Mondialisering en armoede

Dit artikel is de neerslag van een gesprek met Francine Mestrum, auteur van het boek “Globalisering en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde.” Ze maakt daarin een bijzonder interessante analyse over de reden waarom de Wereldbankteksten het steeds maar over amroedebestrijding hebben. De ideeën en de redenering zijn van Francine Mestrum, de woorden hieronder zijn van mij. (Georges Spriet)

armoedebestrijding

Ons gesprek begon met de vraag waarom nu een boek schrijven over het discours van armoedebestrijding als diezelfde armoede al centraal stond in de teksten in 1970. Het is precies deze vraag, zegt Francine Mestrum, die het allereerste uitgangspunt vormde om dit onderzoek te starten: hoe komt het dat men zovele jaren later opnieuw de armoedebestrijding zo op de voorgrond plaatst bij een internationale instelling als de Wereldbank. Want inderdaad in het begin van de jaren ’70 had men het daar ook over. Echt veel resultaat heeft dat niet opgeleverd. Nadien werd dit spoor verlaten en was het al “Structurele Aanpassingsprogramma’s” dat de klok sloeg. En sedert enige tijd is het oude onderwerp dus terug.

De centrale vaststelling die uit dit onderzoek naar voren komt is dat armoedebestrijding vandaag en de mondialisering, ideologisch hand in hand gaan. Beide discours moeten eigenlijk de internationale handel propageren, beide sluiten ook aan bij de zogenaamde “consensus van Washington” waarin men sociale bescherming neerhaalt en de idee nationale ontwikkeling opzij schuift.

De armoedebestrijding moet dan het menselijk gelaat concretiseren van de mondialisering. Ze moet instaan voor het ethisch karakter van de mondialisering. Ze wil naar verluidt de negatieve aspecten van de vroegere aanpak vermijden door rechtstreeks naar de armen zelf te stappen. Want het armoedediscours stelt dat mondialisering iedereen ten goede kan komen. Iedereen moet kansen krijgen om van de mondialisering te ‘genieten’, alhoewel de Wereldbank toegeeft dat er inderdaad naast de winnaars ook wel verliezers kunnen zijn.

Voor Francine Mestrum is het resultaat van de mondialisering echter onzekerheid, destabilisering, een conflictbevorderende situatie dus.

Het boek wil aantonen dat het discours over armoedebestrijding een marktgericht project vertegenwoordigt. Het is ook geen correctie op het systeem, maar een versterking ervan. Het staat haaks op de vroegere ideeën van sociale zekerheid en overheidsverantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg, voedselvoorziening.

Het belang om het discours van de Wereldbank te analyseren – los van de praktijk – geeft precies de kans om de valstrikken ervan te zien, en ook de absolute inherente tegenstelling: de doelstelling in het discours (50% vermindering van de armoede tegen 2015) kan gewoonweg niet worden gerealiseerd. Er zit ook een perverse kant aan: alles moet open staan voor de ‘markt’ maar tegelijkertijd wil men de armen meer toegang bieden tot de sociale goederen als water, gezondheid, onderwijs. Maar die zijn intussen geprivatiseerd. Dit beleid van armoedebestrijding brengt dus ‘klanten’ aan voor de nieuwe eigenaars, met bemiddeling van ngo’s, kerken en andere instituten. Een methode als "voedsel voor werk" stelt bovendien de arbeidskracht gratis ter beschikking.

inkomen

Dit heeft alles van doen met de weigering nog langer het begrip armoede in functie van het inkomen te zien. Het heet nu dat armoede multidimensioneel is. Dat is natuurlijk ook zo. Maar door het inkomen uit de parameters te lichten ontdoet men zich ook van de nood aan ontwikkeling op zich, ontwijkt men de noodzaak van het uitbouwen van een veralgemeende sociale zekerheid. Men gaat dan voorbij aan het feit dat armoede in een markteconomie altijd in de kern een gebrek aan geld inhoudt. De Wereldbank spreekt in de strategieprogramma’s voor armoedevermindering (poverty reduction strategy papers) – de nieuwe structurele aanpassingprogramma’s – nooit over de wijze waarop armen inkomen kunnen verwerven. Met andere woorden, de verantwoordelijkheid om uit de armoede te geraken wordt bij de armen zelf gelegd.

Er is ook een ganse theorie ontstaan rond het feit dat ongelijkheid niet erg is als de armste maar overleeft. Daarin passen allerlei technieken om nieuwe internationale vergelijkingen te maken. Een daarvan is de invoering van het begrip koopkrachtpariteit (purchasing power parity). Die gaat er vanuit dat 1 dollar niet overal dezelfde koopkracht vertegenwoordigt. En dat is weer ’s juist op zich. Maar geïmporteerde goederen, de oliefactuur of de buitenlandse schuld moeten wel in "gewone" dollars worden betaald en niet in "koopkrachtpariteit-gecorrigeerde" dollars. Dit begrip is hanteerbaar voor de vergelijking in verband met binnenlandse producten van elk land, maar niet voor de rest.

Er zijn in dit kader van koopkrachtpariteit berekeningen gemaakt door het UNDP (Ontwikkelingsprogramma van de VN) waaruit moet blijken dat de kloof tussen de 20% rijksten van deze wereld en de 20% armsten helemaal niet zo groot is als de naakte cijfers wel aanduiden. En men heeft het dan bijvoorbeeld ook over het gestegen schoolbezoek in derdewereldlanden, e.d.m.. Dit alles heeft als bedoeling om de ongelijkheid goed of weg te praten, om de groeiende kloof niet te moeten uitleggen of verantwoorden. De wereldproductie is de laatste decennia verveelvoudigd, maar niet iedereen heeft gelijke rechten of toegang tot de productieverhoging. Relatief gezien zijn de armen dan ook armer dan vroeger. De verbeteringen gaan aan hen voorbij: de ontwikkelingen zijn niet voor hen. Hoop of perspectief om er toch te kunnen van genieten wordt niet verwerkelijkt.

vrouwen

Het huidig beleid van armoedebestrijding heeft bijzondere aandacht voor de positie van de vrouw. Eigenlijk zou ons dat moeten verheugen ware het niet dat ook hier de echte bedoeling ergens anders ligt, en dat men afstapt van ‘emancipatie’.

Vooreerst is er geen statistisch bewijs dat vrouwen per definitie armer zouden zijn. Er zijn geen cijfers van de inkomensarmoede van de vrouw. Wel zijn er gegevens over loon bijvoorbeeld, maar niet alle vrouwen zijn loontrekkenden. De wereldwijde discriminatie van vrouwen is evenwel evident. Vrouwen zijn ook kwetsbaarder en de armoede is zeker niet gender-neutraal. Maar in plaats van de bijzondere aandacht voor de vrouw in het huidige armoedebestrijdingsbeleid zou men het over emancipatie moeten hebben.

Men spreek nu inderdaad steeds maar over "empowerment". Maar dat is geen emancipatie, geen bevrijding, geen wijziging in de machtsrelaties. Empowerment wil de vrouwen tot een bepaalde autonomie brengen, zodat ze als burgers voor zichzelf in kunnen staan, maar daarom zijn ze niet bevrijd van de bestaande machtsrelaties. Het beleid wil vrouwen de kans geven om rechten op te eisen. Maar men wil niet langer dat de overheid die rechten realiseert. De overheid moet enkel de kans geven om die rechten te laten verwezenlijken (in het jargon : het scheppen van "enabling environment").

Daartegenover staat het idee van vrouwenstrijd voor sociale verandering, voor emancipatie. Die pleit ook voor een veralgemeende sociale zekerheid. Maar dat idee wordt nu vergeten, staat niet langer op de agenda. Vrouwen worden daarom nu via de armoedeprogramma’s gemobiliseerd om solidariteitsmechanismes uit te bouwen. Vrouwen passen daar uitermate goed voor omdat ze op zovele plaatsen nooit begunstigde waren van de (beperkte vormen van de bestaande) sociale zekerheid. Ze hebben dus minder te verliezen, kan je zeggen; Hun integratie in de nieuwe arbeidsmarkten is des te aantrekkelijker omdat ze eigenlijk alles accepteren in eender welk soort werk om toch maar hun kinderen, hun gezin te kunnen verzorgen.

De teksten spreken herhaaldelijk over het feit dat vrouwen hun trots inslikken ("they swallow their pride") en toch de (slechte) arbeidsvoorwaarden aanvaarden om werk te hebben. Dat is dan bijvoorbeeld in de informele sector, of in de gedereguleerde vrijhandelszones. Het beleid van de armoedebestrijding voorziet daarbij nog een sociale rol voor de vrouw. De vrouw is van nature meer gemeenschapsgezind, heet het, en haar (onderbetaalde) arbeid draagt dan bij tot de sociale ontwikkeling. Anders gesteld, de vrouwen nemen zelf de rol van de overheid op. Ze hebben aldus een drievoudige taak: gezin, arbeid en sociale of gemeenschapstaak.

verzet

In het boek wordt gepleit voor verschillende vormen van weerstand, maar zeker ook voor een verzet op het niveau van het discours zelf. Zolang er democratische kanalen bestaan, zegt Francine Mestrum, moeten we ze ten volle benutten om de dialoog of confrontatie te voeren. De machtshebbers moeten worden aangesproken op hun beloftes, op hun dogma’s. Dat is op zich een methode om het discours te delegitimeren.

Deze werkwijze biedt ook de mogelijkheid om de eigen ideeën bredere dan de eigen kring uit de dragen. Men kan daarbij bepaalde interessante concepten overnemen maar ze uit de wazigheid van het officiële discours halen en ze zelf concreet invullen.

Maar natuurlijk bestaan er andere vormen van verzet. Er zijn een resem realistische pragmatische eisen die naar voren kunnen worden geschoven: de afschaffing van de schuldenlast, internationale fiscaliteit, om maar deze te noemen. Het Wereld Sociaal Forum is een interessante ruimte om de opnieuw de sociale dimensie te integreren tezamen met de ecologische. Francine Mestrum pleit er ook voor om naar het bestaande te kijken, zo is er de internationale arbeidsorganisatie die echt heel belangrijke richtlijnen wil doen volgen.

Bovendien moeten we niet alleen op het wereldniveau alleen kijken. Om het wereldsysteem te reguleren zal er ook lokaal moeten worden geageerd. De nationale staat zal een rol moeten blijven spelen, om te reguleren, om de democratie te organiseren, om alternatieven te helpen opzetten.

Er is een grondig debat nodig over wat ontwikkeling is. De sociale en ecologische dimensie dwingen ons opnieuw na te denken over de internationale arbeidsdeling. Het gaat om politieke ecologie, en de verhouding van centrum tegenover periferie. Dit alles kan niet in het huidige kapitalisch systeem. Zoals François Houtart zegt, ons alternatief moet post-kapitalistisch zijn.

(Uitpers, juni 2002)

Het boek "Globalisering en Armoede" is uitgegeven bij EPO: ISBN 92-6445-255-5

(dit artikel staat ook in Vrede nr 355)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 27 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook