Menselijk leed en corruptie in het bezette Irak

Terwijl de kosten voor de oorlog in Irak maar blijven oplopen (Bush vroeg voor het jaar 2008 een defensiebudget van maar liefst 141,7 miljard VS-dollar aan voor de strijd tegen het terrorisme in Afghanistan en Irak), werden de desastreuze gevolgen van de Amerikaanse aanpak in het land officieel vastgelegd in verschillende pas verschenen rapporten.

Humanitaire crisis

In samenwerking met het NGO-Coördinatie Comité in Irak[1], presenteerde Oxfam in juli 2007 een lijvig rapport over de humanitaire kosten van de Amerikaanse oorlog en de bezetting. Maar liefst 8 miljoen mensen hebben volgens dit rapport dringend behoefte aan noodhulp. Dit cijfer wordt verder onderverdeeld in 3 grote groepen. Er is de groep van ongeveer 2 miljoen vluchtelingen die verspreid zijn over de buurlanden, maar toch voornamelijk in Syrië en Jordanië vertoeven. 2 miljoen mensen zijn binnen de grenzen van Irak zelf op de vlucht geslagen en hebben zich in andere delen van het land gevestigd of zijn nog altijd op de dool (internally displaced persons-IDP’s). Tenslotte is er een groep van 4 miljoen Irakezen die simpelweg geen voedselzekerheid hebben en een dringende behoefte hebben aan verschillende vormen van humanitaire assistentie. Het Oxfam-rapport richt zich vooral op deze laatste groep. Het aanhoudende geweld en de onmogelijkheid om de fundamentele mensenrechten te beschermen vormen de grootste problemen voor de bevolking in Irak, maar ondertussen kan evenmin voorzien worden in hun basisbehoeften, zoals zuiver water, voedsel, onderdak, gezondheidszorg, onderwijs en werk.

Van de vier miljoen Irakezen die afhankelijk zijn van voedselverdeling, heeft momenteel slechts 60% toegang tot het Algemene Distributiesysteem geleid door de regering (Public Distribution System-PDS). In 2004 was dat nog 96%. Dit is vooral te wijten aan registratie- en leveringsproblemen in de huidige gewelddadige en onveilige context. Van de 2 miljoen IDP’s had in 2006, 32% totaal geen toegang tot de voedselbevoorrading van de regering. 51% ontving nu en dan eens voedsel en slechts 17% kon rekenen op een regelmatige voedselbedeling. Bovendien ontbreken vaak cruciale elementen in de voedselpakketten. Het aantal Irakezen dat geen toegang heeft tot voldoende en zuiver water is sinds 2003 gestegen van 50% tot 70%. Het water is vaak vervuild door de slechte staat van het rioleringssysteem en van het waterdistributienetwerk. In de rivieren, die in deze omstandigheden vaak de belangrijkste bronnen van drinkwater zijn, wordt onbehandeld rioolwater geloosd. De meeste huizen in Bagdad en de andere steden ontvangen gemiddeld 2 uur elektriciteit per dag.

Absolute armoede is het huidige lot van maar liefst 43% van de Irakezen. Vooral kinderen worden het hardst getroffen. In het Irak onder embargo, voor de Amerikaanse invasie van 2003, was 19% van de kinderen ondervoed. Dit percentage is ondertussen gestegen tot 28%. De armoede van vele families zit geworteld in de hoge werkloosheidsgraad. Bovendien zijn werkloze jonge mannen gemakkelijk te rekruteren door gewapende milities. De grootste slachtoffers van geweld -waarschijnlijk meer dan 90%- zijn mannen. Ze laten vaak huishoudens achter waarin de vrouw worstelt om het verlies van de belangrijkste kostwinner op te vangen. Men schat dat meer dan de helft van de Irakese bevolking werkloos is en de zogenaamde ‘brain drain’ (= de uittocht van geschoolde mensen) zorgt er voor dat de publieke diensten onvoldoende functioneren. Medisch personeel, onderwijzers, ingenieurs en vele andere beroepsgroepen die momenteel absoluut nodig zijn, vluchtten de afgelopen jaren massaal het land uit.

Conflictsituatie

De Irakese regering, internationale donoren en de Verenigde Naties hebben zich vooral gefocust op reconstructie, ontwikkeling en het opbouwen van politieke instituties. Hoewel dit zonder twijfel ook nodig is, gaan deze inspanningen volledig voorbij aan de realiteit van geweld en conflict en de dagelijkse strijd van de Irakezen om te overleven. Ondanks de stijgende nood aan humanitaire hulp reageren de internationale donors omgekeerd. De ontwikkelingshulp van de donoren van de Organisatie voor Economische Coöperatie en Ontwikkeling (OECD), is tussen 2003 en 2005 gestegen met 922% tot 20.948 miljoen dollar, terwijl de humanitaire steun daalde tot 453 miljoen dollar. Volgens een enquête uitgevoerd door Oxfam zelf daalde dit bedrag in verder 2006 tot een alarmerende 95 miljoen dollar, ondanks de stijgende behoefte[2]. Men kan echter niet beginnen aan de reconstructie van Irak alsof het een land betreft dat zopas een zwaar conflict achter de rug heeft. Het zit er net midden in. De grootste bedreiging voor de Irakese bevolking vandaag is de bezetting, de staat van burgeroorlog en het geweld dat hiermee gepaard gaat. Na de initiële impact van de invasie verslechterde de situatie nog meer in april 2004 met de gevechten in Fallujah en Najaf. En na de bombardementen op de sji’itische Al-Askari-moskee in Samarra in februari 2006, flakkerde het sektarische geweld fel op. Geweld dat om veel meer draait dan religie, en het resultaat is van een strijd om het verwerven van macht op alle niveaus van de samenleving in een land waar de machtsverhoudingen opnieuw bepaald moeten worden. Geweld dat er voor zorgt dat de burgerbevolking geplaagd wordt door chronische armoede, ondervoeding, ziekten, vernietigde woningen, een gebrek aan basisinfrastructuur en gezondheidszorg, vele verwondingen en de dood. De cijfers gepresenteerd in het Oxfam-rapport tonen duidelijk aan dat de nood aan humanitaire basishulp alsmaar stringenter wordt. De situatie is het ernstigst in het centrale deel van het land, terwijl het Zuiden zeer onstabiel blijft. Zelfs in de meer stabiele en ontwikkelde gebieden van het Noorden verspreidt het geweld zich en moeten de gemeenschappen hun uiterste best doen om aan hun basisbehoeften en aan die van de ontheemden (de IDP’s) te voldoen.

Verantwoordelijkheid

Het ‘Global Policy Forum’ in New York legt de hoofdschuld voor deze catastrofale situatie bij de Verenigde Staten. Opstandelingen, criminele bendes en milities die voortdurend in het nieuws zijn met allerlei gewelddadigheden, hebben verschillende motivaties en sommigen hebben heel wat gewonden en doden op hun geweten. Het bloedvergieten, het stijgend aantal burgerslachtoffers en de sektarische verdeeldheid is verschrikkelijk. Maar welke verantwoordelijkheid de Irakezen zelf ook dragen voor de huidige impasse in het land, de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de Verenigde Staten en haar coalitie. Hun militaire bezetting heeft namelijk de aanleiding gegeven tot het ontstaan van deze groepen en hun beleid is er niet in geslaagd de Irakese burgers te beschermen of vrede, welvaart en democratie te brengen zoals vooraf verkondigd. In het rapport van het Global Policy Forum over het conflict in Irak, wordt specifiek de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheden van de VS-coalitie onder het internationaal recht. De verantwoordelijkheid van de VS-coalitie weegt des te zwaarder omdat de VN Veiligheidsraad ze een mandaat verschafte. Een mandaat dat de Veiligheidsraad mede verantwoordelijk maakt voor het hele debacle. De VN speelde nooit een vitale rol in Irak en na de bomaanslag van 19 augustus 2003 op het hoofdkwartier van de VN in Bagdad, verminderde de organisatie drastisch zijn aanwezigheid en betrokkenheid. De VN speelt feitelijk geen superviserende rol en de Veiligheidsraad heeft sinds de aanslag zelden een substantiële discussie gehad over de hele Irak-situatie. Dit stilzwijgen maakt de VN echter niet minder medeplichtig, integendeel.

Menselijk en cultureel verlies

Ondertussen hebben de Verenigde Staten naast het creëren van een onveilige en onstabiele omgeving, ook voor heel wat rechtstreeks leed gezorgd. De coalitie heeft gebruik gemaakt van arbitraire wapens, die zware letsels toebrengen en die verboden zijn via internationale verdragen of algemeen beschouwd worden als onaanvaardbaar en inhumaan. Tijdens de invasie maakten de coalitietroepen bijvoorbeeld gebruik van clusterbommen en munities met verrijkt uranium. Bij verschillende operaties werd ook gebruik gemaakt van een napalmachtig verbrandingswapen en witte fosformunitie. Een groot aantal Irakezen werd door de VS-coalitie en zijn Irakese regeringspartners in naam van de veiligheid vastgehouden zonder aanklacht en/of proces in omstandigheden die niet aan de mensenrechtenstandaard voldoen. Amerikaanse troepen mishandelden en martelden tot nu toe vele gevangenen en ook in de Irakese gevangenissen gaan deze praktijken door met medeweten en medeplichtigheid van de VS-coalitie. De VS-troepen hebben verschillende Irakese steden aangevallen en vernietigd met als reden dat het “bolwerken van verzet” zouden zijn. De aanvallen resulteerden in vele burgerslachtoffers, vluchtelingenstromen, dakloosheid en een vernietiging van de stedelijke infrastructuur op grote schaal (naast het bekende voorbeeld van Fallujah werden ook al-Qaim, Tal Afar, Samarra, Haditha en Ramadi belegerd). De Amerikaanse militairen hebben zeer permissieve regels wat de ‘omgang’ met Iraki’s betreft. Dodelijk geweld is toegestaan bij het minste vermoeden van dreiging. Het gevolg is dat er al vele burgerdoden vielen bij checkpoints en militaire operaties. In deze voor geweld tolerante omgeving zijn al verschillende criminele uitspattingen aan het licht gekomen zoals het bloedbad in Haditha[3]. Het dodental is sowieso spectaculair gestegen sinds de invasie. Niet alleen bij strijders, maar ook bij burgers. Vele doden zijn het rechtstreekse gevolg van de desintegratie van het gezondheidssysteem of van het geweld door milities, bendes en doodseskaders. Een studie uit 2006 heeft het over meer dan een half miljoen extra doden (dit is dus bovenop het gewone sterftecijfer) sinds 2003.

Naast de menselijke tol is er ook nog het verlies aan cultureel erfgoed. De VS-coalitie heeft de musea, bibliotheken en archeologische sites van Irak niet beschermd. Tekenend is het feit dat de VS zelfs een militaire basis gebouwd heeft op de historische site van het oude Babylon! Verspreid over Irak construeerde de Verenigde Staten verschillende dure en grote militaire basissen die overduidelijk bestemd zijn voor langdurig gebruik, net zoals een gigantische ambassade in Bagdad. Algemeen geven deze ‘permanente’ constructies de indruk dat de Amerikanen van plan zijn om de komende jaren een beslissende militaire en politieke macht te blijven uitoefenen op het land.

Economische kost, corruptie en nepotisme

De Verenigde Staten heeft een sfeer van gerechtelijke immuniteit gecreëerd voor haar strijdkrachten, voor het ingehuurd veiligheidspersoneel, de civiele contractanten en uiteraard voor de oliebedrijven die zaken doen met Irak. Presidentieel Uitvoeringsbesluit nr. 13303, Besluit 17 van de Coalition Provisional Authority en andere officiële dictaten behoeden het buitenlands militair personeel in Irak van arrestaties, detenties, vervolgingen en bestraffing. Onder de controle en invloed van de Verenigde Staten, zijn de ‘publieke’ fondsen van Irak leeggezogen door grootschalige corruptie en de olie-inkomsten voor de staat sterk gedaald. Incompetentie, aangedikte contracten, omkoperij, vriendjespolitiek, verspilling van fondsen, smeergeld, diefstal van olie en cash, alles staat zwart op wit gerapporteerd. Er zijn miljarden dollars verdwenen. Grote contractanten, voor het merendeel Amerikaanse bedrijven met politieke connecties, hebben daarentegen miljarden winst gemaakt. Dat bewijst ook de studie van ‘Open Society Institute- OSI’ in New York. Volgens hun bevindingen zijn 74 procent van alle contracten voor een waarde van 1,5 miljard dollar, naar Amerikaanse firma’s gegaan. De Iraakse firma’s hebben slechts 2 procent van de contracten in de wacht gesleept. De grootste profijttrekker met 66 procent is de vroegere Halliburton dochteronderneming, Kellog Brown & Root (KBR)[4]. Ondanks het feit dat KBR betrapt is op het aanrekenen van miljoenen maaltijden voor het Amerikaanse leger die nooit geleverd werden, bekwam het concern samen met twee andere privé-firma’s (Fluor en Dyncorp) onlangs opnieuw een megacontract van 150 miljard voor Irak, Koeweit en Afghanistan. De Amerikaanse onderneming Bechtel, dat ook zeer goede contacten heeft met de regering in Washington, heeft van 2003 tot 2006 in het bezette Irak opdrachten voor een waarde van naar schatting drie miljard dollar binnengerijfd. De VS-regering heeft sinds december 2006 al ongeveer 400 miljard dollar gespendeerd aan het conflict. De kosten zijn van 4 miljard per maand in 2003 gestegen naar 8 miljard op het einde van 2006! “Money well spent” vindt G.W. Bush.

(Uitpers, nr 90, 9de jg., oktober 2007)

Deze tekst is ook te lezen in Vrede. Tijdschrift voor internationale politiek, nr. 387, september-oktober 2007.

Bronnen:

www.whitehouse.gov

www.oxfam.org, Rising to the humanitarian challenge in Iraq.

OSI/JW.

www.sigir.mil/reports, Report of the Special Inspector General for Iraq Reconstruction, 22 juni 2007.

Voetnoten:

[1] Het NGO Coordination Committee in Iraq (NCCI) is een netwerk van zo’n 80 internationale- en 200 Iraakse NGO’s, opgericht in Bagdad vlak na de invasie in 2003 om de NGO’s beter in staat te stellen aan de noden van de Iraakse bevolking tegemoet te komen.

[2] Dit cijfer is niet volledig want 3 van de 22 donoren van het Ontwikkelingsassistentie Comité (Development Assistence Committee-DAC) wilden hun cijfers niet vrijgeven.

[3] Op 19 november 2005 werden 24 ongewapende Irakezen -waaronder vrouwen en kinderen- afgeslacht door 12 leden van de United States Marine Corps.

[4] De voormalige Amerikaanse vice-president Dick Cheney was de voorzitter van de raad van bestuur van Haliburton in de periode 2000-2005.

(Visited 7 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 108 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook