Moeilijke maanden voor Morales: Een Boliviaans dagboek

In 1997 schreef Walter Lotens ‘De pijn van Pachamama, Boliviaanse aantekeningen’. Het was een poging om de ingewikkelde Boliviaanse samenleving met haar extreme tegenstellingen in kaart te brengen voor een Nederlandstalig lezerspubliek. Sindsdien hebben er zich in Bolivia grote maatschappelijke veranderingen voorgedaan. Het aantreden van Evo Morales in 2006 als eerste inheemse president is daarin zeer belangrijk geweest. Veertien jaar later reist hij opnieuw door het Bolivia onder Morales. Dit is een stuk van zijn dagboek dat hij bijhield op zijn tocht van Santa Cruz de la Sierra, over Cochabamba en Oruro in de richting van La Paz.

Tot morgen als God (Evo) het toestaat (straatbeeld in Santa Cruz de la Sierra)

 

Santa Cruz de la Sierra, 3 februari

Alle banken in de schaduw op de Plaza 24 de septiembre zijn bezet en daar zijn goede subtropische redenen voor. Tito Antonio López stelt voor om dan maar wat rond te struinen zoals trouwens de meeste mensen hier doen. Tito is een stevige man van half de veertig met het uiterlijk van een Evo Morales. Hij is afkomstig uit de hoge Andes en noemt zichzelf daarom ook een aangespoelde Cruceño. Tito is een duizendpoot: hij is hoogleraar Recht en als advocaat voor het bisdom al jaren betrokken bij de basiswerking van de kerk. Daarnaast heeft hij nog een privé advocatenkantoor en verzorgt hij op zondag ook een radioprogramma. Antropoloog Gilbert Pauwels, oblaat in Oruro, had mij aangeraden om hem in Santa Cruz te contacteren. ‘Ga daar maar eens een kijkje nemen want er bestaat een stereotype beeld bij vele mensen dat het westelijke hoogland van Bolivia arm, inheems en radicaal is, terwijl het oostelijke laagland alleen maar blank, rijk en racistisch zou zijn.

‘Ik behoor niet tot de MAS [Movimiento al Socialismo, de partij van president Morales,nvdr],’ waarschuwt Tito López me als introductie. ‘Mijn twee broers wel, maar vanuit mijn christelijk engagement zet ik mij wel in voor een rechtvaardige samenleving.’ Tito is ook de auteur van een boek over kerk en staat waarin hij de vorige Boliviaanse grondwet analyseert.

Het loopt tegen de avond aan maar de temperatuur schommelt zeker nog rond de dertig graden. Ondanks de hitte blaast een koperensemble zich de longen uit het lijf. Dit zijn geen ijle tonen van de Andesfluit, maar schetterende Braziliaanse klanken. Gisteravond zag ik hier een generale repetitie voor het carnaval van begin maart. Ik waande mij even in Rio de Janeiro. Wat een hemelsbreed verschil met het carnaval van Oruro dat veel statischer en veel monotoner is. El que no salta es colla!’ (wie niet danst is een Indiaan) scandeerden cruceños hier op de plaza tijdens de grote betogingen van enkele jaren geleden tegen Morales.

‘Tussen de Andesbewoners en de Cruceños, tussen de zogenaamde collas en de cambas is inderdaad een wereld van verschil,’ onderstreept Tito. ‘Zij die hier geboren zijn mogen zich Cruceños noemen en cambas zijn zij die zich Cruceño voelen.’

Ineens krijg ik negen missiezusters met een wit gesteven kapje in het vizier. Zij lopen als eendjes achter elkaar naar de grote bakstenen kathedraal. De trappen ervoor zitten afgeladen vol. Een blanke man met één been heeft zijn rolstoel zeer strategisch voor de kerkdeur opgesteld. De kerkgangers zijn gul. Er zijn opvallend veel Europese types onder hen. Santa Cruz is voor velen een ‘stad van aankomst’ geworden zoals de Nederlandse stadssocioloog Paul Scheffer dat uitdrukt. Ook Tito is een van die ‘aankomers’. Santa Cruz heeft migranten van over heel de wereld opgevangen. Dat merk je aan de namen en de gezichten. Tito somt er enkele van op: ‘Wit-Russen van na 1917, heel veel Japanners en in mindere mate Duitsers van, vooral, na de Tweede Wereldoorlog, maar ook veel Mennonieten en Brazilianen. Samen met de afstammelingen van de Spanjaarden en de inheemse Guaraní vormen zij de ingrediënten van het zeer diverse culturele palet waaruit deze stad bestaat.’

Twee dreumesen proberen hun heupen in beweging te krijgen, maar raken niet verder dan enkele kromme danspasjes. Een krijgshaftige negentiende- eeuwse figuur op een zwart marmeren sokkel lijkt met zijn getrokken zwaard de maat aan te geven. De naam van deze plaats herinnert aan de dag in 1812 waarop generaal Tucuman slag leverde tegen de Spanjaarden. De man op de sokkel heet echter kolonel Ignacio Warner en is blijkbaar een andere held van het vaderland. Hij heeft net een bos verse bloemen aan zijn voeten gekregen. Het is van op deze plek, die waarschijnlijk naar goede Spaanse traditie Plaza de Armas (Wapenplein) heette, dat de stad is beginnen groeien.

Santa Cruz de la Sierra werd voor de eerste maal gesticht op 26 februari 1560 door Ñuflo de Chaves. ‘De stad, ‘Heilig Kruis van de Heuvels’, is vernoemd naar zijn geboortestad in het Spaanse Extremadura waar wel meer roofzuchtige conquistadores vandaan kwamen,’ verduidelijkt Tito. ‘De originele plek van de stad lag 220 kilometer hier vandaan. De Spanjaarden hebben hier nadrukkelijk hun stempel nagelaten omdat ze vooral geïnteresseerd waren in het goud en zilver van de Cerro Rico in de hoge Andes.’

De plaza is omgeven met koloniale zuilengalerijen waaronder enkele luxueuze theesalons met een aanbod aan verrukkelijke taarten schuilgaan. Even verder beginnen de boulevards met koninklijke palmen die zich intussen al in acht lussen rond het centrum cirkelen. Het krioelt er van de luxueuze woningen met tropische tuinen en enorme zwembaden. ‘Soms wordt Santa Cruz wel eens vergeleken met Miami maar dan zonder zee,’ lacht Tito. ‘Er is hier veel glamour, zeker rond de jaarlijkse Miss Bolivia verkiezingen, die bijna altijd door iemand uit deze regio gewonnen wordt.’

Santa Cruz bleef lange tijd een bescheiden stadje. Volgens de volkstelling van 1950 woonden er toen slechts 42.746 inwoners. Nu is Santa Cruz uitgegroeid tot de grootste stad van het land. Volgens officiële statistieken van 2008 telde de stad 2.626.697 inwoners, wat bijna evenveel is als Paz en haar bovenstad El Alto samen. ‘Op dit moment geldt Santa Cruz als snelst groeiende stedelijk gebied in Zuid-Amerika en in de wereld staat het hiermee op de veertiende plaats,’ weet Tito.

Ook op het vlak van biodiversiteit is Santa Cruz en haar departement van grote betekenis. Samen met Paraguay bezit het departement grote delen van de Pantanal, één der belangrijkste natuurgebieden ter wereld. Achtenzeventig procent van de biodiversiteit is geconcentreerd in dat deel van het land, verneem ik van Miguel Angel Crespo, die directeur is van Probioma. Zoals de naam het zegt, zet deze ngo zich in voor de bescherming van de Boliviaanse biodiversiteit en introduceert ze milieuvriendelijke technieken voor duurzame landbouw. Bij mijn bezoek aan het kantoor van Probioma blijkt deze vijftiger met indringende blik een cijferkanon te zijn. Hij heeft geen spiekbriefje nodig. ‘Honderd procent van de soya, negentig procent van de rijst, achtenzeventig van de rijst, zeventig procent van het graan en veertig procent van de aardappelen komen uit dit departement. Bolivia eet dus wat Santa Cruz produceert’, besluit Crespo. ‘De productie daarvan gebeurt op grootschalige manier,’ voegt hij eraan toe. ‘Tweeëntachtig procent daarvan is in handen van de middelgrote en grote agro-industrie. Je mag ook niet vergeten dat het departement over grote voorraden aan gas en aardolie beschikt.’

Die welvaart zie je als je in Santa Cruz bent. De stad wordt aan alle kanten omringd door moderne en productieve hacienda’s. Veebedrijven hebben enkele duizenden runderen. Soja, rijst, cacao, zonnebloemolie, suikerrietmelasse en levend vee gaan over de weg naar Puerto Suarez. Enorme schepen varen over de Río Paraguay tot aan de monding van de oceaan in de Río de la Plata. In de haven van Montevideo bezitten rijke cruceños een tolvrije zone met pakhuizen, kranen, liften en kaden. In de Oriënte van Bolivia is grond in overvloed. De Wereldbank schat het areaal bebouwbare grond op acht miljoen hectare. In 2007 was daarvan slechts 2,5 miljoen effectief in gebruik.

De speciale gezant voor de VN Jean Ziegler schrijft in zijn boek ‘De haat tegen het Westen’ dat de eigenaars vaak zonen en dochters van SS-ers, Gestapo-officieren, ustasja’s en Roemeense IJzeren Gardisten zijn. Op 5 februari 1983 werd Klaus Barbie, de chef van de Gestapo in Lyon, in Santa Cruz de la Sierra door toedoen van het echtpaar Klarsfeld en met behulp van Régis Debray en François Mitterand opgepikt. Hoewel Jean Ziegler het extreemrechtse karakter naar mijn smaak wat zwaar in de verf zet, blijkt de ‘oligarchie’ zoals ze in de Andes wordt genoemd, onmiskenbaar rechtse opvattingen te hebben.

Tito lacht wanneer ik hem over die benadering van Jean Ziegler spreek. ‘Dat is veel te kort door de bocht. In de politieke strijd tegen Evo Morales heeft het Burgercomité zich opgeworpen als spreekbuis van alle Cruceños maar er zijn hier ook veel aanhangers van de MAS. Dat bleek onder meer uit de laatste presidentsverkiezingen.’

Tito en ik vinden een zitplaats naast een houten grenspaal waarop Autonomía staat. Hij werd in 2006 geplaatst. Het was de periode dat er hier felle protesten plaats vonden tegen Morales en voor autonomie. Het ging er soms hevig aan toe. De UJC was toen betrokken bij aanvallen op kantoren van de MAS en van verschillende ngo’s. De Union Juvenil Cruceñista is de jongerenbond van het burgercomité van Santa Cruz de la Sierra, en bestaat vooral uit midden- en bovenklasse studenten. Deze beweging werd deels vorm gegeven door de Boliviaanse tak van de fascistische Falange beweging, en heeft dan ook een militair karakter. In december 2006 trok een groep bewapende jongeren naar de streek Chiquitanía, waar voornamelijk inheemsen en hooglandmigranten wonen. Ze verwoestten het kantoor van de regionale inheemse organisatie in San Javier. In San Ignacio de Velasco sloegen ze de winkeltjes van vijfendertig kollas kort en klein. In januari 2007 reisden ze in twee vliegtuigen naar het hoger gelegen Cochabamba om daar de middenklassen met geweld bij te staan in hun confrontaties met boeren.

(Liever sterven dan zonder Bolivia te leven)

‘Voor mij mag die autonomie zeer ver doorgevoerd worden, – trouwens dat is voorzien in de nieuwe grondwet- want het centralisme van La Paz is veel te groot, maar dat betekent voor mij niet dat Bolivia moet ophouden te bestaan. Het kan zijn dat er in de toekomst geen Morales meer zal zijn, maar een Santa Cruz zonder Bolivia of een Bolivia zonder Santa Cruz is voor mij ondenkbaar,’ becommentarieert Tito.

Tito wijst naar een bord op de eerste verdieping van een zuilengalerij. Morir antes que sin Bolivia vivir (Liever sterven dan zonder Bolivia te leven). Het klinkt wat pathetisch maar het drukt ook mijn mening uit.’ Boven op de gevel van de Club Social, een ander statig koloniaal gebouw op de plaza wordt die andere verzuchting geuit: Siempre libres Cruceños seamos (Wij, Cruceños, wensen altijd vrij te zijn).

(Wij, Cruceños, wensen altijd vrij te zijn)

Cochabamba, 6 februari

De eigenaar van El horno in Cochabamba heeft niet alleen lekkere salteñas: hij houdt er ook een eigen personalistische filosofie op na. Dat merk ik vanmorgen toen ik mijn met groenten en vlees gevuld broodje ging betalen. Si en No, antwoordt hij wat geheimzinnig op mijn vraag of het nu beter gaat onder de regering van Evo Morales dan voorheen.

‘De menselijke natuur verandert niet zo gauw. Corruptie is er overal,’ filosofeert hij. Ook bij de MAS. Er is immers de eeuwige zuigkracht van de macht.’

De man wijst naar de reproductie van een schilderij achter hem. Het is het gepijnigde gezicht van een inheemse man. Ik herken de expressieve stijl van de Ecuadoraanse schilder Oswaldo Guayasamin. ‘Dit zou ook Evo Morales kunnen zijn… of ieder van ons,’ zegt hij. Revolteren op onderdrukking is des mensen. En toch zijn wij geen helden. Ook Evo Morales niet.’

‘Zie jij Evo Morales dan nog wel zitten?’ vraag ik hem op de man af.

‘Op zijn politiek van socialisme op zich heb ik niets aan te merken, maar als het alleen maar bij een ideologie blijft die niet voortdurend getoetst wordt aan de werkelijkheid dan loopt het fout,’ krijg ik als antwoord.

En hoe ziet die werkelijkheid er uit? De straten naar de Plaza 14 de septiembre, het historisch centrum van Cochabamba, vertonen nog steeds dezelfde beelden van armoede die ik hier zeventien jaar geleden voor het eerst aantrof. Ik loop voorbij een kerkdeur waar bedelende vrouwen en kinderen smeken om een peso. Waarschijnlijk zijn er golondrinas bij, zogenaamde zwaluwen die ‘seizoenarbeid’ moeten verrichten in de steden. Zij worden uitgestuurd door hun dorpsgemeenschap om geld bij elkaar te bedelen. Zo kan het gebeuren dat zij gedurende maanden op de straatstenen van La Paz, Cochabamba, Sucre en andere grote steden moeten leven.

Aan de avenida Heroinas is het ijs-en taartensalon Dumbo, waar de high life van deze stad zich te buiten gaat aan overheerlijke ijscoupes. De rose olifant verleidt me tot het bestellen van een copa selva negra en ik betaal daarvoor 21 bolivianos waarvoor heel veel Bolivianen meer dan twee dagen moeten werken. Het weten dat tweederde van de Bolivianen het nog steeds moeten stellen met tien bolivianos (1,2 dollar) per dag geeft een bittere smaak aan mijn ijsje.

Aan het centrale plein word ik omarmd door vertegenwoordigers van de informele sector. Op de hoek van de calle Bolívar en het plein perst een inheemse vrouw vliegensvlug sinaasappelsap. Ik bestel een sapje en verneem dat zij afkomstig is uit Norte Potosí, een van de armste departementen van het land. Hier weerklinkt andermaal hetzelfde universele migratieverhaal maar dan in een Boliviaanse context. Straatarme boertjes vluchten weg uit de hoge Andes en hopen in de warme vallei van Cochabamba een beter leven te vinden. Volgens officiële cijfers van INE, het nationaal instituut voor statistiek, leeft al zestig procent van de Boliviaanse bevolking in de steden en voor de volgende vijftien jaar verwacht men dat zeventig procent van de Bolivianen stedeling is geworden. Wanneer de sapverkoopster hoort dat ik uit Europa kom, vraagt ze of ik in Spanje geen werk voor haar heb. Dat ik uit België kom, blijkt hij haar helemaal niet te deren. Zij kijkt mij hoopvol aan. Ook internationale migratie ziet zij blijkbaar wel zitten.

(MAS, verraders van het vaderland)

Het is zondag en alles is rustig op de Plaza 14 de septiembre. Bij gebrek aan klanten zit een oude schoenpoetser landerig op zijn eigen houten troon. Het zonnetje schijnt op de krant van mijn bankgenoot, die aandachtig de dikke zondageditie van de plaatselijke krant Los Tiempos leest. We zitten in de schaduw van een hoge boom. Die heb je op het middaguur nodig ook al ligt Cochabamba op ongeveer 2800 meter hoogte. In Bolivia goochelt men met hoogtes waar laaglanders duizelig van worden. Los Tiempos begint vandaag met een reportage over honderdjarigen. Er zijn er blijkbaar behoorlijk wat. Cochabamba moet een gezonde omgeving zijn.

Cochabamba, 7 februari

Maar ook een onrustige, want vandaag staat Cochabamba in rep en roer. Heel de binnenstad met haar nauwe straatjes is dicht geslipt voor het verkeer. Boze melkproducenten komen naar het centrum afgezakt om hun ongenoegen kenbaar te maken over te veel te lage prijs die zij voor hun melk krijgen. Het gaat er grimmig aan toe. Een politiekordon grendelt het kantoor van de gouverneur op de Plaza 14 de septiembre af. Evo Morales en zijn regering krijgen er flink van langs. Vacas comen coca (koeien eten coca) scanderen de boeren van de ADEPLE om aan te geven dat zij geen geld hebben om lupinen voor hun beesten te kopen. Deze koepel vertegenwoordigt zeven verenigingen van melkproducenten en is goed voor ongeveer vierduizend leden. Zij stellen een ultimatum: als de prijzen niet snel worden aangepast komen er wegblokkades. En daar kent men wat van in en rond Cochabamba. Het is een van de niet-gewelddadige, maar gevreesde middelen waarmee in 2000 de slag om het water gewonnen werd. Ook andere sectoren laten van zich horen. Er is schaarste aan suiker en de marktkramers protesteren tegen de monopoliepositie van het staatsbedrijf Emapa dat ondersteuning moet geven aan de productie van levensmiddelen. Volgens hen moet Emapa weg. Ook Miguel Angel Crespo van Probioma vindt dat die staatsdienst uitblinkt in ondeskundigheid. En dan zijn er nog de ontevreden buschauffeurs die de prijs voor een busticket al lang willen verhogen maar tegen een njet van de overheid aanbotsen.

(Evo de koeien eten lupinen geen coca)

De levensduurte stijgt en de schaarste aan bepaalde basisproducten, zoals suiker bijvoorbeeld, neemt toe. Er wordt steeds meer over een voedselcrisis gesproken, niet alleen in Bolivia maar wereldwijd. Wie is daar verantwoordelijk voor? Jean Ziegler waarschuwde in 2008 al voor een voedselcrisis. In ‘De haat tegen het Westen’ schrijft hij: ‘Alle prognoses met name die van de Verenigde Naties, geven aan dat de prijzen in de komende jaren zullen blijven stijgen. En als gevolg daarvan ook de angst voor morgen, de wanhoop van de mensen van het Zuiden.’ Hij somt hiervoor drie oorzaken op: naast de druk van het Internationaal Monetair Fonds op arme landen om een zogenaamd structureel aanpassingsprogramma uit te voeren is er de rol van de acht grootste westerse ondernemingen in de prijsbepaling van voedingsmiddelen en ten derde de massale vervanging van basisvoedingsproducten door biobrandstoffen met als voorwendsel de strijd tegen de klimaatverslechtering. Deze prognose werd gisteren door Robert Zoellick van de Wereldbank bevestigd. In El País van 14 februari vermeldt hij dat in het algemeen de prijzen van de voedingsmiddelen met 15 procent zijn gestegen tussen oktober 2010 en januari 2011. Maïs is zo maar eventjes 73 procent duurder geworden en graan niet veel minder. In dat kader moet ook de situatie in Bolivia bekeken worden. In normale omstandigheden zou de voedselzekerheid in Bolivia moeiteloos kunnen worden gegarandeerd. Evo Morales zegt in Cochabamba dat de klimaatverandering en de houding van enkele grote agro-industriëlen uit Santa Cruz de oorzaak zijn voor de huidige tekorten. Volgens hem zouden zij een kunstmatige schaarste creëren om zijn regering politiek schade te berokkenen. De grote landbouwproducenten in het oosten van het land lieten hun productie dalen als gevolg van de aanhoudende exportbeperkingen. Volgens Miguel Angel Crespo van Probioma wordt het landbouwbeleid voornamelijk vanuit politiek oogpunt gevoerd, met name het uitschakelen van de ‘oligarchie’, en zit er weinig of geen logica in het beleid dat Emapa voert. Vandaag staat er in de krant dat Morales twee ambtenaren van Emapa heeft ontslagen. Verder wil hij blijkbaar niet gaan.

 

 

Cochabamba-Oruro, 9 februari

Een bus van Transazul zal me voor twintig bolivanos (ongeveer twee euro) van Cochabamba naar Oruro brengen. Vier uur om iets meer dan tweehonderd kilometers en bijna tweeduizend meter hoogte te overbruggen. Ik arriveer tien minuten voor vertrek en krijg toch nog zitplaats nummer één. Het blijkt echter dat een oude cholita zich daar al breeduit heeft neergezet. Zij draagt een pollera, een brede grijze schortrok met fijne ruitjes en op haar grijze haren, met hier en daar nog een veegje zwart, wipt ook een grijs bolhoedje. Ik vermoed dat Andesvrouwen zonder dat typische hoofddeksel zich naakt moeten voelen. Zij laat zelfzeker haar biljet zien en dan wordt het ineens voor me duidelijk dat ze niet kan lezen. Ik leg me bij de feiten neer en ga aan de binnenkant zitten. Terwijl zij moeizaam haar linkerbeen verzet, legt ze me uit dat door een val haar knie zwaar is beschadigd. Ze laat me het doktersvoorschrift zien van de medicatie en vraagt me wanneer ze er een moet nemen. Haar vertrouwen in mij is groot. Ze vertelt me dat ze zeven kinderen heeft, vijf meisjes en twee jongens, van wie er nog maar één thuis is. Haar oudste dochter woont in Santa Cruz de la Sierra. Daar is ze naar een veel te dure dokter geweest. Haar andere kinderen wonen in het buitenland, in Spanje en Argentinië. Op die manier is ze al eens naar Buenos Aires kunnen gaan. Dat kan ik ontcijferen uit het Spaans uit haar tandeloze mond waarin met de regelmaat van een klok blaadjes coca verdwijnen. Dat is haar Andino manier om ‘voedselzekerheid’ te verwerven. Ik zie haar rechterwang stilaan dikker worden. Op deze manier duwt ze een aantal rimpels op haar huid weg. Drieënveertig is ze. Ik schrik, want ik ben achtenzestig en heb een dochter van dezelfde leeftijd als die ‘oude’ cholita. Ik luister naar een vertegenwoordiger van Bolivia profunda. Zij behoort tot een van die vele uiteengerukte families die zich vastklampen aan het buitenland om te kunnen overleven. Alleen in Spanje al leven er naar schatting 200.000 Bolivianen. Na een tijdje begint ze te knikkebollen, maar haar bolhoedje blijft parmantig rechtop staan. Ineens stopt de bus. Zou er dan toch een wegbarricade zijn opgeworpen zoals boze melkproducenten hebben aangekondigd? Nee, het is gelukkig een gewone halte waarvan de informele sector gebruik maakt om even met mondvoorraad op te rukken in het gangpad. Mocht ik een fotograaf zijn dat zou ik nu dat abstracte begrip pakkend in beeld kunnen brengen.

De hoge Andes in al haar geteisterde schoonheid komt nu snel dichterbij. We klimmen snel naar een hoogte van 3700 meter. Het is om stil van te worden. Ook van de peilloze diepte naast de weg. In de verte slingeren speelgoedbusjes zich langs de berghellingen. Het regent en dat maakt de kaalte van het landschap nog troostelozer. In de verte wandelen enkele statige lama’s onverstoorbaar door het bergdecor. Enkele aanstellerige ventjes achter ons hebben geen aandacht voor de Andes. Pachamama, moeder aarde, die ons met haar grilligheid overweldigt kan hun gestolen worden. Mijn buurvrouw zucht even in haar slaap. Haar gelaat heeft de grijsbruine kleur van de huisjes in adobe die tegen de hellingen aanleunen. Even later doet ze het raam open en spuwt krachtig haar cocablaadjes in de regen. We zitten nu volledig in de wolken en het begint kil te worden. Onze chauffeur moet ineens krachtig afremmen. In een flits zie ik nog dat een bus volledig gekanteld is. De onderkant werd de zijkant. Er staan mensen rond en ook enkele auto’s. Wat is hier gebeurd? Hoe erg is het? Onze bus stopt niet. Dagelijks gebeuren hier dodelijke ongevallen. Een leven in Bolivia is niet veel waard.

In Oruro word ik door Gilberto Pauwels gastvrij onthaald in het ruime huis van de oblaten. Er is plaats te over, want het aantal oblaten in Bolivia neemt gevoelig af. Een oude Canadese, een Boliviaanse en twee Belgische oblaten zijn de enige bewoners. Er is ook nog Julio, een autistische, doofstomme jongen die door de oblaten van de straat werd gered. Hij is alleen als een schaduw aanwezig. Dit wordt voor de volgende dagen mijn nieuwe verblijfplaats. Ik krijg een leuke slaap- en werkruimte toegewezen. Je moet geen oblaat zijn om je hier vlug thuis te voelen. Aan Gilbert vertel ik mijn busverhaal. ‘Natuurlijk,’ lacht hij. ‘Dat zijn de gevreesde dodenplaatsen. Bij een frontale botsing zijn deze passagiers de eerste slachtoffers.’ Daarom waren die zitjes nog vrij. Gelukkig zit ik nu veilig in een kamer aan de rand van Oruro met uitzicht op de altiplano. A room with a room, ook op de school waar de jonge Evo Morales college liep. Ik zie scholieren met donkerblauw uniform over straat lopen. Ooit liep Evo Morales, een eenvoudige jongen uit het dorpje Orinoca, daar ook als leerling van het Marcos Beltrán instituut.

 

Oruro, 10 februari

Samen met Gilberto Pauwels trek ik naar het centrum van Oruro. Ik volg mijn gids met onvaste stap. Ik voel dat ik snel op mijn adem trap. Mijn longen en heel mijn lichaam moeten zich nog weten te verzoenen met de ijle lucht op 3700 meter. Gilbert schijnt daar geen hinder van te ondervinden. Op de Plaza 10 de febrero is het druk. Inheemsen in traditionele klederdracht en heren in keurig maatpak en met zijden das en gsm in de aanslag krioelen door elkaar. Dat is hier wel ooit anders geweest. Vandaag is het de tiende februari: Oruro viert dat hier 230 jaar geleden de opstand tegen de Spanjaarden is begonnen onder leiding van Sebastian Pagador. Dat vertelt Gilbert me die hier handenschuddend rondloopt. Iedereen schijnt hem te kennen. Na zevenendertig jaar lijkt hij meer Orureño dan West-Vlaming. Er vindt een plechtigheid plaats op de binnenplaats van de prefectuur waarop ook president Evo Morales en vice-president Alvaro García Linera als eregasten aanwezig zijn.

Naast de Boliviaanse vlag wappert ook de wiphala, de inheemse vlag, aan de voorgevel. Het is een interreligieuze ceremonie waaraan wordt deelgenomen door de religieuze leiders van de inheemse gemeenschappen uit Oruro. Aan de overkant in de kathedraal wordt een ‘Te Deum’ gehouden. ‘Dat eerste is conform aan de nieuwe grondwet van de plurinationale staat Bolivia waarin verschillende levensbeschouwingen en godsdiensten naast elkaar leven,’ legt Gilberto me uit. ‘Dat tweede is een initiatief van de nieuwe bisschop, die vindt dat de katholieke kerk nog steeds een voetje voor moet hebben in dit land.’

Een politieagent houdt ons opvallend vriendelijk tegen. We geraken niet binnen zonder uitnodiging. Dat vindt vooral Gilberto zeer jammer, maar hij stribbelt niet tegen. Er zijn blijkbaar zeer strikte veiligheidsmaatregelen getroffen voor de komst van nummer een en twee van het land. Evo Morales is eergisteren uit Dakar teruggekomen waar hij het Wereld Sociaal Forum gevolgd heeft en speelt nu even een thuismatch. Gisteren heeft hij een aantal nieuwe realisaties van de overheid ingehuldigd: een melkfabriek in Chalapatta, een uitbreiding van het plaatselijke meisjeslyceum en van de sporthal waar hij tevens een partijtje zaalvoetbal meespeelde. Waarschijn zal de presidentiële linkerknie waaraan hij een tijdje geleden geopereerd werd, intussen al wel weer hersteld zijn. Morales doet er alles aan om duidelijk te maken dat zijn regering goed bezig is. Dat vindt blijkbaar niet iedereen. Enkele harde knallen van dynamietstaven kondigen een betoging aan.

 

 

Dadelijk wordt het gebouw van de prefectuur in zeven haasten afgesloten. Gilbert en ik gaan een kijkje nemen. Vertegenwoordigers van de vakbond COD en van een aantal gemeentelijke diensten protesteren tegen de prijsverhoging van een aantal basisproducten. Zij eisen ook de sluiting van Amapa, het staatsbedrijf dat steun verleent aan de voedselproductie en dat er volgens hen niets van bakt. Ook in zijn thuisbasis groeit het ongenoegen. Een militaire parade met veel stramme armen en benen probeert er terug wat animo in te brengen, maar Morales blijft onzichtbaar. Naast de hoge militairen marcheert de vrouwelijke burgemeester van Oruro Rossío Pimentel Flores. Haar partij Movimiento sin Miedo (beweging zonder vrees) veroverde einde 2009 in de thuishaven van Morales de burgemeestersstoel. Dat is al een veeg teken aan de wand. De populariteit van Morales neemt flink af. Begin 2011 stond nog maar 30 procent van de bevolking achter hem, 67 procent wees hem af en drie procent antwoordde niet op de enquête die in La Paz, El Alto, Cochabamba en Santa Cruz de la Sierra werd afgenomen, waar toch zes van de tien miljoen Bolivianen wonen. Álvaro García Linera komt er nog bekaaider af met slechts 21 procent van de bevolking achter zich. En toch gaat het over diezelfde Evo Morales die op 5 december 2009 niet minder dan 63 procent van de stemmen achter zijn naam kreeg en daardoor als in een zetel aan zijn tweede ambtstermijn kon beginnen. Zijn belangrijkste tegenkandidaat voor het presidentschap, Manfred Reyes Villa uit Cochabamba, bleef steken op 27 procent van de stemmen.

Gilberto wijst discreet naar een blanke man met een baardje die mee vooraan loopt in de defilé. ‘Dat is de nieuwe Poolse bisschop Cristóbal Bialasik. Niet direct mijn beste vriend,’ voegt hij er lachend aan toe. ‘Hij vertegenwoordigt een deel van de katholieke kerk waarmee ik weinig voeling heb. Daarnet was er die interreligieuze dialoog waar wij niet binnen mochten, maar eigenlijk mochten wij als katholieken daaraan ook niet deelnemen. Er is volgens hem maar één waar geloof en dat wordt verkondigd door de katholieke kerk. In dit land is echter een zeer grote religiositeit aanwezig. De binding met de natuur en Pachamama is enorm groot. Dat weet ik als antropoloog maar al te goed, maar dat wordt door deze bisschop niet erkend. Ook via CEPA, het centrum voor Andinocultuur en ecologie, komen we voordurend in conflict met hem. Onlangs nog kregen we verbod om deel te nemen aan een interreligieuze boekenbeurs. Als CEPA hebben we dat verbod naast ons neergelegd. Ook onze deelname aan de wekelijkse uitzendingen van de volksradio Pio XII in Oruro worden ons niet in dank afgenomen.”

Gilbert Pauwels is en blijft een vertegenwoordiger van de basiskerk, zoals een groot aantal oblaten in dit land en zoals katholieke leken als de advocaat Tito Lopéz in Santa Cruz de la Sierra. Paus Johannes XXIII is echter al lang dood en met hem een flink deel van de bevrijdingstheologie. In de plaatselijke krant La Patria zegt bisschop Bialasik nog eens uitdrukkelijk dat er in het departement Oruro maar één ware godsdienst is. Je moet maar durven. Het lijkt wel alsof aartsbisschop Leonard of Pius XII, even opgestaan uit zijn graf, aan het woord zijn. De absolute pretentie van het monotheïsme of van de boekgodsdiensten kan leiden tot barbaarse vormen van intolerantie. Wat is trouwens het verschil tussen het ‘Si dieu le veut’ van de kruisvaarders en de Jihad in naam van Allah van de huidige islamisten? Daartegenover staat een gezond pantheïsme van de zogenaamde natuurgodsdiensten, die geen God kennen, maar die beter dan wie ook weten wat het Latijnse werkwoord religere, het verbonden zijn met de natuur en de heilige plaatsen betekent. Bisschop Bialasik en de Roomse kerk kunnen nog veel lesjes leren van de Aymara, Quechua, Urus, Chipaya’s, Guaraní en andere pueblos originarios (oorspronkelijke volkeren) van Bolivia.

‘Wereldwijd gaan we terug naar af,’ zei Edgard Francken me gisteren tijdens het eten. Deze dokter en oblaat uit Essen die al meer dan dertig jaar in Bolivia werkt ziet in zijn omgeving jonge priesters opduiken in soutane en met een bonnet op het hoofd. ‘Het lijkt wel of de tijd van de dorpspastoor in de films van Fernandel is teruggekeerd,’ voegde hij er aan toe.

‘In ons CEPA-blaadje Chiwanku dat in het Aymara merel betekent omdat hij ’s morgens de eerste nieuwsbrenger is, zal ik als antropoloog naar aanleiding van carnaval nog eens het omgekeerde moeten schrijven,’ zegt Gilberto strijdbaar en automatisch begint hij aan een uiteenzetting over het Duivel-carnaval van Oruro dat uitgeroepen is tot ‘Patrimonium van de Mensheid’.

De West-Vlaming is na al die jaren een notoire kenner van Oruro en omgeving geworden, zowel van de geschiedenis als van de inheemse cultuur. ‘Het begon allemaal onooglijk, een paar eeuwen geleden. In een kapel van een mijnwerkerswijk van Oruro werd ieder jaar het feest van Lichtmis gevierd. Kort daarop kwam Carnaval aan de beurt. Mijnbaas en pastoor vonden dit van het goede teveel. Er werd te veel gedronken en gedanst, te veel gezondigd en te weinig gewerkt en dus kwamen ze op het idee om deze twee feesten tot één te herleiden. Het feest van O.L.-Vrouw van de Mijnschacht, zou dan tijdens de Carnavalsdagen gevierd worden. De Carnavalsstoet werd een processie en de duivels doen tot vandaag de knieval voor de Heilige Maagd.’ monkelt Gilberto in zijn baard. ‘De wijkkapel werd een heiligdom, haar ‘kermis’ een eindeloze optocht van duizenden dansers, verkleed als duivels of in traditionele klederdracht. Dit betekent dat de stadmensen hun maskarade-carnaval lieten vallen en zich de muziek en dans van de Indiaanse dorpen eigen maakten. En sinds een paar jaar wordt ook door de chefs van de traditionele gemeenschappen – onder andere met de steun van CEPA – in de heuvels van Oruro op rituele manier om regen gesmeekt,” eindigt Pauwels zijn verhaal. ‘Volgende week brengt Marcelo Lara Barrientos, een jonge antropoloog van CEPA, een nieuw boek uit over carnaval. Dat zal onze bijdrage zijn aan het carnaval van dit jaar, maar die zal zeker niet gesmaakt worden door bisschop Bialasik. Wij moeten tegen een bijzonder conservatieve stroom in de kerk oproeien,’ zucht hij.

Overal ter wereld drukken de Bialasiks en de Leonards elkaar de conservatieve hand. De Gilberto Pauwelsen van deze wereld hebben het niet makkelijk.

Terwijl Gilberto zijn betoog houdt, marcheren de stramme ledematen van de militairen in gevechtsuitrusting onverstoorbaar verder. De Andesgoden beslissen ineens dat het welletjes is geweest. Ze sturen een venijnige vlaag hagelbollen op ons af. De optocht verwatert snel. Wij vluchten, zoals iedereen, een busje in. Ook Evo Morales vond het blijkbaar welletjes, want hij vertrok stante pede naar La Paz. Zijn woordvoerder Iván Canelas deelde mee dat hij dynamietstaven niet op zijn plaats vond. Het is echter de vraag of hij daar beter zal ontvangen worden, want ook in El Alto begint de sociale onlusttemperatuur te stijgen.

Mandar obediendo (besturen al luisterend) maar naar wie?, vraagt La Epoca van 6 tot 12 februari 2011 zich af. Begin januari 2011 kwam het ook in het legendarische mijnwerkerscentrum Llalagua tot felle protesten tegen de constante prijsverhogingen van de basisproducten. Er werden overal winkels geplunderd en in brand gestoken. Verarmde, boze Bolivianen zijn tot alles in staat. Vroeger maar nu blijkbaar ook nog. Ik ben benieuwd wat er nu verder met Amapa zal gebeuren. Gaat de regering opnieuw ‘luisteren naar het volk’? 2011 kondigt zich aan als een moeilijk jaar voor de regering-Morales. Als hij niet oppast dreigt de ex-cocalero de steun van de ‘natuurlijke’ medestanders van zijn regering – vakbonden, boerenverenigingen, beroepsgroepen en ook inheemse groeperingen – te verliezen.

Het is nu pas 10 februari 2011 en toch ziet er naar uit dat men zich al opmaakt voor de volgende verkiezingen die pas einde 2014 zullen plaatsvinden. In principe zal Morales geen kandidaat meer kunnen zijn, want de grondwet laat slechts twee ambtstermijnen toe. De eerste was geen volledige ambtstermijn, dus kan ik nog een keer opkomen, stelt Morales. Wat als dat niet lukt? Wat in het post Morales-tijdperk met de MAS? Zijn er andere sterke kandidaten die klaar staan? Allemaal vragen die zich beginnen te stellen.

In 2010 startte de MAS met een nationale school voor politieke vorming die ‘de revolutionaire veranderingen’ verder vorm moeten geven. Kadervorming is een absolute noodzaak zeker voor een partij die vrijwel onvoorbereid en met relatief weinig geschoolde mensen de leiding van de staat in handen kreeg. Morales verslijt ministers met de vleet en dat is een veeg teken aan de wand. Hij heeft onlangs zijn kabinet weer op drie plaatsen moeten aanpassen. Deze school hoopt op termijn niet minder dan 10.000 nieuwe leiders politiek te scholen. Ook de MSM (Movimiento Sin Miedo) benadrukt bij monde van Fabián Yaksik dat zij permanent aan vorming doen voor hun politieke leiders.

 

Het gevaar voor Evo Morales en de MAS lijkt op dit ogenblik niet van de traditionele partijen te komen, zoal de MNR, ADN en UN die na twee keer Morales van de politieke kaart lijken geveegd, maar eerder uit eigen rangen. In La Razón van 13 februari 2011 zegt Félix Patzi, ex minister van onderwijs, en enkele maanden geleden om onduidelijke uit de MAS gezet, dat hij met een nieuwe partij begint. Ze heet IPC (Integración para el Cambio) en zal zich, dixit Patzi, niet keren tegen de regering. De IPC zal het veranderingsproces dat onder Morales op gang is gekomen met eigen accenten verder zetten. Patzi zal zich voornamelijk richten naar boeren en inheemsen ter linkerzijde. Gisteren volgde ik aan de universiteit van Potosí een cursus antropologie onder de titel Cosmovisión y espiritualidad Andina. Een van de initiatiefnemers heet Félix Patzi. Ik kon met mijn ellebogen aanvoelen dat er binnen de faculteit een anti-Morales sfeer bestaat. Dat belooft. In Cochabamba is ook Eduardo Contreras, ex-woordvoerder van Evo Morales, klaar om een nieuwe partij te beginnen. Ook in het oosten van het land is volgens dezelfde krant een nieuwe partij in aanmaak. De NPC (Nuevo Poder Ciudadano) onder leiding van senator Germán Antelo begint daar al campagne voor te bereiden. In deze hete maand februari rijzen er nieuwe politieke initiatieven als paddenstoelen uit de ontevreden Boliviaanse grond op.

Bolivia cambia, Eco cumple (Bolivia verandert, Evo houdt zijn beloften). Dat is de slogan waarmee de regering uitpakt. De gewone man die de levensduurte almaar ziet toenemen, wordt zeer ongeduldig. De regering moet dringend de inflatie onder controle proberen te krijgen. De belangengroepen rollen intussen over elkaar heen en in Cochabamba is al behoorlijk wat geweld gebruikt. Buschauffeurs proberen al maanden een verhoging van hun tarieven te bedingen, maar sterke buurtgroepen verzetten zich daar fel tegen. Wie moet over die verhogingen beslissen? Morales zegt dat hij tegen die verhogingen is, maar dat de gemeentelijke overheden moeten beslissen. Op die manier kan hij de hete aardappel doorschuiven naar de burgemeesters van de grote steden, die in veel gevallen niet van de MAS zijn.

 

Nieuw voetbalstadion in Orinoca, het geboortedorp van Evo Morales dichtbij Oruro

Oruro, 15 februari

Ik geraak niet in het centrum van Oruro. De vakbond COD heeft alle toegangswegen naar de binnenstad afgesloten. Een deel van de sociale beweging die hem mee in het politieke zadel hebben gehesen staat nu ook klaar om hem beentje te lichten. Vandaag staat er in de krant dat er alweer drie ministerposten gewisseld werden. Dat zijn er op korte tijd dan al zes. Tot nu toe was Morales een behendige politieke dribbelaar. Zal hij zich nu ook weer kunnen handhaven?

Oruro, 19 februari

Als ik morgen niet uit Oruro naar La Paz kan vertrekken, zit ik met een probleempje, want vanaf maandag gaan de buschauffeurs nationaal in staking. Heel het land zal plat liggen. Dat wordt de eerste keer onder Morales. Zijn probleem is veel groter. Wat gaat de regering doen?

(Uitpers nr. 129, 12de jg., maart 2011)

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 92 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

zie ook