Lumumba in het Belgisch parlement:
Brussel kijkt in een besmeurde spiegel

Medio januari 2002 buigt de Kamer van Volksvertegenwoordigers zich over het verslag van haar onderzoekscommissie over de moord op Patrice Lumumba. Lumumba was de eerste premier van Congo, maar hij was nog meer de charismatische nationalistische leider die tot vandaag tot de verbeelding van honderdduizenden in de Derde Wereld spreekt omdat hij elke vorm van neokoloniale overheersing van Congo en Afrika afwees en daarvoor een martelaarsdood stierf. Het is de tweede keer dat de geest van Patrice Lumumba bezit neemt van het Belgisch parlement. Dat was ook al zo in 1960 en 1961, toen ministers en andere politieke kopstukken er vanop het spreekgestoelte de propagandaoorlog tegen de Congolese regering voerden. Want wat een journalist na de dood van Lumumba over de Belgische massamedia schreef, gold ook voor de politieke cenakels: ‘Het is niet zeker (…) of Hitler door de Belgische burgerlijke pers ooit met evenveel razernij en heftigheid werd behandeld als dat met Patrice Lumumba het geval was.’ Zal het parlementsdebat eindelijk recht doen aan de vermoorde premier en het volle licht werpen op die scharnierperiode waarin op het puin van het kolonialisme een neokoloniaal bewind werd opgetroken? Een kritische lezing van het verslag van de onderzoekscommissie toont aan dat vele politieke hinderpalen een analyse tot op het bot nog steeds in de weg staan.

De eindconclusies van de onderzoekscommissie

De eindconclusies van de commissie zijn gekend. Kort na de onafhankelijkheid van Congo probeert de Belgische regering, die ‘weinig respect voor de soevereiniteit van Congo’ opbrengt, de Congolese regering omver te werpen. De steun aan de secessie van de rijke koperprovincie Katanga is ‘een belangrijke hoeksteen’ van dit beleid, want zo bloedt het centrale gezag financieel dood. Zijdelings wordt in de tekst opgemerkt dat het beleid van de secretaris-generaal van de VN Hammarskjöld en de steun van de Union Minière aan de Katangese secessie de val van Lumumba zullen verhaasten. De Congolese regering wordt in september 1960 omvergeworpen door Kasa Vubu en Mobutu. Brussel steunt de initiatiefnemers. Lumumba blijft echter een politiek gevaar, en er zijn ‘voornemens’, ‘plannen’ en ‘niet-voldragen projecten’ om hem te vermoorden. Een van die initiatieven is ‘actie 58316’ (in mijn boek, naar een codewoord in het telexverkeer, operatie-Barracuda genoemd), waarbij medewerkers van de minister van Afrikaanse Zaken zijn betrokken en ‘waarin een aanslag op Lumumba zijn plaats kan vinden’. Bij die acties is er meestal sprake van ‘medewerking van Belgische ambtenaren’, en, zo stelt de commissie vast, ‘er is geen enkel spoor gevonden van enig bevel of actie om deze plannen te verijdelen’ en evenmin zijn er ‘tuchtprocedures’ opgestart. Deze acties lopen op niets uit, maar Lumumba wordt politiek geneutraliseerd: eerst feitelijk gevangengezet in zijn residentie; nadien opgepakt en opgesloten in een legerkamp van Mobutu.

Begin januari 1961, als Lumumba’s terugkeer aan de macht dreigt, sturen de ministers Wigny en d’Aspremont Lynden aan op zijn transfer naar Katanga. Ze wisten nochtans ‘dat er in Katanga mogelijk gevaar was voor het leven van Lumumba.’ De transfer was ‘in hoofde van de Belgische autoriteiten’ geen voorbedachte zet om Lumumba te laten vermoorden; ‘evenwel is het overduidelijk dat de fysieke integriteit van Lumumba geen zorg was voor de Belgische regering.’ Na de overbrenging van Lumumba op 17 januari nemen de Belgen in Katanga ‘een zeer afwachtende houding’ aan. Lumumba wordt vermoord ‘op bevel van de Katangese autoriteiten (…) al kan men niet precies duiden op welk ogenblik en hoe de besluitvorming tot stand kwam.’ Lumumba en zijn medestanders Mpolo en Okito zijn geëxecuteerd ‘in aanwezigheid van een politiecommissaris en drie officieren van Belgische nationaliteit die evenwel onder het gezag, leiding en toezicht stonden van de Katangese overheid.’ In de eindconclusie staat dat ‘met de normen inzake publieke moraal van vandaag (…) sommige Belgische regeringsleden en andere Belgische actoren een morele verantwoordelijkheid dragen in de omstandigheden die tot de dood van Lumumba hebben geleid.’1

Deze tekst is een moeizaam bedongen politiek compromis. Op de ontwerptekst waren tientallen amendementen ingediend, en na lang vergaderen is de aangepaste tekst goedgekeurd met 10 tegen 2 stemmen. Het is weinig waarschijnlijk dat die tijdens het parlementair debat nog in vraag wordt gesteld.

Ontstaan van de commissie

Geschiedschrijving, en a fortiori officiële geschiedschrijving, levert een visie op het verleden, maar is ook een instrument van de actuele politiek. Dat was in het verleden zo, en dat is voor de Lumumba-commissie (2000-2001) niet anders. In 1896 pareerde koning Leopold II de aanzwellende kritiek op de misdaden in zijn Congo Vrijstaat met de oprichting een onderzoekscommissie. Deze pr-stunt zorgde ervoor dat alle kritiek werd afgeleid naar dat machteloos orgaan en de koning in Tervuren zijn wereldtentoonstelling (1898) ongestoord kon organiseren. Ook de commissie van de Amerikaanse Senaat die de CIA-acties tegen Lumumba onderzocht (1975) diende in de eerste plaats directe politieke belangen: na Watergate en berichten over moordoperaties van de CIA was het vertrouwen van de burger in de VS-instellingen danig geschokt, en de commissie moest opheldering verschaffen en daaraan remediëren.

Toen de Belgische politieke klasse eind 1999 Lumumba ‘ontdekte’, was dat niet echt de vrucht van een interesse voor het verleden of van een zucht naar gerechtigheid. Noch in het regeringsprogramma, noch in de verklaringen en plannen van Belgische ministers en van minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel in het bijzonder was er ooit sprake om het licht te laten schijnen op de duistere bladzijden uit de koloniale en neokoloniale geschiedenis van België. De oppositiekuur van de christen-democratie, die in 1960 de belangrijkste politieke tegenstanders van Lumumba leverde, en de dood van hoofdrolspelers Eyskens, Boudewijn en Mobutu hebben de beslissing om een onderzoek in te stellen ongetwijfeld vergemakkelijkt. Maar de Lumumba-commissie kwam er vooral omdat minister van Buitenlandse Zaken Michel voor zichzelf een grote rol op de Centraal-Afrikaanse scène had weggelegd. De beschuldigingen aan het Belgische adres over misdaden in het pas onafhankelijke Congo stonden zijn ambitie als vredesstichter tussen de oorlogsvoerende partijen in Congo in de weg. De minister dacht dat een commissie over de moord op Lumumba hem betere introducties bij de nationalist Laurent Kabila (sinds 1997 aan de macht in Kinshasa) zou verschaffen. Eens Louis Michel in zijn nogal eigengereide en impulsieve stijl de commissie op de sporen had gezet, kwam het er voor de politieke elite op aan er het beste van te maken, dat is: Brussel een imago van openheid en integriteit bezorgen zonder dat essentiële pijlers van het bestel grote schade oplopen. Sommige commissieleden verklaarden tot op het bot te willen gaan, maar anderen, zoals de invloedrijke Daniel Bacquelaine (PRL), partijgenoot van ridder Jacques Brassinne die de stelling van Belgiës onschuld in een wetenschappelijke vorm had proberen te gieten, lieten geen gelegenheid onbenut om België wit te wassen nog voor het onderzoek was afgerond.

De experts

Vooral de samenstelling van de groep van experts van de commissie, die het leeuwenaandeel van het werk (archiefonderzoek) voor hun rekening namen, weerspiegelt de bekommernis om de schade te beperken. Geen enkele Afrikaan was in het college van experts opgenomen, hoewel het in de eerste plaats toch om Afrikaanse geschiedenis gaat. De Congolese professor Jean Omasombo Tshonda werd aangesteld als ‘expert ad hoc’, maar dat was slechts een schaamlapje. Omasombo had géén toegang tot Belgische archieven en nam niet deel aan de deliberaties van de ‘echte’ experts. Omasombo zelf spaart de roede niet over zijn ervaringen met de Lumumba-commissie: ‘dat was voor mij de gelegenheid om te ervaren een Neger te zijn (…) Ik heb echt kunnen aanvoelen hoezeer de koloniale kijk nog doorweegt.’2

Bij hun aanstelling had slechts 1 van de 4 ‘echte’ experts, allen Belgen, een grondige kennis van de geschiedenis van Congo en de Belgisch-Congolese relaties: Jules Gérard-Libois, stichter van het gerenommeerde CRISP. Het gewicht van het onderzoek lag echter niet bij de hoogbejaarde Gérard-Libois en ook niet bij Philippe Raxhon (universiteit Luik), maar bij het duo Emmanuel Gerard (universiteit Leuven) en Luc De Vos (Koninklijke Militaire School). Luc De Vos wierp zich al snel op als de waakhond van het establishment, en dan vooral van de legertop. De generaals en de militaire veiligheidsdienst waren ongetwijfeld heel tevreden met de aanstelling van De Vos, want het militaire establishment heeft een grote rol gespeeld in de Congocrisis, maar is dankzij de ontoegankelijkheid van zijn archieven erin geslaagd grotendeels buiten schot te blijven.

In de loop van het parlementaire onderzoek verspreidde De Vos allerlei loze beweringen over de ‘slechte’ Lumumba en de ‘goede’ Belgen. Zo stelde hij dat in naam van Lumumba honderden blanke vrouwen zijn verkracht en dat het plan om Lumumba ‘fysiek te neutraliseren’ (en waarvan Boudewijn kennis had genomen) geen moordplan was. Verder beweerde hij dat het conflict tussen Lumumba en het Westen een slag in de Koude Oorlog was: een uit de lucht gegrepen bewering van de toenmalige regering-Eyskens die in het commissieverslag niet hard wordt gemaakt. En in het VRT-journaal van 25 april 2001 trok hij alvast verregaande conclusies nog voor het onderzoek was afgerond: de Belgische officieren in Congo en Katanga hadden er enkel ‘stabiliteit’ op het oog en er waren ‘heel veel bewijzen’ dat de Belgische ‘adviseurs’ van de Katangezen ‘absoluut’ tegen de moord op Lumumba waren gekant. Hoeft het gezegd dat we van die ‘heel veel bewijzen’ nog het eerste moeten zien?

Vijf grote tekortkomingen

Het onderzoek van de commissie is getekend door deze politieke handicaps. Ik zie vijf grote tekortkomingen in de rapporten van de experts. Die rapporten beslaan ongeveer vier vijfden van het verslag van de onderzoekscommissie, en dienden als basis voor de politieke conclusies.

1

Als Belgen ter sprake komen, wordt alleen rekening gehouden met wat echt niet over het hoofd kan worden gezien; met wat ze zelf in het vuur van de actie op papier hebben gezet. Wat nadien is neergeschreven of gezegd – in verslagen, memoires of interviews – wordt overboord gegooid, want door de advocaten à décharge afgedaan als vertekend of voor interpretatie vatbaar.3 Zo creëerden commissievoorzitter Versnick en zijn experts een minimumraamwerk waar zelfs de Bacquelaines niet omheen konden, en waaruit een breed gedragen eindrapport kon groeien. Dit tekstfetichisme stond Versnick toe een consensus te smeden. De tekortkomingen ervan vielen niet echt op, want het geeft het onderzoek een zweem van objectiviteit. Bovendien leverde het onderzoek van tot dusver (en wellicht voor lange tijd opnieuw) gesloten archieven enkele spectaculaire documenten op die de indruk wekken dat baanbrekend werk is verricht, zoals de brief van majoor Weber aan het paleis over een Congolees moordplan tegen Lumumba of het dagboek van politiecommissaris Verscheure.

Dat uit politieke overwegingen opgelegd tekstfetichisme is vanuit geschiedkundig oogpunt onaanvaardbaar. De criteria voor de selectie van documenten (of van excerpten van documenten) kennen we niet. Er is geen hypothesekader over de Congocrisis, en evenmin wordt een historische kritiek gemaakt van de belangen van de actoren, de netwerken waarin ze functioneren en de kwaliteit van het bronnenmateriaal. Mondelinge getuigenissen en indirecte bronnen worden terzijde geschoven. Zo verwordt het verhaal tot een défilé van documenten, geselecteerd in functie van de onuitgesproken visies, interesses en belangen van de betrokken experts. Met betwistbare conclusies als resultaat.

Enkele voorbeelden. De verklaring van kolonel Vandewalle dat de telex waarin minister d’Aspremont Lynden de ‘definitieve eliminatie’ van Lumumba vooropstelt een fysieke en geen politieke eliminatie betekent, wordt over het hoofd gezien.4 Evenmin wordt bij de interpretatie van de telex rekening gehouden met de getuigenis van kolonel Marlière dat in die periode de gezant van de minister hem een huurdoder kwam aanbieden. En er wordt evenmin rekening gehouden met de moordplannen waarvan de minister op de hoogte was of op de hoogte moest zijn. Wat de laatste uren van Lumumba, Mpolo en Okito betreft, wordt geen rekening gehouden met de voor de Belgen bezwarende verklaringen die Belgische ambtenaren en officieren aan onderzoekers, journalisten of in hun memoires hebben afgelegd dat de gevangenen zijn mishandeld. Evenmin wordt rekening gehouden met de verklaringen van majoor Weber dat de Belgen in Katanga geprobeerd hebben om na de aankomst van Lumumba vooral ‘geen bloed aan de handen’ te krijgen en dat de Belgische officieren zoals Gat de executie van Lumumba hadden kunnen verhinderen als ze dat hadden gewild, en met de verklaring van Brassinne dat de Belgen ter plaatse zeker waren dat Lumumba zou worden vermoord maar dat ze niets hebben gedaan om dat te verhinderen. De experts wijden amper 1 bladzijde van de 988 bladzijden van het verslag (!) aan de twee bijeenkomsten van de Belgen in Katanga na de aankomst van Lumumba, die 17de januari ‘s avonds. Gebrek aan ‘documenten’ weerhoudt hen conclusies te formuleren. Ze stellen alleen maar vragen: ‘Waarom zijn de Belgische adviseurs, die er op andere ogenblikken nochtans prat op gingen dat ze een reële invloed hadden gehad op de Katangese zaken, niet opgetreden? Dat blijft een open vraag.’5

Archiefonderzoek leert dat Belgische ministers een rol hebben gespeeld in de transfer van Lumumba naar Katanga; dat die transfer zeer waarschijnlijk zou leiden tot de dood van Lumumba (de experts schrijven, eufemistisch, dat de moord ‘tot de mogelijkheden’ behoorde); dat Brussel geen enkele voorzorg nam om de moord te verhinderen. De experts erkennen dit, maar voegen er in een adem aan toe: ‘Welke voorstelling zij [de autoriteiten in Leopoldstad en de Belgische autoriteiten] zich maakten van het lot van Lumumba in Katanga weten we niet. Om die reden kunnen we niets zeggen over een eventuele medeplichtigheid van deze autoriteiten aan de moord van 17 januari.’6 Zo eenvoudig is dat: de Belgische ministers wisten dat de Katangezen plannen hadden om Lumumba om te brengen, maar er staat niets op papier over de ministeriële bedoelingen met de transfer, dus we kunnen niets besluiten over hun verantwoordelijkheid!

2

De VN en vooral de VS blijven buiten het onderzoeksvizier. Geen enkel nieuw element over hun rol stoffeert het onderzoek.7 Uit het verslag komt een onwezenlijk verhaal naar voor waarin Belgen en Congolezen, maar geen Amerikanen voorkomen. Dit rapport is de tegenhanger van het rapport van de Amerikaanse Senaat waarin Amerikanen en Congolezen, maar geen Belgen voorkomen. Zoals toen Washington Brussel niet voor het hoofd wou stoten, zo wil de Belgische Lumumba-commissie de grote NAVO-bondgenoot niet schofferen. Een analyse van de VS-rol levert echter een beter inzicht op in de Belgische actie. Zo krijgen de Belgische wapenleveringen voor antilumumbist Joseph Ileo hun betekenis als men weet dat de CIA Ileo tot een moordaanslag op Lumumba wou bewegen. Verklaringen van CIA-agent Lawrence Devlin en de Belgische kolonel Marlière wijzen ondubbelzinnig op een intense samenwerking van Belgen en Amerikanen in de strijd tegen Lumumba, en het archief-Pilaet geeft bijkomende indicaties in die zin. Die samenwerking was alleen al omwille van de efficiëntie en de veiligheid een must: het doelwit was hetzelfde, de Congolese handlangers waren dezelfde en in geval van een mislukking waren de politieke repercussies voor beide partijen dezelfde.

Verder zijn er veel indicaties die erop wijzen dat tijdens de gehele crisis tussen Washington en Brussel op hoog niveau is overlegd. Is het bijvoorbeeld niet betekenisvol dat tijdens de tweede week van oktober alle sporen van Belgische en Amerikaanse commando-acties uit het telexverkeer verdwijnen? Vanaf dan komt er een eind aan de eerder amateuristische pogingen van de Belgen om Lumumba om te brengen, en ook de pogingen van de CIA om Lumumba indirect en vanop afstand te doden – met gif, of via een ‘onafhankelijke’ Congolese actie – worden afgevoerd als moeilijk haalbaar. Vanaf dan wordt het licht op groen gezet voor een actie van een professionele CIA-doder (CIA-agent ‘QJWIN’ komt op 21 november aan in Congo – te laat echter om nog een aanslag te plegen want Lumumba zal kort nadien in een cel van Mobutu belanden). Dat wijst erop dat er sprake was van een vorm van Amerikaans-Belgische coördinatie op hoog niveau van de commando-acties.

De Amerikanen zijn ongemoeid gelaten, en dat is niet met rationele argumenten te verklaren. Congolezen, Belgen en Amerikanen waren naast mekaar of samen actief in de strijd tegen Lumumba. Zoals de Congolezen kunnen de Amerikanen meer vertellen over de rol van de Belgen in het verhaal. Het ontbreekt trouwens niet aan Amerikaanse gesprekspartners: de voorbije jaren en maanden lieten ex-CIA-agenten als Lawrence Devlin, Frank Carlucci en David Doyle geen kans onbenut om in interviews en boeken hun mening over de Congocrisis te uiten. De reden voor deze blinde vlek is dus niet onderzoekstechnisch, maar politiek.

3

De Belgische civiele en militaire veiligheidsdiensten blijven buiten schot, hoewel enkele documenten die op de bureaus van de ministers Wigny en Gilson belandden, laten vermoeden dat hun rol erg groot was. We vernemen niets over de covert actions die generaal Detige vanop het kabinet van de minister van Defensie coördineerde. We krijgen geen inzicht in de informele (para-)militaire netwerken, die niet onmiddellijk zichtbaar maar daarom niet minder belangrijk waren.8 Het is bijvoorbeeld geen toeval dat de Belgische regering in juli 1960 Harold d’Aspremont Lynden en Jean del Marmol naar Katanga stuurt om er de secessie te helpen uitbouwen: beide mannen van de Belgische haute finance hadden tijdens de tweede wereldoorlog in het anticommunistische Geheim Leger hun militaire sporen verdient, en d’Aspremont Lynden was een van de chefs van het occulte anticommunistische Gladio-netwerk. Vertelde Jacques Brassinne de commissie niet dat d’Aspremont Lynden voor de militaire inlichtingendienst werkte en dat d’Aspremont Lynden, hoewel officieel adjunct-kabinetschef van premier Eyskens, op militair vlak bevelen gaf aan de opperbevelhebber van het Belgisch leger, luitenant-generaal Cumont?9

Maar hierover heeft het onderzoek ons niets geleerd. Meer zelfs: de experts hebben nog voor het onderzoek was afgerond in hun ‘Nota van de experts’ aangekondigd dat men van het archief van de Staatsveiligheid ‘niet teveel moet verwachten’! In dezelfde nota lezen we: ‘De experts (…) wijzen nu al op de overschatting van de veiligheidsdiensten’, hoewel uit een nota was gebleken dat generaal Detige (kabinet Gilson) verantwoordelijk was voor de geheime acties van het Belgisch leger in Congo! Uiteindelijk komen we niets te weten, want in een andere nota lezen we dat de experts in het archief van Defensie enkel materiaal over de periode voor en kort na de Congolese onafhankelijkheid (de periode van de officiële militaire interventie) hebben gezien – kortom, iets wat volgens hen ‘niet onmiddellijk veel relevant en nieuw materiaal’ over het onderwerp heeft opgeleverd. En in het eindverslag schrijven de experts dat er in het archief van de Staatsveiligheid materiaal ‘is verloren gegaan’ of dossiers ‘niet werden bewaard’.10 Zoals ten tijde van de Gladio-commissie stellen we opnieuw vast dat het parlement de veiligheidsdiensten, en dan vooral de militaire diensten, niet wil, kan of mag doorlichten.

4

De rol van de financiële groepen is evenmin uitgeklaard. Deze kwestie is nochtans essentieel, want ze levert de sleutel tot een antwoord op de vraag naar het ‘waarom’ van de oorlog tegen Lumumba. De Congocrisis was geen slag in de Koude Oorlog, hoewel het voor propagandadoeleinden uitermate nuttig was om de Congolese nationalisten als werktuigen van Moskou af te schilderen, en evenmin ging het om een poging van het Westen om orde te scheppen in de chaos die de ‘onervaren’ en ‘lichtzinnig’ optredende Congolezen veroorzaakten. In werkelijkheid ging het om een poging om de nationalistische regering te vervangen door een neokoloniaal bewind dat het land voor de kapitalistische exploitatie moest vrijwaren. De Belgische regering, de legertop en het paleis waren de in het oog springende actoren, maar de holdings waren de echte regisseurs van de crisis.

Er is weliswaar een hoofdstuk aan de Union Minière gewijd, maar de financiële netwerken die de ministers, hun topmedewerkers, de entourage van de koning en de complotteurs op het terrein verbonden in de strijd voor het behoud van de koloniale kroonjuwelen blijven uit het blikveld. Het verhaal verliest daardoor zijn samenhang. Er duiken figuren op als Jean del Marmol, Harold d’Aspremont Lynden, Camille Gutt, René Clémens, Jo Gérard, Ganshof van der Meersch, Edouard Pilaet of Auguste S. Gérard. De experts vragen zich af wie wat wanneer doet, maar de achtergrond en de beweegredenen van die actoren worden niet verklaard. Hun banden met financiële groepen als de Generale, de groep-Solvay, de groep-de Launoit en de groep Lambert, die in de frontlinie stonden van de strijd tegen de Congolese regering, worden niet onderzocht. Als de Belgische regering in juli Harold d’Aspremont Lynden en Jean del Marmol naar Katanga stuurt om er de secessie te helpen uitbouwen, dan stuurt ze twee eminente vertegenwoordigers van het Belgische grootkapitaal: de eerste van de Generale Maatschappij, de tweede van de groep-Lambert.

Philippe Toussaint was in 1960 en 1961 een van de reporters van Pourquoi Pas? die de ‘Belgenhater’ Lumumba in zijn graf schreven. Na de moord op Lumumba schreef hij, samen met Pierre Davister, dat het ‘waanzinnig’ zou zijn om de identiteit van de moordenaars van Lumumba bekend te maken, want ze hadden gewoon gedaan ‘waarop iedereen hoopte’. Vandaag echter erkent Toussaint dat Lumumba helemaal niet anti-Belgisch was: ‘Als we mogen aannemen dat Patrice Lumumba een vriend was van België en uiteraard bezorgd om met name de economische onafhankelijkheid van zijn land te vrijwaren, kunnen we dan niet rustig stellen dat België alle redenen had om in Patrice Lumumba de man bij uitstek te zien waarmee het tot overeenstemming kon komen? Maar laten we niet rond de pot draaien: dat zou ten koste gaan van de enorme dividenden van de Union Minière en andere Belgische maatschappijen die het “geologisch schandaal” uitbaatten. Hoeveel doden, ellende en gruwel had men op die wijze misschien kunnen vermijden!’11 Toussaint slaat de nagel op de kop: het is de ongebreidelde winsthonger van de holdings dat aan de basis lag van de pogingen van Brussel en Washington om een neokoloniaal bewind in Kinshasa aan de macht te brengen.

De onwil of het onvermogen om de hamvraag van het ‘waarom’ te beantwoorden, verklaart waarom het verhaal geen context heeft; waarom de crisis ‘uit de lucht valt’. Het toneelstuk wordt geanalyseerd aan de hand van de prestaties van de acteurs, maar zonder dat het verhaal, de auteur van het stuk of de regisseur ter sprake komen. De politieke klasse houdt uit de aard der zaak zichzelf geen zuivere spiegel voor. Want erkennen dat de winsthonger van de holdings ‘de brandstof’ van de crisis vormt, is tezelfdertijd erkennen dat het probleem verder reikt dan het beleid van een minister of het optreden van enkele ondergeschikten. Dan moet men ook erkennen dat het probleem voorspruit uit het wezen van het bestel zelf en dat de voedingsbodem voor dat soort van misdaden nog steeds aanwezig is. Winstmaximalisatie is nog steeds de drijfveer van de wereldeconomie – en bepaalt bijgevolg in laatste instantie de diplomatieke manoeuvres, de uitbouw van invloedssferen en de politiek-militaire interventies, ook in het Centraal-Afrika van vandaag.

5

De rapporten van de experts bevatten mankementen en interpretaties die vooral moeten verklaard worden als toegevingen aan ‘het conservatieve kamp’ en de decennia-oude heersende ideologie van Belgiës onschuld.

De voorgeschiedenis van de crisis ontbreekt. Die is nochtans essentieel om de crisis te kunnen begrijpen: de snelle toekenning van de onafhankelijkheid om de Congolese nationalisten de pas af te snijden en de radicalisering van de bevolking voor te zijn; de manoeuvres van Laken om de onafhankelijkheid ‘kreupel’ te maken; de pronostiek van Brussel dat pro-Belgische Congolese politici een parlementaire meerderheid zouden halen; de nota van d’Aspremont Lynden over Lumumba als de politiek ‘te elimineren man’; de manoeuvres van minister Ganshof van der Meersch om Lumumba zijn verkiezingsoverwinning te ontfutselen en hem uit de premierstoel te houden; de commotie over beschuldigingen van verkiezingsfraude in Katanga ten voordele van de anti-nationalisten; de eenzijdige wijziging van de Congolese grondwet, door het Belgisch parlement, om Tshombe in Katanga aan de macht te helpen (‘een wettelijke staatsgreep’ volgens Jef Van Bilsen); de ontbinding, door de Belgische regering, drie dagen voor de onafhankelijkheid, van het Comité Spécial du Katanga, de concessiehoudende maatschappij waarvan de Congolese regering, als erfgenaam van de koloniale overheid, de grootste aandeelhouder was en haar toestond om tweederde van de aandelen van de Union Minière op te eisen; de Belgische weigering om in te gaan op de vraag van premier Lumumba om kort voor de onfhankelijkheid een amnestie af te kondigen; de manoeuvres om in het ontwerp van Vriendschapsverdrag tussen België en Congo een aantal hefbomen in Belgische handen te houden (militaire bases, etc.); de intimiderende rol van het conservatieve blanke officierskorps van het Congolese leger – volgens het CRISP ‘het eerste en belangrijkste obstakel voor de onafhankelijkheid, en een groot gevaar voor de persoonlijke veiligheid [van de Congolese nationalisten]’; generaal Janssens die na de onafhankelijkheid de regering-Lumumba elke zeggenschap over (hervormingen in) het Congolese leger ontzegde, als aanleiding van de muiterij; enzovoorts.

Hierover zeggen de experts niets. Hun verhaal begint op 10 juli, op het ogenblik van de Belgische militaire interventie. Het is doorspekt met een lange reeks betwistbare besluiten. Volgens de experts was de Belgische interventie een ‘humanitaire noodzaak’ – een stelling waarvoor ze geen argumenten geven (in mijn boek Crisis in Kongo leg ik uit dat de interventie, zoals was voorspeld, anti-humanitaire gevolgen had: Congolese woede-uitbarstingen leidden tot geweld tegen blanken). De oorzaken van het conflict tussen Brussel en Leopoldstad herleiden ze tot ‘een spiraal van wederzijdse beschuldigingen, die uitmonden in een complete breuk’ in de periode 10 tot 14 juli, hoewel in feite de verantwoordelijkheid bij Brussel alleen lag (in het rapport wordt erkend dat Lumumba de acties van de Belgische regering moeilijk anders kon interpreteren dan als daden van agressie). De experts schrijven dat de regering-Eyskens door de publieke opinie werd gegijzeld en tot harde actie tegen Lumumba werd gedwongen; in werkelijkheid werd de oorlogsretoriek door de regering en de bevriende pers zorgvuldig gepropageerd. De experts schrijven verder dat de verbreking van de Congolees-Belgische diplomatieke betrekkingen door Congo de oorzaak zijn van de Belgische steun aan de secessie. Het omgekeerde is waar: de Congolese regering zegde op 14 juli de betrekkingen op ten gevolge van een hele reeks Belgische daden van agressie tegen de Congolese soevereiniteit, waaronder de Belgische interventie en steun aan de afscheiding van Katanga. Was in de nacht van 11 op 12 juli niet beslist om luitenant-generaal Cumont naar Congo te sturen om naar diens zeggen ‘Sauver des vies humaines et soutenir le Katanga’?

De experts stellen het voor alsof de intern-Congolese oppositie en de regering-Lumumba in een spiraal van geweld terechtkwamen, wat aan de basis zou liggen van de afzetting van Lumumba (in werkelijkheid begaf het verbond van westerse machten en Congolese antilumumbisten zich met de secessies en manoeuvres om de wettige regering omver te werpen in de illegaliteit, waarop Lumumba enkel reageerde); alsof de grote actievrijheid van het militair netwerk rond Jules Loos mee aan de basis lag van de ‘manke besluitvoering’ in België (in werkelijkheid was die grote actievrijheid van Loos een doelbewuste keuze van de minister van Afrikaanse Zaken om de covert actions tegen Lumumba zo efficiënt mogelijk te organiseren); alsof de gebrekkige informatie van de veiligheidsdiensten het gevolg van technische problemen waren (de manke informatie was dikwijls een onderdeel van de strategie van de veiligheidsdiensten om hun eigen agenda – soms zelfs een strategie van de spanning – door te drukken); enzovoorts.

De experts trekken geen voor de handen liggende conclusies uit documenten die op zichzelf al bezwarend voor Brussel zijn. Zo schrijven ze dat de vraag van de rechterhand van de minister van Afrikaanse Zaken om ‘blanke’ wapens naar Congo te sturen – dat is: wapens zonder identificatiegegevens, zodat de herkomst niet kan worden nagegaan – moeten dienen voor ‘legale’, openlijk uitgevoerde operaties zoals arrestaties. Het is evident dat deze wapens moesten dienen voor illegale acties, en dat hun gebruik voor legale acties zelfs voor problemen zou kunnen zorgen (hun ‘blank’ karakter is een ernstige aanwijzing van buitenlandse inmenging)… Mogen we hier vermelden dat de bestelling van deze wapens dateert van 13 september 1960, op het ogenblik dat operatie-Barracuda op gang komt?

Als Belgen in documenten termen gebruiken als ‘manoeuvre’, ‘opération’, ‘action’ of ‘coup de main’, dan wordt volgens de experts geen aanslag tegen Lumumba bedoeld, of was dat alleszins weinig waarschijnlijk. Volgens hen gaat het steeds om een ‘politieke eliminatie’; om een ‘arrestatie’ of om het ‘disciplineren’ van het leger. Geheime diensten gebruiken voor de interne communicatie over commando-acties steeds een verhullend taalgebruik, maar daar wordt geen rekening mee gehouden. En als er dan toch een Belgisch document opduikt waarin Belgen het ondubbelzinnig hebben over een aanslag tegen Lumumba, dan wordt dat gewoon over het hoofd gezien… Het betreft een telex van 13 oktober 1960 van het Belgisch consulaat in Brazzaville aan minister van Buitenlandse Zaken Wigny. Op dat ogenblik zat Lumumba in zijn residentie, waar blauwhelmen hem tegen een aanval van Mobutu’s troepen beschermden: ‘Avons ce jour entretiens intéressants avec Cordy [Jean Cordy, de Belgische raadgever van Justin Bomboko]. Il en résulte primo Bomboko très tendu est entièrement préoccupé par conflit avec ONU suite refus laisser arrêter Lumumba. (…) avis Cordy être de maintenir blocus [rond de residentie van Lumumba] temps maximum compatible avec nécessité de ne pas perdre la f[a]ce et entretemps de faire organiser coup de main par petit commando indépendant de Force Publique [het Congolese leger].’12

Er worden geen conclusies getrokken uit het Belgisch plan om Lumumba naar Brazzaville te ontvoeren, hoewel het wellicht niet de bedoeling was om de Congolese premier voor de thee uit te nodigen… Er wordt geen melding gemaakt van het voor koning Boudewijn erg bezwarende aide-mémoire van minister Wigny, waarin hij onthult dat de uitnodiging aan Tshombe voor een bezoek aan Brussel – een politiek nefaste zaak – er enkel is gekomen omdat Boudewijn dat zo wou. En er is geen sprake van een analyse van de concrete rol van Belgische officieren en hun superieuren in de gevangenhouding en executie van Lumumba, die 17de januari in Katanga (zijdelings weze opgemerkt dat elke nazi-officier waarvan vandaag vast zou staan dat hij betrokken was bij de moord op een democratisch verkozen regeringsleider, onmiddellijk voor een rechtbank zou worden gesleept, ongeacht zijn leeftijd of gezondheidstoestand).

Een genuanceerd oordeel

Het werk van de experts is dus zeker niet perfect. Maar dat betekent niet dat er geen vooruitgang in het onderzoek is geboekt. De getuigenissen van de officieren Dedeken en Heureux en het archief van Pilaet leren meer over de Belgische moordplannen – sommige van private, andere dan weer van officiële oorsprong, en meestal gecoördineerd door het kabinet van Afrikaanse Zaken. Er is informatie vrijgekomen over geheime regeringsfondsen (die tot in 1989 zijn blijven bestaan!). De decodering van een reeks versleutelde documenten verschaft opheldering over de rol van Brussel in de transfer van Lumumba naar Katanga. We leren ook dat koning Boudewijn zijn grondwettelijk boekje te buiten is gegaan door een Congolees moordplan tegen Lumumba niet te melden aan de regering, en sterker nog, Tshombe in een brief zelfs impliciet heeft aangemoedigd. Verder zit in de rapporten stof voor bijkomend onderzoek, bijvoorbeeld over de rol van de entourage van Leopold III in de Congocrisis of de Belgische rol in de zogenaamde Hutu-revolutie in Rwanda. De experts hebben inzage gekregen in archieven waarvan andere onderzoekers slechts kunnen dromen, en het komt er nu op aan dit onderzoeksmateriaal volledig open te stellen voor Belgische en Afrikaanse wetenschappers.

Gedreven en onderlegde parlementsleden als Leen Laenens (Agalev) en Daan Schalck (SP.A) hebben op het werk van de experts verdergebouwd en de politieke besluiten van de commissie in positieve zin beïnvloed. En de media-aandacht voor het dossier heeft een onherstelbare bres geslagen in de officiële geschiedschrijving die eigenlijk niet meer was dan de ideologie van de overwinnaars. Tekenende anekdote: amper één dag na de bekendmaking van het commissierapport onthulde de oud-correspondent van Le Monde Pierre De Vos dat Auguste S. Gérard, topman van de Generale en verbindingsman met de Belgische regering, hem nog voor de Congolese onafhankelijkheid had toevertrouwd dat hij ‘een gek in de Kasai’ moest vinden om Lumumba om te brengen…13 Het commissierapport is een klap voor Brussel dat moet erkennen dat een van haar regeringen medeplichtig is aan een politieke moord. En het is ook een klap voor haar neokoloniale ambities: in de toekomst zal elke bemoeienis en interventie in Centraal-Afrika de associatie oproepen met de moord op Lumumba, en dus kritischer worden bekeken dan tot vandaag het geval was. De manoeuvreerruimte van het establishment is op dat vlak ongetwijfeld een beetje ingeperkt.

De eindconclusie van de commissie is echter ondermaats – in die mate zelfs dat ze de positieve aspecten dreigt te overschaduwen. Het besluit van de Lumumba-commissie luidt voluit : ‘In het licht van wat voorafgaat, met de normen inzake publieke moraal van vandaag en zonder te treden in toenmalige persoonlijke morele afwegingen komt de commissie tot de conclusie dat sommige Belgische regeringsleden en andere Belgische actoren een morele verantwoordelijkheid dragen in de omstandigheden die tot de dood van Lumumba hebben geleid.’ De logica achter deze conclusie ligt voor de hand: men doet een knieval voor de historische waarheid door de Belgische verantwoordelijkheid te erkennen, maar men houdt een slag om de arm door de verantwoordelijkheid te reduceren tot een ‘morele’, om elke concrete verantwoordelijkheid (en alle juridische en financiële consequenties) van zich af te schuiven. Deze conclusie is omwille van vier redenen onhoudbaar. Een: ze komt niet tegemoet aan de conclusies van het historisch onderzoek. Twee: de zinsnede ‘met de normen inzake publieke moraal van vandaag’ is volkomen misplaatst. Waarom zou de betrokkenheid bij een moord in 1961 minder erg zijn dan vandaag het geval is? Drie: de zinsnede ‘zonder te treden in toenmalige persoonlijke morele afwegingen’ kan evenmin door de beugel. Waarom moet men abstractie maken van de morele overwegingen van Belgische beleidsvoerders die bij deze misdaad betrokken waren om over hun verantwoordelijkheid uitspraak te kunnen doen? Zo suggereert men dat morele overwegingen als ‘verzachtende omstandigheden’ kunnen worden ingeroepen. Vier: de term ‘morele verantwoordelijkheid’ komt niet tegemoet aan de opdracht die het parlement de commissie heeft gegeven. Volgens de wet tot oprichting van de commissie moest ze immers ‘de onderscheiden politieke verantwoordelijkheden van de toenmalige Belgische ministers’ aanwijzen, met inbegrip van de rol van alle ‘diensten’ en van ‘de diverse verantwoordelijkheden nominatim’.14

Wat nu?

Zal de politieke klasse lering trekken uit dit dossier? Het is niet onmogelijk dat tijdens het parlementair debat over het rapport twee contradictorische evoluties aan het licht zullen komen. Een groep parlementsleden is gaandeweg overtuigd geraakt van de ernst van de misdaad en van de grote gevolgen voor Centraal-Afrika, van de grote rol van de Belgische regering in dit drama en bijgevolg van de noodzaak om structurele maatregelen te treffen. De pers was al enige tijd die mening toegedaan. Tegenover deze vooruitgang staat de vaststelling dat de interesse van de Belgische regering voor het dossier is afgenomen. De moord op Laurent Kabila (januari 2001) heeft de weg vrijgemaakt voor een erg zwak, van het Westen afhankelijk regime in Kinshasa. Het initiële enthousiasme over de omverwerping van de Mobutu-dictatuur heeft plaatsgemaakt voor een sluipende desintegratie van Congo, onder het gewicht van de oorlog, de plunderingen en een gebrek aan politiek perspectief. In die omstandigheden is opheldering in het dossier-Lumumba niet echt een must meer voor minister Michel. Verder beseft de regering dat een erkenning van schuld verreikende implicaties kan hebben: om Lumumba omver te kunnen werpen, werd een afzichtelijke dictatuur geïnstalleerd waarvoor Centraal-Afrika tot vandaag een hoge prijs betaalt. En de publieke opinie is maar matig geïnteresseerd in een dossier dat altijd het exclusieve terrein van de uitvoerende macht is geweest, en is omgeven door het negatieve aura van de cynische, decennialange unanieme steun voor Mobutu, en nadien, door het gecultiveerde afro-pessimisme. Dat is allemaal niet van aard om de regering-Verhofstadt tot verregaande conclusies te dwingen.

De toetssteen of het de politieke klasse menens is, zijn niet symbolische maatregelen zoals excuses, eenmalige maatregelen zoals een schadevergoeding voor de nabestaanden, of langetermijnkeuzen over de plaats van de monarchie in het bestel. De toetssteen zijn structurele maatregelen, zoals: 1) de integratie van Afrikaanse wetenschappers in de Belgische academische wereld; 2) de oprichting van een fonds dat jonge Afrikaanse en Belgische wetenschappers de kans biedt het ‘onverwerkt verleden’ te bestuderen;15 3) een nieuwe archiefwet die de toegankelijkheid van Belgische archieven voor onderzoekers verbetert; 4) onvoorwaardelijk respect voor de Congolese territoriale integriteit en soevereiniteit, die niet ondergeschikt mag worden aan interne hervormingen; 5) de kwijtschelding van de schulden van Congo; 6) een politiek gebaar door een belangrijke plaats of belangrijk gebouw naar Patrice Lumumba te noemen; en 7) de erkenning dat België een politieke verantwoordelijkheid draagt voor de moord op Lumumba.

Er is nog een lange weg af te leggen. De commissie-Lumumba is, misschien meer nog dan een deel van de oplossing, vooral een spiegel die Brussel zichzelf voorhoudt. Het establishment dat in 1961 de Congolese regering ten gronde richtte, is hetzelfde dat vandaag zijn aandeel in de moord op Lumumba onderzoekt en evalueert. Tussen 1961 en 2002 is het politieke personeel wel vernieuwd, maar het gaat nog steeds om dezelfde instellingen (regering, paleis, holdings) die – gezien de politieke continuïteit – hun politieke verantwoordelijkheden voor wat in het verleden is gebeurd niet kunnen afwentelen. Verder zijn de neokoloniale ambities van Brussel in Centraal-Afrika zeker niet opgeborgen: wie daaraan twijfelt, moet maar de bijna opgeluchte commentaren herlezen van Belgische en andere westerse politici en ‘afrikanisten’ bij de dood van Laurent Kabila in januari 2000, 40 jaar na de moord op Patrice Lumumba.

Ludo De Witte

(Uitpers, januari 2002)

Noten

1 Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Verslag namens de parlementaire onderzoekscommissie-Lumumba, 2 boekdelen, DOC 50 0312/006 en DOC 50 0312/007. De conclusies van de commissie staan in DOC 50 0312/007, pp. 828-844.
2 J. Omasombo Tshonda, ‘Commission Lumumba: difficile regard sur un passé’, gepubliceerd door de Belgische Vereniging van Afrikanisten (BVA)/Association belge des Africanistes (ABA).
3 In hun inleiding verwijzen de experts in omfloerste bewoordingen naar dit reductionisme, als ze schrijven over ‘de breedte en de beperking’ van hun onderzoek: ‘Wij proberen te antwoorden op de vragen van de commissie. Dit is een rapport voor een onderzoekscommissie, geen boek over de Congo-crisis. In een boek kan men zich permitteren een brede en op persoonlijke overtuiging gestoelde visie te geven over een historisch probleem, dikwijls op basis van aantrekkelijke hypotheses en verbanden die plausibel lijken maar daarom niet bewezen zijn.’ Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, DOC 50 0312/006, p. 37.
4 Af en toe wordt in het eindverslag informatie opgenomen die deze lacunes schijnt op te vullen, maar zonder dat er in de analyse rekening mee wordt gehouden. Zo wordt de getuigenis van kolonel Marlière vermeld waarin hij zegt dat de rechterhand van minister d’Aspremont Lynden hem een ‘krokodillendoder’ aanbood om Lumumba uit de weg te ruimen. De experts schrijven hierover: ‘Zijn getuigenis geeft ongetwijfeld goed de sfeer weer, maar biedt zij ons voldoende houvast om van een echt plan te spreken? Zijn Loos en Vervier werkelijk met het voorstel van een “tueur de crocodiles” naar Pointe Noire gekomen? (…) Vervier ontkent voor de parlementaire onderzoekscommissie dat hij met zulke opdracht naar Brazzaville werd gestuurd.’ (DOC 50 0312/006, p. 168) Tja…
5 Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, DOC 50 0312/006, p. 391.
6 Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, DOC 50 0312/006, p. 395.
7 De schaarse informatie over de acties van de VN en de VS komt uit al eerder gepubliceerd werk: het Church-rapport van de Amerikaanse Senaat (1975) en de publicaties van Richard Mahoney (1979, 1999), Madeleine Kalb (1982) en Ludo De Witte (1996, 1999).
8 Over het belang van een onderzoek van de rol van de Belgische (para-)militaire en civiele veiligheidsdiensten, hun vertakkingen in Katanga en de ‘guerre des flics’ tussen deze diensten, zie L. De Witte, ‘Voor Koning en Vaderland’, in Knack, 18/10/2000.
9 Tijdens de hoorzitting van juli 2001 zei J. Brassinne over de activiteiten van d’Aspremont Lynden in Katanga: ‘Le comte d’Aspremont est lieutenant-colonel de réserve. Dans les milieux militaires il est très connu et apprécié. Il n’y a pas de problème de hiërarchie entre lui et le général Gheysen [le colonel Gheysen] ou [le lieutenant-général] Cumont. Ils savent que c’est lui le chef; même la question de grade: pas de problème. Le comte d’Aspremont a travaillé pour le SDRA, le service des renseignements, dans laquelle d’ailleurs il m’a fait rentrer. Il est persona grata et tout à fait capable de gérer les problèmes militaires.’ (Nota’s LDW)
10 Resp. DOC 50 0312/007, p. 869 en DOC 50 0312/006, p. 514.
11 ‘Mort de Lumumba’, 13/2/1960, in P. Davister en Ph. Toussaint, Croisettes et Casques bleus, p. 218; Ph. Toussaint, ‘Patrice Lumumba, l’ami massacré de la Belgique’, in Journal des Procès, 30/11/2001.
12 Telex 655 van 13/10/1960 van Dupret en Westhof, in Arch. Buitenlandse Zaken. Deze telex is in mijn boek ‘De moord op Lumumba’ opgenomen.
13 Cit. Pierre De Vos op het Lumumba-colloquium van Agalev, Brussel, 17/11/2001.
14 Kamer van Volksvertegenwoordigers, 24/2/2000, Doc. 50 0312/005.
15 In het commissieverslag krijgt de officiële academische wereld terecht een impliciete veeg uit de pan omdat daar nooit werk is van gemaakt. Er is geen gebrek aan onderwerpen. Ik denk bijvoorbeeld aan de decimatie van de Congolese bevolking onder het schrikbewind van Leopold II (1885-1908), het neerslaan van Congolese opstanden tegen het Belgische koloniale juk in de jaren ’20 en ’30, de onderdrukking van Congolees verzet tegen de opgelegde oorlogsinspanning (1940-45), de Belgische rol in de ‘Hutu-revolutie’ in Rwanda (1958-60), de oorlogsmisdaden van het Belgische leger in de zomer van 1960 in Matadi, Nzilo en Leopoldstad, de slachtpartijen van het Katangese secessieleger tegen de nationalistische bevolking in Katanga in 1960-61, de moord op de nationalistische leider Rwagasore (Burundi) en de verdachte dood van Mutara (Rwanda), de Belgische rol in de bloedige repressie van de opstanden tegen het bewind van Kasa Vubu en Mobutu in 1964-65, enzovoorts

Deel dit artikel

Visited 195 Times, 3 Visits today

Tags :

zie ook