Moord in Burundi

Toen ik in 2011 het boek “De moord op Rwagasore, de Burundese Lumumba” publiceerde, schreef ik : “Net als bij het lot dat Lumumba ondergaan heeft, is België evenmin vrij te pleiten wat de dood van Rwagasore betreft…  Ook in het geval van Rwagasore is er een – grotendeels niet uitgespitte – Belgische connectie. Hoe dan ook is er sprake van verantwoordelijkheid of betrokkenheid, zonder dat ik me goed genoeg geplaatst voel om daarbij het juiste adjectief te zetten. Zeker is dat het gerecht tekortschiet in de onderzoeksdadendie het stelt of vooral niét stelt. Zo toetst het een schat aan informatie over de achtergrond van de moord niet op zijn waarheidsgehalte. Je kunt er niet aan voorbij dat de Burundese justitie, op dat moment volledig in Belgische handen , alles wat Belgen impliceert, het doet er niet toe of ze in het moederland dan wel in Burundi actief zijn, zorgvuldig toedekt. En er zijn te veel aanwijzingen om er zomaar vanuit te gaan dat al die sporen nergens naartoe geleid zouden hebben.”  Rwagasore is de allereerste premier van Burundi, die enkele weken na zijn verkiezing, op 13 oktober 1961, nog voor zijn land onafhankelijkheid wordt, vermoord is.  Dat gebeurde negen maanden na de moord op Congo’s allereerste premier, Lumumba, waarvoor België de morele verantwoordelijkheid draagt.

​In mei 2013 kom ik op de website van het magazine MO* terug op de kwestie, nadat ik inzage gekregen had van nieuwe documenten, onder meer uit het archief van Roberto Regnier, de laatste Belgische resident van het voogdijgebied Burundi, van juli 1961 tot begin 1962, een sleutelfiguur in de moordzaak, en na de publicatie van een artikel in het blad Le Vifdat stoelt op   bijkomende informatie, opgedolven door Ludo de Witte.  De Witte heeft in de archieven van het Foreign Office fragmenten gevonden van ondervragingen door het Brusselse parket van eind juni 1962.  Ze vullen een belangrijke lacune op.  In die periode, vlak voor zijn executie, heeft de moordenaar van Rwagasore,  Jean Kageorgis, klacht ingediend tegen zeven Belgen, allemaal hoge ambtenaren van het voogdijapparaat, en de procureur gevraagd om het onderzoek te heropenen en het dossier over te maken aan de procureur des Konings in Brussel, zodat die kan overgaan tot een confrontatie van de zeven met hemzelf en de andere veroordeelden.  Van dat onderzoek en eventuele ondervragingen in dat verband is in het archief van Buitenlandse Zaken in Brussel niets terug te vinden.  Ik schrijf op de site van MO* : “Om volledig zicht te krijgen op de zaak-Rwagasore moet er toegang komen tot informatie uit documenten die tot dusver niet ontsloten zijn, zoals de proces-verbalen van de ondervragingen die eind juni 1962 in Brussel plaatsgevonden hebben.  Daarnaast moeten nog levende betrokkenen, zoals procureur Bourguignon en Etienne Davignon, onder ede getuigenis afleggen.  Het meest voor de hand liggende forum is een parlementaire onderzoekscommissie, naar het model van de commissie-Lumumba.  Het is hoog tijd om tot de oprichting over te gaan.

Nieuwe informatie

​Brengt Ludo de Witte’s boek “Moord in Burundi”opheldering over de zaak-Rwagasore en met name over de Belgische betrokkenheid ?  Zeker.  Blijkt dat de auteur niet alleen fragmenten van de ondervragingen teruggevonden heeftmaar ook een rapport van de Britse ambassadeur Murray over een gesprek dat hij in januari 1963 gevoerd heeft met de Brusselse procureur des konings, Raymond Charles.  De Witte citeert uit dat rapport : “Op basis van ondervragingen (…) kwam Charles tot het besluit dat er een morele verantwoordelijkheid in hoofde van ten minste één Belgische verantwoordelijke was.  Bijgevolg had hij in een advies aan de eerste minister meegedeeld dat hij van mening was dat Kageorgis niet mag geëxecuteerd worden.  Nadien is hem meegedeeld dat zijn advies om politieke redenen terzijde was geschoven”.

We leren bovendien dat het strafdossier als zodanig “zonder gevolg” geklasseerd was en achteraf vernietigd is.  Wat er overblijft, dank zij ambassadeur Murray, zijn fragmenten in het archief van het Foreign Office, waaruit blijkt dat Charles in een korte tijdsspanne zes hoge ambtenaren ondervraagd heeft, onder wie gewezen resident Regnier.

​Het zijn en blijven fragmenten, die hoe dan ook aangeven dat er stront aan de knikker was.  Tien jaar geleden schreef ik in mijn boek over de weerzin van het Belgische establishment tegen Rwagasore : “Aardig wat documenten uit het archief van Buitenlandse Zaken ademen die geest uit. Is het een boude veronderstelling dat er in Brussel, Bujumbura en Gitegagezagsdragers rondliepen die het geen slechte zaak vonden dat de eerste minister van Burundi uit de weg geruimd was?”  Op die vraag kunnen we nu volmondig antwoorden dat die veronderstelling overeenstemt met de werkelijkheid.  

​“Beschikt Burundi over het integrale proces-verbaal van het Brusselse strafonderzoek?” vraagt De Witte zich in een voetnoot af.  Mocht dat waar blijken, dat zou volledig uitsluitsel geven.  Blijft uiteraard het idee van een onderzoekscommissie, al was het maar om Etienne Davignononder ede aan het woord te kunnen horen.  Toen ik hem in juni 2011 over de zaak-Rwagasore ondervroeg, zei hij : “Niet het hele dossier-Rwagasore in de archieven van Buitenlandse Zaken is toegankelijk”.  Mocht hij verplicht zijn om alles te vertellen wat hij weet, dat zou ongetwijfeld nog meer licht werpen op de zaak.

Voortschrijdend inzicht

​Het parlementaire onderzoek naar de moord op Lumumba heeft informatie opgespit, die de De Witte’sinzichten in zijn boek “De moord op Lumumba” aangevuld, verhelderd en soms bijgesteld hebben.  Zo kom je met elk onderzoek elke keer een stukje dichter bij de waarheid.  Zo ook nu.  

Maar zo zit De Witte niet in elkaar.  Hij uit zich op een ongehoorde, ondermaatse manier over “De moord op Rwagasore, de Burundese Lumumba”.  Soms brengt hij met een onstuitbare overtuigingsdrang elementen aan als gloednieuw, die op de keper beschouwd identiek zijn aan wat in mijn boek al te lezen staat.  Het interview met procureur Bourguignon, die destijds het onderzoek in Burundi geleid heeft, is een voorbeeld.  Ook de interventies van koning Boudewijn om koste wat kost te voorkomen dat de executie van Kageorgis doorgaat, komen uitgebreid aan bod in mijn boek.  De Witte citeert precies dezelfde documenten.  Op de site van MO* trok ik toen al als conclusie “Er zijn aanwijzingen genoeg dat Boudewijn voor de kar van de christendemocratie gespannen is…  Het gebrekkige onderzoek heeft voorkomen dat de christendemocratie in haar hemd kwam staan.  Die heeft op haar beurt in het politieke schaakspel zo gemanoeuvreerd dat de koning aan zet was.

Als De Witte uitvoerig – en terecht – het anonieme document citeert, dat de kabinetschef van Boudewijn minister van Buitenlandse Zaken Spaak toestuurt om hem te overtuigen ermee akkoord te gaan Kageorgis genade te verlenen en de doodstraf om te zetten in levenslang, dan is hij blijkbaar uit het oog verloren dat ik hem een kopie van dat document bezorgd heb.  Op basis van identieke passages in verscheidene stukken ging ik ervan uit dat voormalig resident Robert Scheyven de auteur is van het bewuste document.  De Witte neemt die hypothese over.  Scheyven is een telg van een in de christendemocratie gepokt en gemazelde familie,  waaruit ook zijn neef Raymond spruit.  Die was in de regering-Eyskens tot in 1960 minister, belast met de economische en financiële zaken van Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi.  Daarnaast is er het feit dat een samenzweerder als Ntidendereza, het brein achter het complot tegen Rwagasore, de spil was van de door Rwagasore verslagen zusterpartij van de Belgische CVP. Het gerechtelijke dossier bevat flink wat signalen, die op verregaande betrokkenheid van christendemocratische politici in België wijzen.  Ze hadden bijgevolg een stevig stel redenen om potjes gedekt te houden.

Net in dat document citeert de auteur, zo goed als zeker Robert Scheyven dus, zijn opvolger Roberto Regnier, die op een vergadering de woorden “il ne restera qu’une chose à faire : tuer Rwagasore” uitsprak.  Een zwaarwichtige uitspraak, gedaan op 20 of 21 september, vlak na de verkiezingsoverwinning van Rwagasore.  Die datum is belangrijk.  Op 21 september vaardigt Regnier richtlijnen uit aan de gewestbeheerders, waarin hij ze aanspoort om samen te werken.  Het ontwerp is gedateerd op de dag voordien, 20 september.  Die richtlijnen staan uiteraard haaks op zijn oproep tot gewelddadige actie.  Die heeft hij wel degelijk gedaan, geeft hij toe bij de ondervraging tijdens het strafonderzoek dat procureur des konings Charles eind juni voert.  De vraag is dan wanneer juist.

In Regniers archief vinden we drie documenten, die ik na de publicatie van mijn boek kon raadplegen, met verschillende versies.  In zijn eerste notities, in april 1962, is Regnier niet concreet.  In zijn notities van juli prikt hij de 21e, maar in een bijlage schrijft hij 20 september.  25 jaar later kiest hij resoluut voor de 20e.  Dat is niet zonder belang.  Het ontwerp van de richtlijnen voor de gewestbeheerders dateert van 20 september.  Was de bewuste vergadering de 20e, dan heeft hij misschien de afloop ervan afgewacht voor hij zijn ambtenaren medewerking met de nieuwe regering oplegt.  Maar was de bijeenkomst de 21e, dan was Regnier inderdaad de dag voordien al overtuigd dat samenwerking onvermijdelijk was,moeten we zijn uitspraak, “il faut tuer Rwagasore”, minder letterlijk nemen en is ze misschien minder de smoking gun in het dossier dan je op het eerste gezicht aan zou nemen.  Merkwaardig dat De Witte, die toegang had tot het archief van Regnier, dat hij als een van zijn bronnen aangeeft, daarvan geen gewag maakt.  Alsof er niets een schaduw mag werpen op zijn onwrikbare stellingen.

Naschrift

Met deze recensie sluit ik mijn bedenkingen op “Moord in Burundi” af.  Ik ben niet van plan om in te gaan op naar onzin ruikende commentaren op sociale media, wie ze ook geschreven moge hebben.

(Visited 186 times, 4 visits today)
Deel dit artikel
Over Guy Poppe

Guy Poppe (74) is journalist. 31 jaar heeft hij op het radionieuws gewerkt, tot in 2007. Afrika heeft altijd zijn bijzondere aandacht gekregen.