Mogen de Palestijnen nog dromen? En van wat?

Sus van Elzen. ‘De Palestijnen. De toekomst van een droom’. Meulenhoff / Manteau, Amsterdam, Antwerpen, 2007, 302 blz. 19,95 euro. ISBN 978 90 854 2065 1.

In 2008 zal het zestig jaar geleden zijn dat de zionistische leider Ben Gurion de staat Israël uitriep. Dat kon hij omdat zijn milities net een grootscheepse etnische zuivering hadden uitgevoerd, waarbij ze met hun militaire overmacht, terroristische aanslagen en moordpartijen, de meerderheid van de Palestijnen uit hun dorpen en steden hadden verjaagd. En dit jaar in juni herdenken de Palestijnen nog een andere zwarte episode uit hun geschiedenis: de junioorlog van 1967.

Veertig jaar geleden bracht het Israëlische leger de troepen van de Arabische buurlanden een zware nederlaag toe. De Israëli’s bezetten in een klap de Egyptische Sinaiwoestijn, de Syrische Golanhoogte, maar ook het resterende Palestijnse grondgebied dat ze in 1948 niet hadden kunnen veroveren: Oost-Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de strook van Gaza. Opnieuw werden tussen 350.000 en 400.000 Palestijnen de grens over gejaagd.

De rest (onder hen de meer dan een miljoen inwoners van acht vluchtelingenkampen in de Gazastrook en twintig vluchtelingenkampen op de Westelijke Jordaanoever – allen vluchtelingen van de oorlog van 1947-1948) kwam onder Israëlische militaire bezetting (en militair bestuur) terecht.

De nieuwe Israëlische bezetting zorgde voor meer dan één paradox. Israël dat zichzelf graag beschouwt als een zuiver joodse staat werd minder joods dan ooit tevoren. De Arabische regimes, die tot dan steeds in naam van de Palestijnen hadden gesproken, hadden van de Israëlische militaire machine een genadeloze dreun gekregen. Voortaan zouden de Palestijnen vooral op zichzelf moeten rekenen. De Arabische nederlaag van 1967 werd een nieuwe start voor de Palestijnse nationale beweging. De Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO), een creatie van de Arabische regimes uit 1964, werd enkele maanden na de juninederlaag overgenomen door een nieuwe generatie van Palestijnse nationalisten. Fatahleider, Yasser Arafat, kwam aan het hoofd van de PLO. En deze nieuwe PLO zou er vrij snel in slagen het Palestijnse vraagstuk op de internationale politieke agenda te plaatsen.

Over de opgang en vooral de neergang en de diepe crisis van de Palestijnse nationale beweging na het in 1993 gestarte ‘vredesproces’, heeft ex-Knackjournalist Sus van Elzen een bijzonder boeiend boek geschreven: ‘De Palestijnen. De toekomst van een droom’.

Arabische nederlaag…

De juni-oorlog zorgde voor een immense euforie in Israël en bij alle verdedigers van de joodse staat in het Westen. “De Israëlische troepen waren erin en erdoor gegaan alsof ze opnieuw een land zonder volk aan het veroveren waren,” schrijft Sus van Elzen. Dat was tot dan één van de hardnekkigste Israëlische mythen geweest. De oorlog van 1947-1948 was immers gevoerd door een ‘volk zonder land’ dat een ‘land zonder volk’ voor zich opeiste. Een mythe die zelfs in menig handboek geschiedenis was opgenomen, niet alleen in Israël, maar ook in Europa en de Verenigde Staten van Amerika. “Het probleem was uiteindelijk weer dat de Westoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem door Palestijnen bewoond waren… Opnieuw kwam er door de oorlogshandelingen een massale Palestijnse vluchtelingenstroom op gang. Palestijnen, waar ze ook waren, kregen opnieuw met de zionistische staat te maken, terwijl ze hun vorige ontmoeting ermee nog lang niet verteerd hadden. In ‘Israël zelf’ voelden ze de schok, maar ook in de kampen in de Arabische wereld, in de kampen en in de steden en dorpen in de nu ook door Israël ingenomen Westoever en Gazastrook. Alle Palestijnen kortom, ook in de diaspora, die negentien jaar lang werkloos en machteloos hadden moeten toezien hoe Israël het oude vaderland omtoverde tot de joodse staat waar voor Palestijnen geen plaats meer was, kregen opnieuw met zionistisch Israël te maken. Het resultaat was dat lang ingehouden boosheid opnieuw oplaaide. De zesdaagse oorlog bewees de militaire superioriteit van Israël en luidde de neergaande spiraal voor de Arabische staten in, maar hij riep ook het Palestijnse verzet opnieuw in leven.”

“Dat verzet had voorheen wel bestaan, maar het had op een laag pitje gestaan. Niemand had zich geroepen gevoeld om er echt veel werk van te maken, niet in Palestina en al zeker niet in de Arabische hoofdsteden.” En van Elzen voegt er meteen aan toe: “”Maar nu had Israël, zonder er al te veel over na te denken, al die Palestijnen onder één gezag bij elkaar gebracht: het Israëlische. En dat veranderde de zaak voor de Palestijnen…”

…Palestijnse wedergeboorte

Sus van Elzen schetst deze Palestijnse wedergeboorte en de opgang van het nieuwe Palestijnse nationalisme onder leiding van de PLO. Voor de minder geïnformeerde lezer zijn dat boeiende bladzijden, voor de geoefende lezer een nuttig geheugensteuntje. De auteur vertelt het Palestijnse verhaal uit de jaren zeventig (met als politiek hoogtepunt de toespraak van PLO-leider Yasser Arafat voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1974) en de jaren tachtig. Hij eindigt met de eerste Palestijnse intifada van 1987, toen de Palestijnen uit de sinds 1967 bezette gebieden vriend en vijand verrasten met een politieke opstand, die niet van buiten, maar van binnen werd geleid, ongewapend en uiterst gedisciplineerd verliep dankzij een ‘eengemaakte nationale leiding’, waarin alle Palestijnse politieke fracties vertegenwoordigd waren, met uitzondering van het toen pas opgerichte Hamas, de nieuwe benaming waaronder de fundamentalistische moslimbroederschap in Palestina door het leven zou gaan. De PLO wilde op dat ogenblik de politieke winst, die de Palestijnen met hun opstand hadden geboekt, snel verzilveren met een internationale vredesconferentie en een politiek akkoord, dat moest leiden naar een twee-staten-oplossing. Yasser Arafat had toen misschien al op het idee kunnen komen dat de Israëlische leiders niet echt in een Palestijns ‘vredesaanbod’, laat staan in een twee-staten-oplossing geïnteresseerd waren. Er was de radicale afwijzing door het Israëlische establishment van het idee van een Palestijnse (mini)staat, de Golfoorlog van 1991 en de door George Bush sr. in december 1991 bijeengeroepen ‘vredesconferentie’ van Madrid (waaraan de PLO niet mocht deelnemen en die na enkele dagen al door de Israëlische obstructiepolitiek werd verdaagd en dat ad vitam aeternam zou blijven). De PLO-leiding had voldoende signalen gekregen over de ernst van de ‘vredeswil’ van Israëli’s en hun beschermheren in het Witte Huis… Toch stappen Arafat en de zijnen in het Osloproces, dat allesbehalve een vredesproces was en nooit tot een twee-staten-oplossing zou leiden. Oslo leidde wel tot de teloorgang van de PLO en de politieke ontaarding van de belangrijkste Palestijnse politieke formatie, Fatah. Een Palestijnse staat kwam er niet, wel een Palestijns ‘zelfbestuur’ dat met handen en voeten gebonden was aan de Israëli’s en de Amerikanen en snel zou geveld worden door de ziekte waaraan ook andere Arabische regimes al decennialang leden: autoritarisme, potentatendom, nepotisme en corruptie.

De Palestijnse leiders zetten tegen beter weten in ‘hun vredesproces’ met de Israëlische regering voort, moesten een nieuwe bezetting van de Palestijnse bantoestans, een belegering van hun hoofdkwartier en de ontmanteling van de Palestijnse economie en maatschappij slikken. Tot ze uiteindelijk van de Israëlische premiers Ehud Barak (Labourpartij) en Ariel Sharon (Likud) te horen kregen dat ze geen ‘gesprekspartners’ meer waren.

De teloorgang van Fatah

Sus van Elzen beschrijft dit pijnlijke proces. En het verhaal wordt uitermate boeiend wanneer hij hierover een aantal Palestijnen aan het woord laat. Zo ging van Elzen praten met Hassan Khader, een Palestijnse intellectueel, die bijna de hele Palestijnse beweging als linkse militant heeft meegemaakt, Beiroet, Tunis en de terugkeer in 1995 inbegrepen. “Voor hem is de illusie van de onafhankelijke Palestijnse staat ten einde”. Khader werkt vandaag in Ramallah samen met de Palestijnse dichter Mahmud Darwish aan een Palestijns cultureel en literair tijdschrift, “want zijn de illusies ten einde, Palestina en de Palestijnse cultuur nog niet.” Hassan Khader heeft een meer dan plausibele verklaring voor de aftakeling van Fatah. Natuurlijk hebben de Israëli’s schuld aan het feit dat de Palestijnen er nog nooit zo slecht hebben voorgestaan als vandaag, weet Khader. “Maar wij zijn zelf ook verantwoordelijk.”

“Er is een diepere reden voor de neergang van Fatah. Twee factoren hebben een grote rol gespeeld. De eerste factor is dat de eerste intifada, die van 1987, de tijd was waarin de vluchtelingenkampen en het platteland opkwamen in de Palestijnse politiek. Tot dan toe hadden de steden daarvan het monopolie gehad. Jeruzalem, Nabloes, Ramallah, Gaza waren honderd jaar lang de centra van de Palestijnse politieke activiteit, van cultuur, pers, en ook centra van het nationale leven. Na 1948 waren de kampen buiten het proces van nationale karaktervorming gebleven. Misschien leverden zij de soldaten, zeker, maar sociologisch gezien waren zij geen beslissende factor. Maar in de eerste intifada werden zij machtscentra. Kijk naar Hamas. 99 procent van hun leiders, hetzij Mahmud Zahar, Khaled Meshal of Abdel Aziz Rantisi, was afkomstig van de kampen of van het platteland, of van stadskernen die de afgelopen twintig, dertig jaar ‘geruraliseerd’ waren. De natuurlijke ideologie voor deze massa’s was islamitisch fundamentalisme, en dat helpt verklaren waarom dat zich verspreid heeft in Palestina. Die leiding is uit de kampen gekomen met een simpele maar intellectueel magere ideologie, onschuldig, maar arm aan ideeën. Een onnozele, egocentrische ideologie, gebouwd op religieuze geloofspunten waarvan ze denken dat die alles verklaren. Wat niet het geval is als je een samenleving wilt opbouwen, of een bevrijdingsbeweging. Tijdens de eerste intifada kwam die groep bovendrijven. Dat was een eerste factor. En in de tweede intifada, de Al Aqsa Intifada van 2000, kreeg ze politieke macht.”

En volgens Hassan Khader “hebben deze mensen een andere culturele traditie.” “De kampen bestonden in de jaren zeventig natuurlijk ook, maar toen was het in de mode om links te zijn, in plaats van islamist. Linkse politiek was toen heel gewoon in de Palestijnse samenleving. Ik ben zelf in een kamp geboren, en de natuurlijke weg voor mij was marxist te worden, geen islamist. In de jaren tachtig veranderde dat, met de globale veranderingen, maar ook, en dat is heel belangrijk, door de miljarden dollars die door de Saudi’s in de Palestijnse islamistische universiteit en de islamistische beweging gepompt werden. Je creëert zo’n beweging niet alleen met de Koran, er komt ook geld aan te pas.”

Tweede factor, zo onderstreept Hassan Khaled, “is Arafat, die Fatah maakte naar zijn eigen idee, en Fatah dat de ‘Palestijnse staat’ zou maken. Het model dat Arafat in zijn hoofd had.” “Arafat had er de tijd en de middelen niet voor, maar wat hij probeerde te maken was een populistisch regime zoals in Syrië, Irak of Egypte, gebaseerd op twee elementen. Eén is de Opperste Leider, die aanbeden wordt door het volk. Met zijn portretten overal, die zonder discussie gehoorzaamd wordt. Persoonlijkheidscultus. Het tweede is een vals beeld van het volk: jullie zijn het meest fantastische volk ter wereld, jullie zijn heel bijzonder. Het is heel gevaarlijk als je zo’n ideologie gaat verspreiden, met radio en tv tot je dienst, want we zijn helemaal niet speciaal. Maar dat was wel het discours van de Palestijnse Autoriteit. Dat past in de persoonlijkheidscultus: bij een groot volk hoort immers een groot leider. De twee gaan samen, zoals je ziet met Assad in Syrië, Mubarak in Egypte, Saddam Hoessein in Irak, je hebt hetzelfde verhaal in heel het Midden-Oosten.”

Populisme en ‘het volk’

“Maar een populistisch regime steunt niet op het volk, maar op de regerende partij. Die regeringspartij is dan geen politieke partij meer, maar is de staatsbureaucratie geworden. Je breekt het verschil en de scheiding af tussen partij en staatsbureaucratie, zodat de partij staatsbureaucratie wordt, en de staatsbureaucratie partij. En omdat dit eigenlijk heel arme landen zijn, wordt een baan in de administratie meteen een middel om mensen en hun loyaliteit te kopen door ze in dienst te nemen, en de staat wordt de grootste werkgever… Wij hadden niet echt 100.000 ambtenaren nodig, maar hij creëerde die wel. En die mensen werden lid van de regeringspartij omdat dat hen een baan gaf. Nu geven partijbonzen van zo’n regeringspartij niet om boeren of platteland. Maar wat zij doen is trachten oude, half verdwenen traditionele sociale instellingen te doen herleven. Dat is ook wat gebeurde in Palestina. Toen Arafat in 1994 terugkwam, herstelde hij bijvoorbeeld de functie van de mohtars. Dat waren een soort dorpsburgemeesters. De functie was gecreëerd door de Britten tijdens hun mandaat periode, om de samenleving te controleren als tussenpersonen tussen het mandaat en het volk, maar ze had mettertijd aan belang verloren. Arafat bracht die instelling weer tot leven en gaf ze meer gewicht. Daarnaast probeerde hij de familieraden te doen herleven. Gewoonlijk zijn dat conservatieve instellingen, bemand door ouderen of mensen van op zijn minst middelbare leeftijd, waar jongeren geen plaats hebben. Gewoonterecht werd nieuw leven ingeblazen. Wat is dat? Boeren gaan niet naar het gerecht met hun conflicten. Ook de Israëli’s wensten hier geen moderne samenleving te creëren. Dus grepen de mensen als automatisch terug naar gewoonterecht. Dat is heel conservatief en op godsdienst gebaseerd. Als je nu naar het cv van veel Hamas-ministers en hun parlementsleden gaat kijken, merk je dat zeker zeventig procent van hen uit familieraden komen en raden van gewoonterecht, en heel dicht bij de basis van dorpen en kampen leefden. Terwijl de staatsbureaucratie in Gaza en Ramallah zat en niet gaf om de mensen. Dus wat de PA deed was de infrastructuren van sociaal conservatisme herstellen en versterken in plaats van naar de mensen, naar de jongeren in de dorpen en kampen te gaan en te zien wat die nodig hadden en hoe ze geholpen konden worden. En ze dachten dat dat hetzelfde was.”

Hassan Khaled geeft ook zijn visie op het verkiezingssucces van Hamas. “Natuurlijk waren de stemmen voor Hamas niet religieus. Maar de mensen kennen dit beter. En het is ook een soort wraak op de PA, vanwege de corruptie en zo. De mensen wisten wel wat ze niet wilden, maar ze wisten niet wat ze wel wilden… Dat is het probleem met populistische regimes, ze maken de mensen apolitiek. Houd nu verkiezingen in Syrië, je krijgt hetzelfde resultaat. Honderd procent zeker dat islamistische fundamentalisten de macht zullen grijpen. Vrije verkiezingen in Egypte zullen onmiddellijk islamisten aan de macht brengen. In Irak zijn ze nu al de macht aan het grijpen, onder de Amerikanen. Populistische regimes breken de politiek af. De samenleving weet er niet wat politiek is. Natuurlijk is dit het einde niet. De bezetting bestaat, de Palestijnen als volk bestaan. Er zal wel iets ontstaan uit dit alles. Maar de Palestijnse nationale beweging die veertig jaar geleden ontstond, met de bedoeling een onafhankelijke Palestijnse staat te stichten, en die in de loop van die veertig jaar een Palestijnse nationale identiteit hersmeedde, en waaruit een nationale Palestijnse cultuur geboren werd – dit alles loopt nu op zijn einde. Het politieke verhaal van de Palestijnse nationale beweging is hier ten einde. De beweging voor een onafhankelijke Palestijnse staat. Ik geloof niet dat een Palestijnse staat mogelijk is.”

‘Vredesproces’, een fata morgana

Sus van Elzen heeft ook boeiende gesprekken gevoerd met Rashid Khalidi. Samen met andere Palestijnse intellectuelen als Edward Saïd, Ibrahim Abu Lughod, dokter Haider Abdel Shafi of de dichter Mahmud Darwish, was professor Rashid Khalidi gekant tegen het Osloproces waarin vooraanstaanden van de Israëlische Labourpartij de PLO-leiding hadden meegetrokken. Niet omdat ze tegen compromissen of een politieke oplossing van het conflict waren. Wel omdat dit geen vredesproces was, waarbij Israëli’s en Amerikanen zo hun eigen (geheime) agenda hadden. “Wist ik dat vanaf het begin?”, vraagt Khalidi zich af. “In de vroege jaren negentig had ik het al wel begrepen. “Ik had een paar dingen opgestoken uit mijn deelname aan de onderhandelingen in Washington in ’91 en ’93. Als je de kolonisering niet kunt stopzetten, en je krijgt geen rechtsbevoegdheid, dan krijg je helemaal niets. Ja, je verplaatst de Palestijnse nationale beweging naar binnen en je krijgt erkenning, maar als je de kolonisatie niet beëindigt of bevriest, en je hebt geen gegarandeerde schakeling naar de eindstatus, en je krijgt geen jurisdictie over het grondgebied dat je verkrijgt – ik zeg niet soevereiniteit, maar jurisdictie: je bent daar de baas – dan heb je niets. Dat was duidelijk. Dan zeiden ze, goed, maar dit zal daartoe leiden. Maar dat deed het niet. En het was duidelijk dat het daartoe niet zou leiden.”

“Achteraf bekeken was dit wellicht het moment in de geschiedenis waar Fatah de weg kwijtraakte,” zegt Rashid Khalidi. “Tot dan hadden Fatah en Arafat een heel behoorlijk parcours afgelegd. Ze hadden een strategie, surfend op de golf van de eerste intifada: onderhandelingen afdwingen. En ze kregen onderhandelingen. En dáár raakten ze hun focus kwijt. Arafat zelf had een aantal duidelijke doelstellingen. Hij wilde de PLO erkend zien. Dat gebeurde. Hij wilde aanvaard worden door de grootmachten. Hij werd aanvaard. Hij wilde het zwaartepunt van de Palestijnse nationale beweging naar de Bezette Gebieden verplaatsten. En ook dat gebeurde. Was hij bijvoorbeeld in dat vliegtuigongeluk gestorven (1) nadat hij al die dingen gedaan had, dan was hij de geschiedenis ingegaan als de nationale leider die alles verwezenlijkt had. Maar dan, daar voorbij, hoe te onderhandelen over soevereiniteit, staatsvorming en onafhankelijkheid, het einde van de bezetting, en de kolonies? Hij had er geen idee van hoe hij dat moest aanpakken! Dat is zo duidelijk. En hij was door dwergen omringd. Dat zijn geen serieuze mensen. Er was geen enkele briljante geest over in de Fatah-leiding. (2) Ik denk zelf dat het een verschrikkelijke strategische vergissing was. Een van de ergste strategische vergissingen die de Palestijnen ooit begaan hebben. Dan kun je erover discussiëren waarom Arafat het deed, en waarom Fatah en de PLO het deden. Want natuurlijk waren ze de Palestijnse nationale beweging naar Palestina aan het terugbrengen, en ze deden een hoop dingen, ze creëerden wat ze de aanloop naar een Palestijnse staat noemden. Maar ze deden dat ten koste van een prijs, waarvan we nu weten dat hij heel hoog was.”

Een stelling die Sus van Elzen beaamt en als volgt resumeert: “Vanuit een bepaalde ooghoek gezien kwam de deal erop neer dat de PLO het bestuur van de Palestijnse Bezette Gebieden in handen kreeg, volgens de befaamde formule van ‘beperkte autonomie’, op voorwaarde dat ze de veiligheidstaken van de Israëli’s zou overnemen. Dat wil zeggen dat de PLO de veiligheid van Israël zou garanderen van Palestijnse kant. Dat ze dus politieagent zou gaan spelen, als het ware in onderaanneming van de Israëli’s…” En zelfs dat was onvoldoende voor de Israëlische leiders, Ehud Barak en Ariel Sharon. Arafat en de zijnen waren niet eens gesprekspartners meer. De Palestijnse ‘autonome’ gebieden werden vanaf 2001 opnieuw bezet, Arafat in zijn hoofdkwartier belegerd, de Gazastrook in 2005 ‘ontruimd’ om voortaan als een van de buitenwereld afgegrendelde open gevangenis verder te bestaan. En gevangenis die met de regelmaat van een klok wordt geterroriseerd met Israëlische luchtaanvallen en grondoffensieven.

Nationale of binationale droom?

Mogen de Palestijnen nog dromen? En van wat? Sus van Elzen tracht deze pertinente vraag te beantwoorden. “Houdt men even geen rekening met de in Israëlische militaire en uiterst rechtse kringen druk besproken (3) optie om alle ‘Arabieren’ met of zonder geweld uit ‘Groot Israël’ te verjagen, dan blijven er voor de Palestijnen een drietal opties over.”

“De meest voor de hand liggende is dan de twee-staten-oplossing, waar de internationale gemeenschap aan beweert te werken. Die biedt voor Israël op korte termijn de meeste voordelen omdat ze voor een hele periode het demografieprobleem uit de wereld zou helpen.” Sus van Elzen wijst erop dat deze optie stilaan gedeeld wordt door Fatah en Hamas en dat ze ook staat ingeschreven in het Arabische ‘vredesvoorstel’ dat in september 2006 en in maart 2007 nog maar eens werd bevestigd tijdens de zoveelste Arabische top, om prompt door Israël en de VS van tafel te worden geveegd.

“Maar zolang Israël daar niet aan wil en met al zijn geweld aan zijn bezetting blijft vasthouden, blijft dit onbereikbaar als een luchtspiegeling. De erosie van de twee-staten-regeling door de Muur en verdere Israëlische annexatie van Palestijnse grond op de Westoever, gekoppeld aan de afsluiting en versnelde verjoodsing van Oost-Jeruzalem, wat momenteel door Israël en stilzwijgend door de VS wordt voorgestaan, heeft wellicht nu al een leefbare Palestijnse staat in de Bezette Gebieden onmogelijk gemaakt. Betekent dat het einde van de twee staten in ruil voor een betere oplossing, wat niet noodzakelijk negatief is, tenzij voor de duizenden doden die intussen gevallen zijn, en altijd wel duizenden Palestijnse doden meer dan Israëlische? Dan is het wel aan de Palestijnen om die betere oplossing te bedenken en vorm te geven. Tot nog toe hebben zij dat niet gedaan.”

Maar voor Sus van Elzen “groeit de waarschijnlijkheid dat het conflict in de richting van één staat evolueert.” “Israël probeert die vorm te geven door de Palestijnen in enkele allengs kleinere bantoestans bijeen te drijven en zijn ‘nieuwe variant van apartheid’ op te leggen die nu al grotendeels van kracht is, met gesegregeerde wegennetten, pasjeswetten en dergelijke meer. Slaagt Israël hierin, wat in zekere mate het einde van de Palestijnse Autoriteit in haar huidige vorm impliceert, dan kan het dat wellicht een tijd volhouden, maar niemand weet hoeveel tijd, alvorens de volgende fase aanbreekt. Dat is het moment dat door elke apartheid gegenereerd wordt, waarop, dixit Meron Benvenisti (de voormalige vice-burgemeester van Jeruzalem), ‘de strijd voor nationale bevrijding omslaat in een strijd voor gelijke burgerrechten’. Die strijd zou dan naar de ene, binationale multi-etnische en multiculturele staat leiden, die Israël momenteel feitelijk al is, maar er de segregatie op basis van etnoreligieuze criteria tussen joden en niet-joden als burgers en niet-burgers uit schrappen.”

“De derde oplossing voor de Palestijnen is die van de politieke islam (…) De overwinning van Hamas in de Palestinse verkiezingen was een primeur in de Arabische wereld. Ze werd van Marokko tot aan de Chinese grens toegejuicht als het begin van de echte islamitische revolutie (…) Het relatieve succes van de Libanese Hezbollah in de juli-oorlog (van 2006) met Israël heeft de mythe van het ontrefbare Israëlische leger ondermijnd, en dat werd gezien als een nieuwe stap op het pad van die revolutie.”

“Gelijk waar in de Arabische wereld nu democratische verkiezingen gehouden zouden worden, zeggen de analisten unaniem, worden die gewonnen door de politieke islamisten, zij het soennieten zij het sjiieten. Al deze processen worden gevoed en versterkt door het Amerikaanse debacle in Irak. Elke Israëlische militaire actie tegen machteloze Arabische regimes gooit olie op het vuur. Zo zou de ‘reconfiguratie van het Midden-Oosten’ die de Amerikaanse neoconservatieven bedachten, onder meer om Irak onder Amerikaanse controle te krijgen in naam van de ‘democratie’, een postdemocratisch staartje kunnen krijgen.”

Met deze laatste, nogal doemdenkerige conclusie zullen vermoedelijk heel wat Palestijnen het oneens zijn – tenslotte hebben ook heel wat Palestijnse christenen, seculieren en atheïsten uit onvrede met het corrupte Fatah voor Hamas gestemd, waardoor deze partij stilaan haar louter islamistische programma mag opbergen. Niettemin heeft Sus van Elzen met ‘De Palestijnen. De toekomst van een droom’ een boek afgeleverd ‘dat ertoe doet’.

(Uitpers, nr 86, 8ste jg., mei 2007)

Noten:

(1) In april 1992 overleefde Arafat ternauwernood een vliegtuigcrash in de Libische woestijn.

(2) Elders in het boek geeft Rashid Khalidi aan dat Israël en een aantal Arabische regimes van de jaren ’60 en zelfs na het begin van het Osloproces tientallen bekwame leiders van Fatah (niet minder dan 12 leden van het centraal comité) en andere Palestijnse organisaties zoals het Volksfront (PFLP) in koelen bloede hebben vermoord. De twee belangrijkste Fatahleiders na Arafat (Abu Jihad en Abu Iyad) werden einde jaren tachtig, begin de jaren negentig uit de weg geruimd.

(3) Niet alleen daar: ook het Labourkamp heeft zijn voorstanders van de ‘transfer’ van de Palestijnse bevolking. Om maar één van de notoirste te noemen: de ‘new historian’, Benny Morris. In april 2007 publiceerde het Israëlische ‘Center Against Racism’ zijn jaarlijkse ‘Racism Index’. Uit dat onderzoek bleek dat 50,2% van alle joodse Israëli’s voor de ‘collectieve transfer van alle Arabieren’ zijn (in 2006 was dat ‘nog maar’ 39,5%).