdische gevoelens niet. Onder Saddam beschouwde iedereen zich als slachtoffer van het regime.

Vandaag is er een nieuwe beschermde nomenclatura in de groene zone in Bagdad, waar de Koerdische leiders verblijven in grote villa’s met zwembaden, die ze kregen van de Amerikanen. Ze leven in bunkers, afgeschermd van de Iraakse maatschappij. Het is spijtig te zien dat een oppositie die zo veel te lijden had onder het regime van Saddam Hoessein vandaag in beschermde bunkers in de hoofdstad leeft, onder de bescherming van een buitenlandse macht.

Ik denk dat de Iraakse grondwet van 1958 geen al te slecht voorbeeld is. In die grondwet werd voor het eerst erkend dat Irak geen Arabische staat is, maar een staat gebaseerd op het partnerschap tussen twee naties, de Arabische en de Koerdische en dat is het beste perspectief voor de Koerden. Het betekent dat het Koerdisch, samen met het Arabisch, een officiële taal wordt, niet enkel in Koerdisch gebied maar in heel Irak. De Koerden kunnen hun partijen, media en onderwijs in het Koerdisch hebben, niet alleen in Koerdistan maar ook in Bagdad en in andere regio’s waar ze in de minderheid zijn. Dat voorkomt dat er een etnische grens wordt gebouwd.

(Uitpers, nr. 54, 5de jg., juni 2004)

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :