Lula en de uitdaging van het reformisme in Latijns-Amerika

Luiz Inácio da Silva, Lula, is de laatste van een lange lijst van Latijns-Amerikaanse staatshoofden met een gematigd, hervormingsgezind programma. Zijn voorgangers hebben de voorbije halve eeuw telkens weer geprobeerd om wijziging te brengen in de achterhaalde en vreselijk ongelijke structuren die hun landen in de sociale achterstand en armoede doen blijven steken.

Hun reformisme wordt gekenmerkt door een streven naar verandering zonder te raken aan de eigenlijke machtsstructuren, terwijl de autoriteit van de oligarchie aanvaard wordt zonder meer. De hervormingen gebeuren slechts indien die oligarchie haar goedkeuring geeft en ervan overtuigd kan worden er baat bij te hebben. Ook de belangen van de multinationale ondernemingen worden gewoonlijk gevrijwaard, en alles wordt in het werk gesteld om de VS vooral niet te verontrusten. Dat zou immers kunnen leiden tot een vroegtijdig stopzetten van het hele project.

De geschiedenis toont dat de reformistische processen in Latijns-Amerika steeds uitliepen op een mislukking. De formule is doorgaans dezelfde: een democratisch verkozen regering die omvergeworpen wordt door de klassieke alliantie van het westerse imperium, de plaatselijke oligarchie en het leger.

Het reformisme is een verlangen van de Latijns-Amerikaanse volkeren dat cyclisch weerkeert, zoals de fenix-vogel, en dat het recht opeist om de rigide en archaïsche structuren, meegesleept sinds de onafhankelijkheid, overhoop te halen.

Het conflict tussen reformisme en conservatisme ging al van start bij de onafhankelijkheid van de landen, toen liberalen en behoudsgezinden een strijd op leven en dood voerden. Terwijl de reactionaire krachten verwoed poogden hun oude privileges te bewaren, ijverden de reformisten ervoor de landen in Latijns-Amerika uit het feodalisme te halen en te situeren in (hun versie van) de moderniteit. Die tegenstelling zou meermaals de vorm van bloedige en langdurige burgeroorlogen aannemen, die in een aantal gevallen (b.v. Colombia) nog steeds aanhouden.

Door de triomf van de Cubaanse Revolutie in 1959 werden de begrippen van reformisme en revolutie nog wel eens verward, maar tijdens de daaropvolgende decennia zou de voorheen genoemde alliantie beide processen hard bestrijden. Met de Koude Oorlog als perfecte dekmantel daarvoor.

De eerste reformistische regering die ten prooi viel aan de anticommunistische koorts was die van kolonel Juan Jacobo Arbenz, in Guatemala in 1954. Slechts weinig landen in de streek hangen zo sterk af van de koloniale structuren als deze Centraal-Amerikaanse republiek. Terwijl de Maya-cultuur er trots getoond wordt aan de toeristen, worden haar afstammelingen op schrijnende wijze achtergesteld.

Grootgrondbezit, raciale segregatie, uitbuiting en op winst loerende multinationale fruitondernemingen vormden er de vervaarlijke cocktail waar Arbenz zijn sociaal-liberale hervormingen wou tegenover stellen. De intolerantie van de oligarchie en de belangen van United Fruit lieten echter geen vernieuwende initiatieven toe. Onder het vaandel van de communistische dreiging braken zij het project onverhoeds af. Een actie van de CIA vanuit Honduras en Nicaragua rekende af met Arbenz en gaf aanleiding tot de laatste geplande volkerenmoord van het continent.

De volgende was Juan Bosch, die in 1962 verkozen werd tot president van de Dominikaanse Republiek. Zijn gematigd plan voor hervormingen werd niet goed onthaald door de aanhangers van de kort daarvoor vermoorde dictator Rafael Trujillo. De militaire staatsgreep van september 1963 mondde uit in zware gewapende gevechten tussen putschisten en constitutionalisten gesteund door burgers. In april 1964 vielen de VS het land binnen, volgens de toenmalige president Johnson “om de overwinning van de communisten te verhinderen”. De Amerikaanse troepen installeerden een “trujillisme zonder Trujillo” en Bosch moest ballingschap zoeken.

De volgende die het probeerde was Salvador Allende in Chili, een hoofdstuk dat voldoende gekend is. De val van Allende kreeg de goedkeuring mee van de enthousiaste Chileense oligarchie, die net zoals elders in Latijns-Amerikaans van een reactionaire en extreem-rechtse strekking was (zoals ook het geval is in Venezuela). De staatsgrepen en fascistische regeringen tijdens de bloedige jaren ‘60 en ‘70 werden door die oligarchieën telkens op gejuich onthaald.

Minder bekend zijn de reformistische programma’s van militairen na een staatsgreep. Zo greep in 1968 het leger de macht in Peru. De tot president benoemde generaal Juan Velasco Alvarado voerde een beleid in dat hij “links nationalisme” noemde en dat zich vertaalde in onteigeningen van oliemaatschappijen, een brede landbouwhervorming en een eigenzinnige buitenlandse politiek. Het experiment kende wisselvallige resultaten op economisch vlak en Juan Velasco kreeg onder meer een nieuwe staatsgreep te verwerken (deze keer van rechtse strekking). De initiatieven van het “links nationalisme” werden na die putsch langzaamaan afgebouwd.

Van veel kortere duur was de regering van de generaal Juan José Torres in Bolivië (1971). Nauwelijks een paar maanden later nam de rechtse generaal Hugo Bánzer zijn plaats in, met medewerking van de Verenigde Staten.

Zoals bekend hebben ook een aantal van de huidige Latijns-Amerikaanse staatshoofden een militaire achtergrond, zoals Hugo Chávez in Venezuela en Lucio Gutiérrez in Ecuador.

Lula is de laatste in de rij van reformisten die door middel van democratische verkiezingen het presidentschap bereikt heeft. Hij bevindt zich daarenboven in een relatief gunstige positie om zijn hervormingsprogramma uit te voeren. Zo hoeft hij niet onmiddellijk te vrezen voor een staatsgreep, want de strijdkrachten lijken hem getrouw en hebben reeds meermaals hun erkenning voor de Grondwet uitgedrukt.

Dat een staatsgreep geen onmiddellijke dreiging vormt, is van cruciaal belang voor de stabiliteit van Brazilië en van het hele continent, want het land vertegenwoordigt zo’n 40% van de Latijns-Amerikaanse economie. Die stabiliteit is tevens één van de redenen waarom de VS zich redelijk gedeisd houden en Lula zijn gang laten gaan: een crisis in Brazilië zou zich snel uitbreiden naar de regio, met belangrijke economische gevolgen en een nieuwe stroom van emigranten naar de VS tot gevolg. Ook de agressie in Irak en de uitvloeisels ervan doen Brazilië een beetje op de achtergrond belanden, wat goed meegenomen is voor Lula. Het stoort de Amerikanen wel dat hij goed bevriend is met Fidel Castro en Hugo Chávez, en het bevalt hen al evenmin dat Lula tegenstander is van de FTAA (de “Vrijhandelszone van de Amerika’s” waar hij een Latijns-Amerikaanse variant, Mercosur, wil tegenover stellen), maar voorlopig wordt het allemaal nog door de vingers gekeken.

Ook van de binnenlandse bedrijfsleiders moet Lula weinig vijandigheid verwachten, daar de meerderheid haar vertrouwen lijkt te hebben gevestigd op de nationalistische visie van de president op economisch vlak, in tegenstelling tot de plundering van de natuurlijke rijkdommen en de vernietiging van de binnenlandse economieën door de neoliberale globalisering. De bedrijfswereld verwacht van Lula een protectionistische en nationale politiek die de ondernemingen kan beschermen tegen de gulzigheid van de multinationalen. Die politiek moet hen toelaten te overleven en een plaats op de markt te veroveren.

Al bij al kan de ex-vakbondsleider dus in goede omstandigheden werken, al ziet hij zijn macht wel beperkt door de last van de buitenlandse schuld en de denationalisatie van de Braziliaanse economie.

De buitenlandse schuld bedroeg begin dit jaar 235.000 miljoen dollar en conditioneert niet enkel de economische programma’s, maar beperkt ook de reikwijdte van de politieke beslissingen. De multinationals controleren een 62% van de buitenlandse handel, een 82% van de maritieme handel, een 80% van de farmaceutische industrie, een 90% van de cementindustrie en nagenoeg de volledige automobielproductie, om een paar sectoren te noemen.

Tevens dient Lula rekening te houden met de archaïsche en feodale kaste van de grootgrondbezitters, een samenwerking die beslist moeilijker wordt. Zij zijn niet geneigd om de immense gronden en de bijhorende sociale positie (een overblijfsel van het tijdperk van de slavernij) zomaar op te geven, en vormen vaak een “staat binnen een staat”. In Brazilië bezitten 517 grootgrondbezitters een totale oppervlakte groter dan de Europese Unie. Eén van de voornaamste uitdagingen voor de president is dus de hervorming van de landbouw. Tegelijkertijd verwachten zo’n 20 miljoen landlozen van Lula dat hij zijn belofte vervult om ook hen een stukje land te bezorgen.

Deze factoren zal Lula in rekening moeten brengen, maar toch zijn de verwachtingen en de hoop die hij opwekt in Brazilië en heel Latijns-Amerika enorm. Het land heeft voor het eerst een linkse president die met zijn Arbeiderspartij PT kan werken aan een betere toekomst voor de hele regio. Brazilië kent niet de fragiliteit die Venezuela (een land in verregaande staat van verval) heeft en is niet het instabiele land dat Ecuador wel is. Lula krijgt dus, of hij het nu wil of niet, een voortrekkersrol toebedeeld die volgens sommigen jarenlang Fidel Castro toebehoorde.

Sceptici menen dat de goedmenende president verblind door de macht snel zal veranderen in een Braziliaanse versie van Fernando de la Rúa (de Argentijnse president die een centrum-linkse coalitie leidde maar eindigde in een helicopter op de vlucht voor de woedende massa). Die vergelijking heeft echter weinig uitstaans. Na een lange reeks van pijnlijke nederlagen, heeft Latijns-Amerika weer een linkse leider om in te geloven.

(Uitpers, nr. 42, 4de jg., mei 2003)

* Vertaling en bewerking van een artikel van Augusto Zamora R. gepubliceerd in de Nicaraguaanse krant El Nuevo Diario op 17 januari 2003

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 31 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook