Marokkaanse ‘gerechtigheid’ en ‘verzoening’ niet voor Saharanen

In Marokko heeft de door koning Mohamed VI aangestelde ‘Instance Equité et Réconciliation’ (IER – Instantie Gerechtheid en Verzoening) na ruim twee jaar werkzaamheden haar eindverslag neergelegd. Op 16 december laatstleden werd een samenvatting van het 700 pagina’s tellende document ter beschikking gesteld van de pers en het publiek

De IER had als taak de grove schendingen van de mensenrechten sinds de onafhankelijkheid in 1956 tot 1999, het jaar van het overlijden van alleenheerser koning Hassan II, te onderzoeken.

De reacties op het IER-verslag zijn zeer verdeeld. Om twee vaststellingen kan echter niemand heen. De schendingen van de mensenrechten onder het bewind van de zoon en opvolger van Hassan II, Mohamed VI, blijven netjes buiten schot. Belangrijke slachtoffers van de repressie na 1999 zijn de Saharanen, de inwoners van de sinds 1975 door Rabat bezette Westelijke Sahara.

Het IER-rapport werd op gemengde gevoelens onthaald. De Marokkaanse pers haalde euforische koppen boven als “Marokko geeft het voorbeeld”. Mensenrechtenactivisten wezen op het zeer hoge showgehalte van de door het paleis geënsceneerde IER-vertoning. Omar Jbiha, die in Casablanca aan het hoofd staat van een opvangcentrum voor slachtoffers van folteringen, blijft erbij dat de IER zich niet veel moeite heeft getroost om het werkelijke aantal slachtoffers van de repressie onder Hassan II in kaart te brengen. Ook de grootste onafhankelijke mensenrechtenorganisatie van het land, AMDH (Association marocaine des Droits de l’Homme) heeft zo zijn bedenkingen bij de betrouwbaarheid van de cijfers van het IER-onderzoek. Het IER-verslag maakt in het totaal melding van 1.443 doden onder de dictatuur van Hassan II. De AMDH gaat ervan uit dat er tijdens “les années de plomb” (de loden jaren) meer dan 3.000 tegenstanders van het regime zijn vermoord.

IER-voorzitter en eindverantwoordelijke voor het rapport, Driss Benzekri, is de voormalige vice-voorzitter van de AMDH. Hij was de voorbije weken te gast op de redacties van kranten en tijdschriften in Parijs en Brussel. Als opposant van het koninklijke regime heeft hij 16 jaar in de cel doorgebracht, zeer ernstige martelingen moeten verduren, om uiteindelijk te eindigen als voorzitter van een mensenrechtencommissie, die in januari 2004 door Mohamed VI per koninklijk decreet was opgericht. Van zo’n man wordt verwacht dat hij zijn woorden wikt. Geen euforie of victoriekreten bij hem. Wel een koel: “er is nog werk aan de winkel”.

Koninklijke ‘waarheidscommissie’

De monarchie in Marokko is een machtsinstituut, dat onder Hassan II dictatuur en brutaliteit combineerde met corruptie en cynisme. Mohammed VI combineert met een zelfde gemak de macht en het cynisme van zijn vader. Met dit verschil dat de Koude Oorlog inmiddels voorbij is en een brutale dictatuur minder gedoogd wordt – een dictatuur moet beschaafd zijn en een zekere graad van verlichting en moderniteit vertonen. Op het einde van zijn leven had de oude Marokkaanse dictator Hassan II dit al begrepen. In 1998 stichtte hij zijn eigen “mensenrechtenorganisatie”, de CCDH (Conseil consultatif des Droits de l’Homme), die een voorzichtig onderzoek mocht instellen naar de schendingen van de mensenrechten, die in het verleden in zijn naam waren begaan. Voorzichtigheid en de schade beperken, dat was ook wat Mohamed VI beoogde, toen hij een onderzoek liet instellen naar de misdaden tegen de mensheid onder het bewind van zijn vader. In een interview met Jeune Afrique/L’Intelligent (1) vertelde IER-voorzitter Benzekri hoe hij als bekende, onafhankelijke mensenrechtenactivist door het paleis werd aangezocht om een koninklijke “waarheidscommissie” te leiden. “De soeverein, zo bleek, zette zich totaal in voor de modernisering en de democratisering van het land, maar ook voor de vernieuwing van de elites en het leidend personeel, met de zorg de nodige stabiliteit en maatschappelijke cohesie van het land te behouden,” aldus Benzekri.

In mensentaal betekent dit: de monarch zet zelf netjes de krijtlijnen

uit en bepaalt hoe ver een democratisering, een afrekening met het dictatoriale verleden en het einde van de straffeloosheid van folteraars en moordenaars in dienst van het paleis kunnen gaan.

Om de koninklijke “waarheidscommissie” te leiden kon Mohamed VI best een man met een onverdacht verleden gebruiken. Driss Benzekri is dat. Hij is een voormalig leider van de Marokkaanse marxistisch-leninistische beweging Ilal Amam (Voorwaarts), die in 1970 was opgericht door Ibrahim Serfaty (met 17 jaar opsluiting de oudste politieke gevangen van Hassan II). Ilal Amam was een kleine organisatie, die door Hassan II tot staatsvijand nummer één werd uitgeroepen. De beweging van Serfaty was de enige oppositiepartij in Marokko die een duidelijk standpunt had ingenomen tegen de bezetting van de Westelijke Sahara in 1975 en voor de onafhankelijkheid van deze voormalige Spaanse kolonie en het zelfbeschikkingsrecht van de Saharanen. Driss Benzekri ontsnapte niet aan het lot van zijn politieke medestanders en werd pas in 1991, na zestien jaar, zeven maanden en zestien dagen gevangenisstraf vrijgelaten. Hij speelde daarna een belangrijke rol binnen de AMDH, tot hij door het paleis werd opgevist. Ook Abraham Serfaty werd in 1991 door Hassan II vrijgelaten en meteen het land uitgezet. Hij is inmiddels mogen terugkeren en werd door het paleis binnengehaald als adviseur.

Papierwerk

Twee jaar lang heeft de IER de misdaden tegen de mensheid mogen onderzoeken. Benzekri kreeg een honderdtal medewerkers ter beschikking. Er werden openbare hoorzittingen georganiseerd. Maar de IER had geen enkel strikt juridisch mandaat en van bij het begin mochten de slachtoffers van de repressie tijdens de hoorzittingen de namen van hun folteraars niet noemen. Benzekri zegt vandaag dat hij de krijtlijnen van Mohamed VI netjes heeft gerespecteerd: “ik was van oordeel dat het noodzakelijk was een onderzoek in te stellen – ook een juridisch onderzoek – om de waarheid te achterhalen, maar niet noodzakelijk met het doel gerechtelijke vervolgingen of sancties in te stellen. Het kwam erop aan de gepaste middelen en mechanismen te vinden om de verantwoordelijkheid van de overheidsinstellingen en de individuele verantwoordelijkheid vast te stellen voor de meest flagrante schendingen van de mensenrechten. Maar onze gesprekspartners (Mohamed VI en zijn entourage n.v.d.a) drongen bij ons terecht aan op de noodzaak recht te doen geschieden, zonder de maatschappij te verdelen, zonder een heksenjacht te ontketenen of over te gaan tot afrekeningen.”

En zo is het precies gegaan. De IER heeft zich tot papierwerk mogen beperken. Een document van 700 bladzijden met vaststellingen en voorzichtige aanbevelingen voor de toekomst, waarmee de monarch kan doen en laten wat hij wil.

De Marokkaanse mensenrechtenorganisatie AMDH gaat ervan uit dat de “loden jaren” minstens 3.000 slachtoffers hebben gemaakt. Het rapport van de IER komt op veel lagere cijfers uit. Tussen 1956 en 1999 zijn er volgens de IER bij opstanden en in de commissariaten van de politie en de kazernes van de rijkswacht 592 Marokkanen om het leven gekomen. Bij de gewapende rebellie, hongeropstanden en sociale protestbewegingen, die het land heeft gekend van 1956 tot 1959, van 1963 tot 1965, van 1972 tot 1976, in 1981, 1985 en 1990 zijn 332 Marokkanen door de ordestrijdkrachten omgebracht. Het rapport maakt melding van de dood van 109 Marokkanen, die in de jaren zeventig in de gevangenis om het leven zijn gebracht. De IER heeft 742 verdwijningen vastgesteld. In 66 van deze gevallen is er volgens het rapport van Driss Benzekri verder onderzoek nodig. Het belangrijkste van deze onopgeloste dossiers is uiteraard dat van de in 1965 in Parijs ontvoerde (en vermoorde) oppositieleider Mehdi Ben Barka. Voor Marokko is dat nog steeds een zaak van staatsbelang – waarbij ook de Franse, Amerikaanse en Israëlische geheime diensten betrokken waren.

In het totaal heeft de IER 16.800 dossiers van slachtoffers van ernstige schendingen van de mensenrechten onderzocht. 9.800 van deze gevallen werden erkend. Deze mensen zullen een schadevergoeding of een pensioen krijgen en hun medische verzorging zal in de toekomst worden betaald. Een aanzienlijk deel van deze door de IER erkende slachtoffers van de repressie waren in de periode 1999-2003 al vergoed door de mensenrechtencommissie CCDH van Hassan II.

Het rapport van de IER doet verder ook op vier terreinen “aanbevelingen voor de toekomst”. Ten eerste moet er een verregaande grondwetshervorming worden doorgevoerd, waardoor excessen van het koninklijke regime in de toekomst uitgesloten zijn. Onder meer moet er paal en perk worden gesteld aan de inmenging van de overheid (en dat is in Marokko in belangrijke mate het koninklijk paleis) in het werk van rechters en magistraten. Ten tweede stelt de IER “een strategie” voor om een einde te maken aan de “straffeloosheid” in Marokko. Het rapport neemt daarbij niet eens een standpunt in over de cruciale vraag of de verantwoordelijken van de politierepressie en folterpraktijken al dan niet voor de rechter moeten verschijnen. Ten derde doet de IER een aantal voorstellen voor de hervorming van de politie, het gerecht en het gevangeniswezen en een herziening van het strafrecht, waardoor de rechten van arrestanten beter gegarandeerd zijn. En tenslotte somt het rapport een aantal vage aanbevelingen op, om al deze hervormingen in de toekomst door te voeren. Als deze aanbevelingen worden opgevolgd zal er van de huidige monarchie in Marokko weinig overblijven. En dat is precies één van de taboes die grondwettelijk zijn vastgelegd in Marokko: aan de macht van de monarch valt niet te tornen.

Wens en werkelijkheid

De IER was van bij haar oprichting volstrekt ongeloofwaardig. Het rapport moest dit bijgevolg ook zijn. Zelfs het strikte minimum is niet in het document opgenomen: openlijke verontschuldigingen van het paleis voor het aangerichte leed. De IER was er voor de façade, te meer daar de toestand van de mensenrechten onder het regime van Mohamed VI buiten het onderzoek moest vallen. De “loden jaren” mogen dan in Marokko voorbij zijn, aan de almacht van de monarchie, haar gerecht en ordestrijdkrachten verandert er in wezen niets fundamenteels. Dat wordt ondermeer duidelijk aan de willekeur waarmee kritische krantenuitgevers en journalisten nog steeds achter de tralies verdwijnen. Dat bleek voorts ook aan de uiterst gespierde aanpak van politie en gerecht na de moorddadige aanslagen van moslimfundamentalisten in Casablanca in 2003 (41 doden) en de ‘war on terror’, die samen met de Amerikaanse inlichtingendiensten wordt gevoerd tegen Marokkaanse terreurgroepen (Marokkaanse terroristen waren betrokken bij de aanslagen van 11 maart 2004 in Madrid, waarbij 198 dodelijke slachtoffers en meer dan 2000 gewonden vielen). De repressie waarmee de Marokkaanse overheid te keer gaat tegen vermeende terroristen en hun sympathisanten roept inderdaad herinneringen op aan de “loden jaren”: duizenden willekeurige arrestaties, de opening van gevangenenkampen en politiecommissariaten die weer massaal gebruikt worden als folterkamers. Mohamed VI en zijn regering tonen zich enthousiaste supporters van Bush’s ‘war on terror’. De voorbije twee jaar duiken in de Amerikaanse en internationale pers steeds opnieuw alarmerende berichten op over geheime CIA-gevangenissen en foltercentra. De Amerikaanse inlichtingendiensten gebruiken in hun strijd tegen het internationale terrorisme “onderaannemers”, die verdachten folteren. Gerenommeerde kranten zoals The Washington Post en The New York Times maken zich ongerust over dit fenomeen, eerbiedwaardige instellingen zoals Human Rights Watch en Amnesty International eveneens. De onafhankelijk pers in Marokko, zoals het door Aboubakr Jamaï geleide Franstalige weekblad ‘Le Journal Hebdomadaire’ en zijn Arabische editie ‘Assahifa’ (24 november 2005), noemen de hoofdzetel van de Marokkaanse staatsveiligheid DST in Temara als één van de ‘black sites’ van de CIA. En Marokko heeft op het vlak van foltering van verdachten nog steeds heel wat expertise in huis. Ook de Raad van Europa heeft zich inmiddels over de geheime CIA-gevangenissen gebogen. De Zwitser Dick Marty voert dit onderzoek en stelde op 24 januari laatsleden een tussentijds rapport op. Daarin wordt gewezen op het bestaan van dergelijke ‘black sites’ “in Noord-Afrika”. In een gesprek met het persagentschap Associated Press (13 januari) verduidelijkte Marty dat het inderdaad om Marokko gaat.

Dit alles gebeurt in de gebruikelijke stijl van de Marokkaanse monarchie: zonder pottenkijkers.

Repressie in de Sahara

Nog een terrein waarop het koninklijke paleis zijn absolute alleenheerschappij wil laten gelden is de Westelijke Sahara. Het gebied, een voormalige Spaanse kolonie, die door de Verenigde Naties gedekoloniseerd moest worden, werd in 1975 door de troepen van Hassan II bezet. De meerderheid van de Saharaanse bevolking werd verdreven naar vluchtelingenkampen in de buurt van de Algerijnse woestijnstad Tindouf, waar ze 31 jaar later nog steeds op terugkeer naar hun vaderland wachten. In 1992 hadden de Verenigde Naties in het gebied een referendum moeten houden over onafhankelijkheid en zelfbeschikking. Dat was het resultaat van een staakt-het-vuren na zestien jaar woestijnoorlog tussen Rabat en het Polisariofront, dat vecht voor de onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara. Marokko heeft tot op de dag van vandaag straffeloos dit VN-referendum kunnen dwarsbomen. De Saharaanse minderheid, die in de door Marokko bezette gebieden is achtergebleven, leeft al meer dan dertig jaar onder militair bewind, uitzonderingsrechtbanken en de aanwezigheid van honderdduizenden Marokkaanse kolonisten, militairen en paramilitairen.

In het najaar van 1999 brak de eerste “Saharaanse intifada” uit. De Saharanen trokken massaal de straat op in de hoofdstad El Ayoun en andere belangrijke steden zoals Smara en Dakhla. Hun protest was in hoofdzaak gericht tegen hun status als tweederangsburger en de hoge werkloosheid. Maar al snel verschenen de eerste vlaggen van de bevrijdingsbeweging Polisariofront in de betogingen. De “loden jaren” zijn nooit weggeweest in de Westelijke Sahara en de koninklijke politie en gendarmerie sloegen het Saharaanse protest met brutaal geweld neer. In mei 2005 werden de Marokkanen verrast door een tweede “intifada”. Dit maal was het een louter nationalistische beweging met slechts één eis: onafhankelijkheid voor de Westelijke Sahara. Sindsdien is het geen dag rustig meer geweest in El Ayoun en andere steden en oasen. Ook de Saharaanse studenten van de Marokkaanse universiteiten lieten van zich horen. In de Marokkaanse gevangenissen van Ait Melloul en Kenitra en in de beruchte Carcela Negra, de centrale gevangenis van El Ayoun, gingen de Saharaanse politieke gevangenen in hongerstaking. Bij de talloze betogingen werden honderden arrestaties verricht. De meeste arrestanten kwamen weliswaar na enkele dagen vrij, maar tientallen anderen zijn de voorbije zeven maanden veroordeeld tot zware gevangenisstraffen van drie tot vier jaar. Eén van deze arrestanten, Hamdi Lambarki stierf op 30 oktober laatstleden aan de gevolgen van de folteringen, die hij had ondergaan. De Marokkaanse autoriteiten hebben pas op 14 januari het lichaam van Lambarki vrijgegeven. Zijn begrafenis in El Ayoun groeide uit tot een nationale manifestatie, waaraan duizenden Saharanen deelnamen. Sinds juli 2005 is de Westelijke Sahara verboden gebied voor buitenlandse waarnemers en journalisten. De repressie heeft er nu volledig achter gesloten deuren plaats. De maatregel werd afgekondigd door de Marokkaanse eerste minister Driss Jettou in niet mis te verstane termen: “de Marokkaanse regering zal niet toelaten dat personen, die vijandig staan tegenover onze instellingen en de territoriale integriteit van ons land zonder voorafgaande verwittiging naar El Ayoun gaan om er deel te nemen aan zogenaamde onderzoekscommissies of om er de gebeurtenissen te verslaan.” Premier Jettou is een man van zijn woord: tientallen (voornamelijk Spaanse) journalisten, juristen en parlementsleden worden van bij hun aankomst in Rabat op het eerste vliegtuig richting Spanje gezet. De “gerechtigheid”, “verzoening” en de grote IER-mensenrechtenshow van koning Mohamed VI gaan volledig aan de Saharanen voorbij.

(Uitpers, nr. 72, 7de jg., februari 2006)

 

(1) Jeune Afrique/L’Intelligent, nummer 2350, 22 januari 2006.

Voor een samenvatting van het IER-rapport: zie www.ier.ma / over de mensenrechten in Marokko en de Westelijke Sahara: www.amdh.org.ma

Visited 8 Times, 1 Visit today

Tags :