Macapagal Arroyo in voetspoor van Marcos

Sinds Gloria Macapagal Arroyo begin 2001 aantrad als president van de Filippijnen, gaat het verder bergaf met de naleving van de mensenrechten. “Ontwikkelingsprojecten” die ganse gemeenschappen ontwrichten – zoals grootschalige mijnbouw, ontbossing en dammenbouw – stuiten op breed volksverzet, wat de overheid onherroepelijk met verdere militarisering en repressie beantwoordt.

De president was van begin af aan een felle voorstandster van een krachtig “anti-oproerbeleid” dat mooi te kaderen viel in de Amerikaanse zogenaamde “oorlog tegen de terreur”. Dat leidde tot een alarmerende stijging van mensenrechtenschendingen. De huidige toestand overtreft zelfs in omvang de wreedheden begaan onder dictator Marcos. De democratische ruimte die in 1986 met de val van die dictator werd veroverd, wordt vandaag de dag zwaar bedreigd.

De duidelijkste uiting daarvan is de onophoudelijke golf van systematische moorden op politieke activisten, vakbondsleiders, boerenleiders, progressieve advocaten, kerkmensen en politici. Aan de reeks moorden op lokale journalisten (meer dan 70 sinds 1986) komt evenmin een einde; de Filippijnen is ondertussen na Irak het gevaarlijkste land ter wereld voor journalisten…

Politieke moorden

Gerechtigheid blijft uit door een combinatie van onverschilligheid, corruptie en betrokkenheid bij duistere zaken van lokale politie en politici en het falen van de overheid om de verantwoordelijken te arresteren en te vervolgen. Sinds het aantreden van president Arroyo in 2001 ligt het aantal politieke moorden rond de 900. Bij die ontstellende cijfers moet men nog eens meer dan 250 verdwijningen bijtellen. De jongste tijd lijken de verdwijningen de moorden deels te vervangen, waarschijnlijk omdat die minder sporen nalaten. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat deze politieke moorden het werk zijn van doodseskaders die banden hebben met de politie, het leger, paramilitaire groepen of privé-milities, en door de heersende klasse ingeschakelde huurmoordenaars. Ze hebben als doel de leiders van gevestigde linkse politieke partijen of volksorganisaties, progressieve advocaten en te diep wroetende onderzoeksjournalisten uit te schakelen.

Standrechterlijke executies

Het aantal politieke moorden ten aanzien van militanten ligt bijzonder hoog in gebieden die rijk zijn aan grondstoffen zoals koper, goud en ijzer, waar het maoïstisch gewapend verzet van het “Nieuwe Volksleger” (New People’s Army, NPA) voet aan de grond heeft, en waar de protestbeweging en de progressieve partijen sterk staan. De situatie is regionaal verschillend, maar teistert de archipel van noord tot zuid. De standrechtelijke executies worden goed gepland en uitgevoerd door getrainde moordenaars die in sommige gevallen voorzien zijn van gesofisticeerd wapentuig. Meestal worden slachtoffers in een hinderlaag doodgeschoten door gemaskerde individuen op een brommer of in een minibus zonder nummerplaat. Vaak kregen ze bedreigingen voor ze vermoord werden of werden ze geschaduwd.

Linkse gekozenen bedreigd

Alle linkse stromingen worden bedreigd. Dit is in de eerste plaats het geval voor de electorale lijst van Bayan Muna (Het volk eerst) ,dat in het parlement vertegenwoordigd is, en waarvan reeds 120 militanten vermoord werden sinds 2001. Linkse gekozenen worden ook bedreigd en opgesloten. De 3 afgevaardigden van Bayan Muna hebben zich gedurende 2 maanden in het parlementsgebouw moeten verschansen om een arrestatie te ontlopen nadat in februari 2006 zonder duidelijke aanleiding de noodtoestand werd afgekondigd. Begin 2007 werd Bayan Muna parlementslid Satur Ocampo in volle verkiezingscampagne 18 dagen gevangen op beschuldiging van moorden die meer dan 20 jaar geleden gebeurden terwijl hij toen nota bene in de gevangenis zat. Zijn kameraad Crispin Beltran van de electorale lijst Anakpawis werd 15 maanden gevangen gehouden tot het Hooggerechtshof oordeelde dat de beschuldigingen van rebellie ongegrond waren. Militairen verbrandden in het openbaar afbeeldingen van deze progressieve volksvertegenwoordigers en van anderen, zoals Risa Hontiveros, afgevaardigde van Akbayan. Ook andere leiders van deze partij werden beschuldigd van ‘rebellie’. Speciaal verslaggever voor standrechtelijke executies van de Verenigde Naties Philip Alston bezocht van 12 tot 21 februari 2007 het land en praatte zowel met regeringsmedewerkers als met leden van de civiele maatschappij. Hij stelt twee oorzaken voor de almaar verslechterende situatie vast. Enerzijds worden legale linkse groepen via “labeling” geassocieerd met gewapende verzetsgroepen. Anderzijds vormt de anti-oproerstrategie van de regering een alibi en zelfs aanmoediging voor het uitvoeren van standrechtelijke executies van ‘vijanden’. Volgens Alston komen deze twee oorzaken gezamenlijk tot uitdrukking in de “order of battle” van het Filippijnse leger (Armed Forces of the Philippines – AFP) en de politie (Philippine National Police – PNP). In dit document worden honderden groepen en individuen geïdentificeerd als vijanden die het leger als “illegitiem” beschouwd. Regelmatig verschijnen verklaringen van legerfiguren in de krant waarin opgeroepen wordt om deze groepen te neutraliseren, en waarin de bevolking wordt opgeroepen om te erkennen dat elke vorm van hulp aan deze groepen een vorm van steun aan de vijand is.

Dirty war

De verontrustende trend van politieke moorden is ook Amnesty International niet ontgaan: “Gedurende dejongste jaren gaat het aantal gerapporteerde aanvallen van ongeïdentificeerde gewapende mannen op leden van legale linkse politieke organisaties, zoals Bayan Muna, Anakpawis en anderen, in stijgende lijn”, constateert de organisatie op 8 maart 2006. In het rapport van Human Rights Watch van 28 juni 2007 zegt Azië-afgevaardigde Sophie Richardson: “There is strong evidence of a ‘dirty war’ by the armed forces against left-leaning activists and journalists,”. Het vermoeden dat de overheid verantwoordelijk is voor de moorden is dus niet ongegrond. Veel getuigen en leden van volksorganisaties wijzen het AFP, de agenten van de Civilian Armed Forces Geographical Unit (Cafgu) en doodseskaders aan als schuldigen. De AFP is de grootste gewapende groep in het land, en heeft dus zeker ook de middelen om zulk een offensief op nationale schaal te voeren. Het heeft genoeg middelen en mankracht om systematische aanvallen te plegen op de progressieve beweging.

“Counter-revolutionaries”

In mindere mate, maar eveneens zorgwekkend, zijn de moorden die de gewapende vleugel van de Communistische Partij van de Filippijnen, het NPA, pleegt op leiders van andere linkse formaties omwille van ideologische meningsverschillen. Politieke meningsverschillen rond strategie, een tekort aan interne democratie en disciplinaire aanvallen vanwege de leiding lagen aan de basis van een crisis die veel leden er toe aanzette om in 1992 – 1993 uit de CPP te stappen.

Verscheidene leden gingen samenwerken met lokale machthebbers of gingen zelfs voor de Filippijnse staat werken. Maar anderen distantieerden zich hiervan en bleven actief als linkse militanten. Deze ‘verlaters’, door de CPP “rejectionists” genoemd omdat ze de door partijleider Sison opgedrongen partijlijn niet wilden volgen, slaagden er niet in zich in één organisatie te hergroeperen. Daardoor ontstonden naast de CPP-georiënteerde organisaties andere groepen waarvan sommige zich uiterst-links situeren. Het verlies van het monopolie ter linkerzijde was niet naar de zin van de CPP die afwijkende politieke meningen als zogenaamde “criminele feiten” afdeed, soms met een doodvonnis tot gevolg.

Bepaalde organisaties worden bedreigd en hun leden worden door de CPP bestempeld als “counter-revolutionaries”, “agents” en “criminals”. Sinds 1992 zijn reeds minstens 27 gevallen bekend van moorden op leden van andere progressieve organisaties en mensen die de CPP verlaten hebben, 9 personen ontsnapten aan een moordaanslag, anderen kregen doodsbedreigingen. In haar laatste rapport over standrechterlijke executies in de Filippijnen ‘Scared Silent – Impunity for Extrajudicial Killings in the Philippines’ roept Human Rights Watch de CPP/NPA op het vermoorden van voormalige leden stop te zetten.

(Uitpers, nr 91, 9de jg., november 2007)

Chronologie:

20 januari 2001: Een “volksopstand” verdrijft de corrupte president Estrada uit het paleis. Vice-president Gloria Macapagal Arroyo wordt ingezworen als president. Estrada was inderdaad erg corrupt, maar dat geldt ook voor personen uit de omgeving van de huidige president. Estada, een gewezen acteur, had het nadeel niet tot de traditionele elite te behoren.
Januari 2002: Amerikaanse militairen zijn terug in het land “om het land bij te staan in de oorlog tegen de terreur”.
27 juli 2003: Driehonderd Filippijnse officieren ondernemen een mislukte coup tegen Arroyo.
juni 2004: Arroyo wordt tot overwinnaar uitgeroepen in de presidentsverkiezingen ondanks grootschalige fraude.
24 februari – 3 maart 2006: Arroyo roept de noodtoestand uit. Volksvertegenwoordiger Crispin Beltran wordt gearresteerd. Vijf andere parlementairen verschansen zich in het parlementsgebouw.
16 maart 2007: Volksvertegenwoordiger Satur Ocampo wordt gearresteerd.
14 mei 2007: Arroyo lijdt een nederlaag in de parlementsverkiezingen.
15 juli 2007: De anti-terrorisme wet wordt van kracht.

Referenties: Amnesty International “PHILIPPINES: Political Killings, Human Rights and the Peace Process” http://web.amnesty.org/library/index/ENGASA350062006
Preliminary note on the visit of the Special Rapporteur on extrajudicial, summary or arbitrary executions, Philip Alston, to the Philippines (12-21 February 2007) http://www.extrajudicialexecutions.org/reports/A_HRC_4_20_Add_3.pdf
Human Rights Watch: Scared Silent – Impunity for Extrajudicial Killings in the Philippines http://hrw.org/reports/2007/philippines0607/
Links naar verschillende rapporten over de mensenrechten in de Filippijnen http://www.pinoyhr.net/ngorpt_phil.php

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 66 Times, 2 Visits today

Tags :

zie ook