Midden in het onbewoonbare

Een nieuwe vriend

Ik zal het maar dadelijk bekennen: ‘Midden in het onbewoonbare’ is een hele tijd mijn livre de chevet geweest. Zeker twee maanden lag deze kanjer van een boek op mijn nachtkastje. Elke avond proefde ik ervan. Van maand tot maand volgde ik Cyrille Offermans in zijn intellectueel boeiend journaal dat hij in 2019 bijhield. Op het einde ervan had ik een vriend erbij. Dat gevoel kreeg ik althans hoewel ik Cyrille Offermans helemaal niet persoonlijk ken. De man was mij alleen bekend van zijn scherpzinnige schrifturen in Vrij Nederland en in De Groene Amsterdammer en nog op vele andere plaatsen. Is grondige lectuur – met potlood achter het oor – dan genoeg om dat dure woord ‘vriendschap’ te gebruiken zonder versleten te worden als een dweperige puber van 78 jaar? Ik denk het wel. Zo’n gevoel is ook aanwezig bij de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis. In ‘Zonder vrienden geen filosofie’ stelt hij dat vriendschapsrelaties zich ook ver in tijd en ruimte kunnen uitstrekken. Voor hem kunnen denkers van vroeger, zoals Hannah Arendt, Ivan Illich, Ernst Bloch en zovele andere filosofen en schrijvers intieme vrienden zijn. En Achterhuis voegt er nog uitdagend aan toe: ‘Ondanks alle wijsgerige praat over het autonome individu ben ik mij steeds bewust geworden van mijn verwevenheid met vele anderen die mij hebben gedragen, bepaald, gevormd en veranderd’.

Eiland in het onbewoonbare

Dat gevoel kreeg ik ook heel sterk bij het lezen van dit journaal met de mooie en veelzeggende titel die heel goed de grondhouding aangeeft van hoe de auteur tegen de huidige wereld aankijkt. Voor de toelichting ervan moet de lezer echter tot de laatste bladzijden van december wachten, want daar pas, terwijl hij over Georges Perec schrijft, komt dan zijn verklaring: ‘De grondstoffen- en klimaatcrisis – en de oorlogen die daarvan een gevolg zijn – dreigen steeds grotere delen van de wereld onbewoonbaar te maken.’ (p. 593) Ook het Westen, ook Nederland zijn vooralsnog een bevoorrecht, maar ook bedreigd eiland midden in het onbewoonbare. En, voegt hij eraan toe, die onbewoonbaarheid moet ook begrepen worden in sociale en culturele zin, want Offermans loopt niet hoog op met de gauw-gauw oppervlakkige tijdgeest. Neen, hij gaat er zelfs regelrecht tegenin. ‘De globale amusementsindustrie heeft ook de meeste volwassenen beroofd van het geduld en de concentratie nodig om zich op iets anders te kunnen richten dan de vrijwel onmiddellijke, gewelddadige ontlading.’ (p. 18) Wie leest nog zo’n dikke boeken? Offermans alvast en hij schrijft ze ook zelf. Met deze publicatie houdt hij een fors pleidooi voor een leescultuur die dreigt te verdwijnen. ‘De schrijver – en in zijn spoor de lezer – is bij uitstek de hoeder van de onbegrensde potenties van de geschreven taal, zeker in tijden als de onze – ruwe, onverschillige tijden, waarin we bijna dagelijks worden opgeschrikt door nieuwe gapende afgronden van discontinuïteiten op elk gebied.’ (p. 574)
Via dit journaal ontstaat er een tweevoudig beeld: een beeld van de wereld van de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw en – laat het duidelijk zijn – het wereldbeeld van een geëngageerde linkse intellectueel die zich in het onbewoonbare staande probeert te houden. Offermans doet dat in het pre-coronajaar 2019, maar bij momenten leest het journaal ook als een onheilspellend voorspel op een aangekondigde ramp.

Geen onderwerp is hem vreemd

‘Midden in het onbewoonbare’ is een hybride schrijfoefening, zowel qua vorm als qua inhoud. Ja, het is natuurlijk een autobiografisch document, zoals je van een dagboek mag verwachten, maar het heeft bij momenten ook trekken van een sterk geëlaboreerd essay met hier en daar puntige formuleringen die je dan weer vaker in cursiefjes aantreft. Qua schrijfstijl is Offermans een begenadigde ‘borderliner’, een stilist zonder grenzen met de nadruk op dat laatste. En waar komt dan dat hybride karakter inhoudelijk vandaan? ‘Ik reageer op literaire, culturele, politieke gebeurtenissen in de wereld, de grote en de kleine, soms ook op daardoor uitgelokte herinneringen, fantasieën, associaties, nieuwe voornemens.’ (p. 370) Voilà, everything goes, zoals de Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend in zijn ‘Against method’ schreef. Wetenschap moet niet saai zijn, een essayistisch journaal ook niet.
Op het eerste gezicht zou deze werkwijze kunnen leiden tot niet meer dan een willekeurig allegaartje, maar dat is het journaal geenszins geworden. ‘Er zouden lijnen, patronen, sluipwegen desnoods moeten ontstaan tussen de verschillende fragmenten, er zou sprake moeten zijn van een zekere continuïteit, liever nog van een nauwelijks merkbare overgang tussen persoonlijke en algemene onderwerpen.’ (p. 371) Die wens drukt Cyrille Offermans zelf uit, maar daarin is hij mijns inziens ook cum laude geslaagd. Elke bladzijde draagt de zeer eigen Offermans-stempel. Het is de stempel van de anti-specialist die zich moeiteloos en natuurlijkerwijs op alle denkbare (kennis) gebieden begeeft, ook als hij daar niet de vereiste diploma’s voor op zak heeft. ‘In hem is de ongebreidelde nieuwsgierigheid van het kind door niets, zeker niet door enig schoolvak, het zwijgen opgelegd. Zijn belangstelling is encyclopedisch, zij het zonder veel respect voor het alfabet als neutraal ordeningsprincipe.’ (p. 579). En laat dit dan gezegd en geschreven zijn door iemand die levenslang leraar is geweest. Van zo iemand kun je wat opsteken, denk ik dan na die twee maanden bedlectuur.
Waarover heeft hij het dan allemaal? Geen onderwerp is hem vreemd en hij kuiert rond op heel veel terreinen die vaak vertrekken van de kleine dagelijkse dingen zoals een beschouwing over de vierjarige Lisa die een huis tekent tot het verhaal van het ‘lelijk vogeltje’ dat Garincha heet, de begenadigde Braziliaanse voetballer met de kromme benen onder ‘de goddelijke kanaries’ en van ‘Een standbeeld voor Alaphilippe’, een eloge aan de Franse renner, tot ‘Het vlot van de Medusa’ waarmee de Franse schilder Théodore Géricault wereldberoemd werd, maar verder ook zijn commentaren bij de documentaire ‘Buddy’ van Heddy Honigmann waarin hij uitwijkt naar de filosofie en een subtiel onderscheid aanbrengt tussen ‘medelijden’ en ‘mededogen’ waardoor hij weer dicht in de buurt van het werk van de Franse filosoof Emanuel Levinas en zijn ‘la petite bonté’ komt en vandaar ook bij de ‘gutmensch’ (‘een goedheid zonder bijbedoelingen, een goedheid van het kleine, opmonterende gebaar’) belandt. En op zijn voeten komt Offermans telkens weer terecht ook al loopt hij met hinkstapsprongen door de ruimte en de tijd en verzeilt hij van een boek in een film of in de wereld van de architectuur, het theater, de muziek, de beeldende kunst, de stedenbouw of de wereldpolitiek. Landen doet hij en steeds met verve. Dat hij geïnspireerd en nog steeds geboeid wordt door de marxistische georiënteerde filosofen en sociologen van de Frankfurter Schule – zijn verwijzingen naar Theodor Adorno, Max Horkheimer en Ernst Bloch zijn legio – is zonder meer duidelijk. Aan een bevriende uitgever doet hij trouwens de boeiende suggestie om ‘Das Prinzip Hoffnung’, het standaardwerk van Ernst Bloch, de filosoof van de hoop, in een Nederlandse vertaling uit te brengen. Maar ook de cinefiel in Offermans is ruim aanwezig in het journaal en dat merk je onder meer aan zijn lyrische bespreking van de Mexicaanse zwart-wit film Roma van Alfonso Cuarón. Maar ook en vooral aan zijn respect voor de Syrische filmmaker Waad al-Kateab van ‘For Sama’, die vanuit het belegerde Aleppo een bloedmooie, intrieste documentaire wist te maken, opgedragen aan haar baby. Je kunt het niet droog houden als je zoiets ziet.
Er zijn echter ook passages in het journaal van Offermans waar dat moeilijk blijkt. Ik denk dan bijvoorbeeld aan ‘Mercato dei Aiali’ waarin hij een ontroerend portret schetst van zijn schoonvader en ook aan ‘Kroniek van een vriendschap’ dat gaat over het leven en de dood van een zeer goede vriendin. Tussendoor strooit Offermans ook kwistig met titels en inhouden van boeken waaraan je door zijn gedreven en diepgaande benadering als geïnteresseerde lezer onmogelijk kunt voorbijgaan. Ik doe hier een kleine greep uit verwijzingen van boeken die vanaf nu op mijn verlanglijst staan. (Michel Serres, De wereld onder de duim, Ulrich Boschwitz, De reiziger, Fernando Aramburu, Vaderland, Lászlo Krasznahorkai , Baron Wenckheim keert terug, Lidia Ginzburg, Omsingeld, notities van een belegerde, Andrej Platonov, Verhalen, Oleg Pavlov, De aardappels en de staat, Karel Capek, Het jaar van de tuinier.) Maar er is nog veel meer voor mensen met een niet te stillen leeshonger. Hoe één boek je op het spoor van tientallen andere kan brengen.

Ambivalentie

Cyrille Offermans is zeker ook een bewonderaar van de Joodse auteur Amos Oz en dan vooral van zijn ‘Een verhaal van liefde en duisternis’. Dat bekent hij in ‘Buurjongens’ waarin hij Oz ‘een consequente grensganger, geen partijganger’ noemt. ‘Hij weigerde het een te kiezen met uitsluiting van het andere, hij voelde zich alleen thuis in een sfeer van ambivalentie.’ (p. 43) Die ambivalente gevoelens, dat kunnen omspringen met ‘dubbelheid’, met tegenstrijdigheden lijkt mij ook sterk aanwezig in de manier waarop Offermans naar de wereld kijkt, als mens, als lezer, als criticus. ‘Het verlangen naar een veelzijdige, ja uitputtende, vaak ambivalente eerlijkheid’ is bij hem ook sterk aanwezig. Dat blijkt op verschillende plaatsen zoals in ‘Een agressieloze oorlogsvrijwilliger’ wanneer hij naar aanleiding van Wim Hazeus biografie over Lucebert diens aangebrand oorlogsverleden zeker niet goed praat, maar toch eerder pleit voor een genuanceerde benadering van de mens en de kunstenaar Lucebert waarin de grijze tinten de wit-zwarte stigmatisering overheersen.

Het oude vuur brandt nog steeds

Ik zei het al: ongeveer twee maanden heb ik gelezen aan ‘Midden in het onbewoonbare’. Daarom was het voor mij ook zo onbegrijpelijk hoe die man van intussen 75 jaar het klaar speelt om op één jaar tijd zoveel te lezen in verschillende talen en daarover uiterst boeiende dingen te schrijven. Hoe doet hij dat toch allemaal? Hij geeft daar zelf een zeer menselijk antwoord op: ‘Naarmate de mij toegemeten tijd, waar ik trouwens niet in geloof, geringer wordt, want er zijn momenten van verhevigde realiteitszin waarin ik aan dat besef toch niet ontkom, lijkt het wel of ik door steeds meer lees- en schrijfwensen wordt belaagd die erom smeken te worden vervuld. Er is geen beginnen aan, denk ik weleens in een moedeloze bui – maar er niet aan beginnen stemt me at the end of the day nog moedelozer.’ (p. 366) Dat begrijp ik.
Met ‘Midden in het onbewoonbare’ bewijst Offermans andermaal dat hij een tegendraadse, onafhankelijke denker is die zich begeeft, gedreven door nieuwsgierigheid, gecombineerd met een ongelooflijke werklust, op een eigenzinnige, grensoverschrijdende weg om ‘het onbewoonbare bewoonbaar te maken, in beeld, in taal, in de realiteit’.
‘Dit journaal ’, zo schrijft Offermans, is daarom allereerst, in elk geval voor mij, een oefening in het brandend houden van het oude vuur’ (p. 152). Na lectuur is het voor mij duidelijk: dat innerlijke vuur van Cyrille Offermans brandt nog volop in zijn studeer/werkkamer in het Limburgse Heerlen.
Ik houd nu al een plaatsje vrij op mijn nachtkastje voor een volgend journaal van het coronajaar 2020.

Midden in het onbewoonbare
Cyrille Offermans
De Arbeiderspers, Amsterdam
2020
622 blz.
9789029541596
(Visited 92 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).